De Franse Revolutie schonk de wereld drie prachtige woorden: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Men kan moeilijk bezwaar maken tegen zulke woorden. Het probleem begon pas toen de revolutionairen besloten uit te leggen wat ze ermee bedoelden. Vrijheid betekende bijvoorbeeld dat een priester volkomen vrij was de eed aan de nieuwe staat af te leggen. En wanneer hij dat niet deed, begeleidde de Staat hem vriendelijk naar de guillotine. Gelijkheid betekende dat iedereen gelijk was voor de wet, maar dat sommigen dan wel eerst uit de weg geruimd moesten zijn. En broederschap mondde uit in broedermoord.
Het tragische
van revoluties is dat zij vaak beginnen met een volkomen redelijke
verontwaardiging en eindigen met een volkomen krankzinnige oplossing. Ook de
Franse Kerk van het ancien régime
had haar gebreken. Zij bezat rijkdom, privileges en een soms al te comfortabele
verhouding met de macht. Hervorming was dringend nodig. Maar revolutionairen
hebben doorgaans een vreemde oplossing voor een lekkend dak: zij steken het
huis in brand.
Vanaf 1789
werden kerkelijke goederen onteigend (uiteraard zonder vergoeding);
kloosterorden werden opgeheven en in 1790 bracht de Constitution civile du clergé
de Kerk onder een tirannieke staatsregeling. De daaropvolgende radicalisering
mondde uit in de ontkerstening van 1792–1794: kerken werden gesloten of ontwijd
en geestelijken behoorden tot de dodelijke slachtoffers van revolutionair
geweld.
Men wilde
Frankrijk bevrijden van het bijgeloof. En om te bewijzen hoe rationeel men
geworden was, vond men vervolgens een nieuwe kalender uit, nieuwe feesten,
nieuwe cultussen en zelfs een Cultus van de Rede. Voor Kerstmis en Pasen was
uiteraard geen plaats op de nieuwe kalender. Er is geen betere satire op het
atheïsme te
bedenken dan atheïsten
die een altaar voor de Rede bouwen. Want de mens blijkt een hardnekkig
religieus dier. Zodra hij God uit de tempel verwijdert, begint hij merkwaardig
genoeg tempels te bouwen voor abstracties. Kijk naar onze tijd waar de dwaze
woke-cultuur door sommigen omhelsd wordt. Er is iets aandoenlijks aan een tijd
die God heeft afgeschaft en vervolgens onmiddellijk begint te zoeken naar een
vervanger. De progressieve liberale mens heeft de kerk verlaten omdat hij vond
dat die kerk te veel sprak over zonde, schuld, bekering en waarheid. Vervolgens
vond hij woke uit, dat voornamelijk spreekt over zonde, schuld, bekering en
waarheid. Alleen zonder vergeving, zonder genade en zonder humor.
Dat laatste is
wellicht nog merkwaardiger. Want men heeft ons jarenlang verzekerd dat het
christendom zou verdwijnen. Voltaire was er zeker van dat 100 jaar na de Franse
revolutie niemand meer over het christendom zou spreken. De toekomst zou
seculier zijn. De kerken zouden musea worden. Religie zou oplossen zodra de
bevolking eenmaal ‘verlicht’ was.
Toen kwamen er
tachtigduizend jongeren opdagen. Dat is lastig voor de theorie. Nog lastiger
zijn de doopcijfers. In Frankrijk werden volgens de Franse kerkelijke cijfers
afgelopen Pasen meer dan 13.000
volwassenen gedoopt. Dat was meer dan driemaal zoveel als tien jaar geleden.
We moeten
daarmee niet onmiddellijk verkondigen dat Frankrijk morgen weer het Frankrijk
van Saint Louis wordt. Europa seculariseert nog altijd sterk, kerkbezoek blijft
op veel plaatsen laag en de katholieke Kerk draagt bovendien zware wonden mee,
niet het minst door de misbruikschandalen waarmee paus Leo tijdens juist deze
reis opnieuw werd geconfronteerd. Maar juist daarom is wat er gebeurt zo
interessant. Het christendom keert niet terug omdat de omstandigheden er zo
gunstig voor zijn. Het keert terug terwijl vrijwel niemand van de gevestigde
cultuur daarop had gerekend.
En misschien
is dat wel precies hoe het christendom gewoonlijk terugkeert. Het begon
tenslotte ooit in een stal, met twaalf tamelijk ongeschikte mannen, met een
gekruisigde timmermanszoon. Het christendom bezit de irritante gewoonte
begraven te worden vlak voordat het weer opstaat.
De Franse
Revolutie dacht dat zij de Kerk kon vervangen door de Rede. Maar een mens
vraagt niet alleen: Hoe werkt de wereld? Hij vraagt ook: Waarom besta ik?
Waarom ben ik hier? Waarom moet ik goed zijn? Waarom doet schuld pijn? Waarom
verlang ik naar liefde die de dood overleeft? En wanneer een seculiere
beschaving alle antwoorden op die vragen heeft weggegooid, moet zij niet
verbaasd zijn wanneer haar kinderen op een dag op zolder gaan zoeken naar de
dozen die hun grootouders hebben achtergelaten.
Daar vinden
zij opeens een kruisbeeld, een rozenkrans,
Thomas van Aquino, Augustinus, een gregoriaanse melodie, een kathedraal. En
vooral een buitengewoon merkwaardige bewering: dat het universum niet
onverschillig is, dat goed en kwaad werkelijk bestaan, dat ieder mens een
onvervreemdbare waardigheid bezit en dat God niet op afstand bleef maar zelf
mens werd.
Voor iemand
die is opgegroeid met de boodschap dat hij een toevallige verzameling atomen is
die een paar decennia mag consumeren voordat het licht uitgaat, kan dat nieuws
verrassend fris klinken. Misschien ligt daarin een deel van de
aantrekkingskracht op jonge mensen. Niet omdat zij plotseling allemaal
reactionair geworden zijn, maar omdat rebellie van richting verandert zodra de
gevestigde orde verandert. In 1968 was het rebels de pastoor tegen te spreken. In
2026 kan het bijna rebels zijn om naar hem te luisteren.
Wanneer
iedereen zegt dat vrijheid bestaat uit nergens aan gebonden zijn, ontdekt een
jongere misschien dat liefde juist betekent dat men zich bindt. Wanneer
iedereen zegt dat waarheid persoonlijk is, wordt het avontuurlijk te vermoeden
dat waarheid misschien een objectief gegeven is die voor iedereen geldt. Wanneer
iedereen zegt dat traditie verstikkend is, kan een tweeduizend jaar oude Kerk
opeens exotischer lijken dan de zoveelste TikTok-trend die donderdag al
ouderwets is.
En daarin
schuilt een prachtige historische ironie. De revolutionairen probeerden kruisen
weg te halen. Frankrijk heeft ze teruggezet. Zij sloten kloosters. Er zijn nog
altijd kloosters. Zij probeerden het geloof overbodig te maken. Meer dan twee
eeuwen later staan jongeren uren in de rij om een paus te zien. Zij veranderden
zelfs de kalender om duidelijk te maken dat een nieuw tijdperk was aangebroken.
En niemand vraagt vandaag: “Welke
dag van Thermidor is het?” Zelfs de Franse republiek gebruikt weer de kalender
die aftelt vanaf de geboorte van Jezus. Dat is geen slecht resultaat voor een
geloof dat men verschillende malen dood heeft verklaard.
Er bestaat een
hardnekkige moderne overtuiging dat secularisatie een soort natuurwet is: hoe
moderner een samenleving wordt, hoe vanzelfsprekender God verdwijnt. Misschien
blijkt de werkelijkheid ingewikkelder. Misschien kan een beschaving haar
religieuze geheugen verliezen zonder haar religieuze honger kwijt te raken. Je
kunt een mens het menu afpakken, maar daarmee verdwijnt zijn eetlust nog niet.
En dus staat daar, midden in Parijs, een enorme mensenmassa. Op enkele
kilometers van plekken waar ooit revolutionairen meenden dat zij definitief met
het oude geloof hadden afgerekend. De guillotine is verdwenen. Nu verschijnt
daar een man in het wit die trots het kruis omhoog heft.
Dat bewijst
niet dat iedere periode uit de kerkgeschiedenis glorieus was of dat Europa aan
de vooravond staat van een algemene bekering. Maar als historisch beeld is het
toch moeilijk te weerstaan. De Revolutie beloofde vrijheid, gelijkheid en
broederschap en ontdekte dat men die idealen niet bijzonder overtuigend
verdedigt door mensen die anders denken het hoofd af te hakken. De Kerk
verkondigde ondertussen iets heel anders: geloof, hoop en liefde. Twee eeuwen
later staan de achterkleinkinderen van de Revolutie opnieuw voor een
kathedraal. De wereld heeft al vele malen de begrafenis van het christendom
georganiseerd. Het merkwaardige is alleen dat de overledene telkens weer komt
opdagen.
+Rob Mutsaerts
