Synoderapport presenteert een giftige ‘paradigmaverschuiving’.

De Bisschoppensynode heeft tien studiegroepen opgericht voor de Synode over Synodaliteit. Studiegroep 9” houdt zich voornamelijk bezig met de vraag hoe de Kerk gezamenlijk controversiële leerstellige, pastorale en ethische kwesties kan benaderen. Studiegroep 9 publiceerde haar eindrapport op 5 mei jl. In een persbericht van diezelfde dag omschreef kardinaal Mario Grech, secretaris-generaal van de Synode, het rapport van Studiegroep nr. 9 als iets dat raakt aan het hart van het kerkelijk leven”. Inmiddels neemt het Algemeen Secretariaat van de Synode echter afstand van datzelfde rapport. Een woordvoerder van het secretariaat benadrukte dat de werkgroepen, autonoom hebben gewerkt” en dat daarom deze rapporten niet aan het Secretariaat van de Synode kunnen worden toegeschreven”.

In de discussies lezen veel katholieken in deze rapporten niet slechts een accent verschuiving, maar de suggestie van een wijziging van de leer zelf, in het bijzonder wanneer gesproken wordt over een paradigmaverschuiving”. Identiteitspolitiek, de seksuele revolutie na de jaren zestig en het vocabulaire van geleefde ervaring” domineren tegenwoordig zelfs kerkelijke discussies.

De Kerk is niet tegen verandering. Waar zij zich altijd tegen verzet heeft, was de verering van nieuwigheden enkel omdat zij nieuw zijn. Er bestaat tegenwoordig de neiging om waarheid te vereenzelvigen met historische beweging. De moderniteit heeft onbewust de aanname aanvaard dat wat later komt noodzakelijkerwijs beter moet zijn. Maar verbetering in welke richting? Chesterton merkte op dat men, voordat men over vooruitgang kan spreken, eerst moet weten waar men naartoe wil. Een man die de verkeerde kant op loopt, maakt geen vooruitgang door sneller te lopen.

Daarom moeten wij diep wantrouwig staan tegenover de uitdrukking paradigmaverschuiving” wanneer die impliceert dat de christelijke moraal moet evolueren enkel omdat de hedendaagse samenleving is veranderd. Dat zou immers een overgave betekenen van de centrale aanspraak van het christendom: namelijk dat de waarheid de geschiedenis beoordeelt, en niet door de geschiedenis beoordeeld wordt. En toch, dit is wat het rapport van Studiegroep 9 suggereert.

De Kerk heeft keizerrijken, filosofieën en modes overleefd omdat zij verankerd was in iets dat buiten de geschiedenis staat. Elke tijd beschouwde zichzelf als verlicht. Elke tijd leek uiteindelijk dwaas in de ogen van haar opvolger. De rol van de Kerk is niet om de beschaving te weerspiegelen, maar om haar uit te dagen. Als er geen continuïteit in de leer is, is er sprake van een breuk. Waarom zou een kleine elite van hedendaagse intellectuelen tweeduizend jaar christelijke reflectie mogen overrulen?

In moderne kerkelijke debatten komt de druk vaak voort uit hedendaagse psychologische denkkaders, sociologische trends of culturele verwachtingen rond autonomie en identiteit. Die bevatten zeker inzichten, maar zij zijn niet neutraal. De katholieke leer over seksualiteit was nooit louter gebaseerd op sociale conventies. Zij kwam voort uit een geïntegreerde visie op schepping, sacrament, lichamelijkheid, offer en teleologie. Het huwelijk is niet slechts een juridische regeling; het is een kosmisch symbool. Seksuele ethiek bestaat niet uit willekeurige regels opgelegd door geestelijken, maar uit consequenties die voortvloeiden uit een visie op wat de menselijke persoon is. Wanneer men seksuele ethiek losmaakt van die bredere metafysische visie, lost uiteindelijk de samenhang van het christendom zelf op. Leerstellingen hangen samen als de bogen van een kathedraal. Verwijder één dragende steen, en het bouwwerk stort niet onmiddellijk in, maar overal beginnen spanningen zichtbaar te worden.

Een van de grote misverstanden over orthodoxie is de aanname dat leerstellige standvastigheid begrip voor menselijke zwakheid uitsluit. Maar juist omdat de Kerk een sterke leer over de zonde bezit, heeft zij een immense sympathie voor menselijke zwakheid. Moderne ideologie verdeelt de mensheid vaak in onderdrukkers en slachtoffers. Het christendom verdeelt de mensheid in zondaars die door God bemind worden. Liefde vereist waarheid juist omdat mensen een eeuwige bestemming hebben. De Kerk kan zielen niet genezen door hen te vertellen dat de morele werkelijkheid verandert onder druk van emoties of culturele stromingen. Een arts die diagnoses aanpast enkel om patiënten gerust te stellen, houdt op te genezen.

Iedere cultuur heeft de neiging uit balans te raken. In heidense tijden verdedigde het christendom kuisheid. In puriteinse tijden verdedigde het christendom feestelijkheid. In materialistische tijden verdedigde het christendom mystiek. In chaotische tijden verdedigde het christendom orde. Chesterton zou waarschijnlijk het idee verwerpen dat de Kerk cultureel geloofwaardig” moet worden door zich aan te passen aan hedendaagse opvattingen over seksualiteit. De Kerk heeft altijd vreemd geleken voor de wereld. Die vreemdheid is geen ongeluk, maar wezenlijk.

De eerste christenen werden als absurd beschouwd omdat zij echtscheiding, kindermoord, seksuele losbandigheid en de commercialisering van het lichaam afwezen. Hun ethiek sloot niet aan bij de Romeinse normen. Het christendom overwon niet door aanpassing, maar door een radicaal andere visie op menselijke waardigheid te presenteren.

Vandaag dreigt het christendom dezelfde fout te herhalen als het liberale protestantisme in de negentiende en twintigste eeuw. Veel protestantse gemeenschappen probeerden zich aan te passen aan het intellectuele oproep van de moderniteit. Maar zodra het christendom slechts de religieuze echo van de heersende opinie wordt, verliest het zijn identiteit. Mensen voelen dat aan en lopen massaal weg. Een Kerk die eenvoudigweg de culturele consensus herhaalt wordt uiteindelijk overbodig.

Laten wij daarom de uitdrukking paradigmaverschuiving”, zoals gebruikt door Studiegroep 9, met wantrouwen onderzoeken. Betekent zij: een verandering in pastorale toon? een ontwikkeling in de praktische toepassing? een diepere formulering van een blijvende waarheid? of een wezenlijke herziening van de morele leer? Het moderne intellectuele leven verbergt revoluties vaak achter eufemismen. Als een leerstelling veranderd moet worden, dan moet men eerlijk zeggen dat zij veranderd wordt. Als zij niet veranderd wordt, dan moet men duidelijk uitleggen hoe de continuïteit behouden blijft. De geloofwaardigheid van de Kerk hangt er van af.

Geconfronteerd met een synodaal rapport dat een paradigmaverschuiving” voorstelt in de benadering van seksualiteit door de Kerk, is argwaan op zijn plaats. Als die verschuiving betekent: meer pastorale geduldigheid, menselijkere begeleiding, grotere nederigheid, aandachtiger luisteren en meer erkenning van het lijden en de complexiteit van moderne levens, dan zou ik haar verwelkomen. Christendom zonder naastenliefde wordt wreedheid. Maar als die verschuiving betekent dat de geopenbaarde waarheid ondergeschikt wordt gemaakt aan hedendaagse culturele aannames, dan verwerp ik haar krachtig. Dat zou geen vernieuwing zijn, maar overgave. De Kerk overleeft niet omdat zij iedere tijdgeest volgt, maar omdat zij een waarheid draagt die alle tijden overstijgt. Zoals Chesterton zei: het meest radicale wat de Kerk in welke eeuw dan ook kan doen, is niet veranderen met de wereld, maar trouw blijven terwijl de wereld om haar heen verandert.

 

+Rob Mutsaerts

Gast-Peper: Extreemrechtse nazi’s: klopt dat plaatje wel?

Gast-Peper

Extreemrechtse nazi’s: klopt dat plaatje wel?

Er is weinig voor nodig om, zeker op sociale media, in één adem te worden uitgescholden voor extreemrechts, nazi of fascist. Tot op de dag van vandaag is het nationaalsocialisme vaak bestempeld als rechts, preciezer gezegd extreemrechts. Dit nogal beladen etiket wordt echter ook toegekend aan ‘gewone’ nationalistische bewegingen, christelijk fundamentalisme, ultraconservatieve stromingen en zelfs vrijdenkers met kritiek op de bestuurlijke elite. De term wordt verder gebruikt voor tegenstanders van genderideologie of vergaande seksuele voorlichting voor jonge kinderen en voor critici van massamigratie, islam of een totalitair coronabeleid. Zo lijkt dan of al deze standpunten iets gemeen zouden hebben met (neo)nazistisch gedachtegoed; en even verderfelijk zijn.

Nazisme extreemrechts noemen, suggereert dat deze ideologie een extreme versie van rechtse standpunten voorstond, of met extreme methoden vocht voor rechtse principes. Dat was echter geenszins het geval bij het historische nazisme.

Massamigratie naar Europa was er nog niet toen het nazisme opkwam, maar Hitler c.s. waren betrekkelijk positief over de islam. Ze bestreden juist de katholieke Kerk en fundamentalistische protestantse gemeenschappen. Het naziregime bekritiseerde, en beperkte, ook de vrije markt en was voor een totalitair staatsbeleid.

Nazisme beschrijven als extreemrechts vervaagt dus nogal het begrip “rechts”; en ruim 200 jaar politieke geschiedenis. In werkelijkheid vormden de nazi’s een links-nationalistische beweging die veel gemeen had met het stalinisme en maoïsme. Linkse apologeten beweren weliswaar dat de nazi’s niet écht nationaalsocialisten waren en dat de naam alleen diende om mensen te misleiden, maar uit privé-uitspraken van Hitler, Goebbels en andere nazi’s blijkt toch het tegendeel. Ook diverse bekende politiek-historische wetenschappers wijzen al decennialang op wortels van, en overeenkomsten met, vormen van links-nationalisme, marxisme en socialisme. In dit bestek hierop dieper ingaan voert te ver, maar geïnteresseerden zouden o.a. de politieke filosofen van de ‘Austrian School’, Ludwig von Mises en (tevens Nobelprijswinnaar) Friedrich Hayek, de politicoloog (en in fascisme, marxisme en totalitarisme gespecialiseerde) prof. James Gregor, de Joodse historicus dr. Paul Gottfried en politicoloog-historicus dr. Erik von Kuehnelt-Leddihn, een vroege tegenstander van het nazisme, kunnen opzoeken.

De mythe dat nazisme extreemrechts is, komt voort uit twee misvattingen: één historische en één qua definitie.

De termen ‘links’ en ‘rechts’ stammen af van de Franse Revolutie. Voorstanders van progressivisme, maakbaarheid, radicalisme, egalitarisme en secularisme zaten toen, samen met (andere) tegenstanders van kerk, ‘ancien régime’ en traditie, links in de Assemblée nationale. Extreemrechts vormde van al deze groeperingen oorspronkelijk de tegenhanger: aanhangers van reactionairisme, uiterst conservatisme, ultratraditionalisme en radicaal religieuze politiek. Deze laatste stromingen hebben echter niets te maken met het later opgekomen nazisme. Reactionairen en integralisten waren juist fanatiek tegen de nazi’s en de nazi’s tegen hen. Het nazisme was openlijk anti-reactionair, bespotte reactionairen en beschreef de machtsgreep van 1933 als de ‘nationale revolutie’, niet als ‘contra-revolutie’.

De nazi’s waren dus ook tegen herstel van de monarchie, vervolgden monarchisten en spraken trots over Nazi-Duitsland als een republikeinse Führerstaat. Zoals progressief links betaamt waren ze zeer kritisch over de adel en pleitten voor ‘volkse gelijkheid’. Alle belangrijke nazi-leiders waren dan ook van niet-adellijke afkomst. Het nazisme was vooral populair onder de lagere middenklasse, leraren en ambtenaren. Ze voerden  een ‘Kirchenkampf’ tegen kerken, vooral het katholicisme, en promootten een ‘positief christendom’ dat anti-joods, boven-confessioneel en staatsondergeschikt was, niet gebonden aan het Oude Testament en de brieven van Paulus.

‘Tegen koning, kerk en adel’ – de drie pijlers van het Ancien Régime waartegen de Franse revolutionairen al vochten, bleven doelwit van latere radicaal revolutionaire Jakobijnen, en elke revolutionaire socialist.

Het Duitse extreemrechts streed dus tégen de nazi’s. De reactionaire DNVP, monarchistische groepen, Katholieke Actie en de conservatieve revolutionairen streden vaak tegen de SA en de SS. Het naziregime dwong de DNVP en BVP zichzelf te ontbinden. Het leger, met veel Pruisische officieren van adel, was ook vijandig en vormde het hart van het verzet, met couppogingen en de aanslag op Hitler in 1944.

Al eigenden de nazi’s zich conservatieve symbolen toe, toch verwierpen ze radicaal de tradities. Meest schrijnend duidelijk werd hun progressivisme bij gezinsopvattingen en medisch-ethische thema’s. Echtscheiding werd geliberaliseerd, thuisonderwijs verboden en kinderen als eigendom van de staat gezien. Genderrollen waren tijdelijk; in de oorlogseconomie werden vrouwen massaal ingezet in de oorlogsindustrie. Abortus werd uitgebreid voor gehandicapten, joden en zigeuners. Het euthanasieprogramma T4 en gedwongen sterilisatie werden juist fel bestreden door christelijke kerken. Homoseksualiteit werd deels getolereerd, later vervolgd; zo werd de SA wel geleid door homo’s zoals Röhm. Het beleid vertoonde in dat opzicht ook parallellen met Stalin: eerst liberaliseren, later beperken en tegenstanders beschuldigen.

Veel mensen denken dat racisme (extreem-)rechts zou zijn. De geschiedenis leert anders: het barst van linkse bewegingen die radicaal racistisch waren, van maoïsme en stalinisme tot regimes als dat van Pol Pot. Het nazistische racisme leunde, geheel in de geest van de tijd sinds de voorlaatste eeuwwisseling,  niet op geloof of scheppingsleer, maar op de nieuwe evolutiebiologie, inclusief sociaaldarwinisme als pseudowetenschap. Niet traditie, maar ‘progressieve’ en ‘moderne’ ideeën, een seculiere wereldvisie, werden aangehangen. En al sinds de Franse Revolutie werden ook links nationalisme en militarisme vereerd. De nazi’s waren daarbij geen traditionele nationalisten maar ‘pan-Germanen’, supra-nationalistisch. Sommige nazi’s waren voorstander van een verenigd Europa.

Ook economisch waren de nazi’s niet rechts. Ze verhoogden belastingen voor rijken, breidden de verzorgingsstaat uit, vervingen onafhankelijke vakbonden door het ‘Deutsche Arbeitsfront’, en gebruikten prijscontroles en vierjarenplannen. Bedrijven bleven in naam privaat maar stonden volledig onder staatstoezicht. Privé-eigendom werd ondergeschikt gemaakt aan het collectief belang.

De nazi’s vervolgden rechtse politici en werkten samen met communisten, onder meer via het Molotov-Ribbentrop-pact. Een kwart van de communisten stapte zelfs over naar de nazi’s (de zogenoemde ‘biefstuknazi’s’).

Hoewel tegen de rechtsstaat en klassiek-liberale vrijheden, bestempelden de nazi’s zichzelf tot oerdemocraten, in de traditie van Rousseau: totalitaire democratie. Een schril contrast met autoritair rechts dat regionalisme, federalisme en de rechtsstaat steunde.

Kortom, het nazisme was anti-conservatief, anti-liberaal en anti-kapitalistisch, revolutionair, modernistisch en collectivistisch; een product van de Franse Revolutie. Het stichtte een totalitaire staat die alle autonome groepen en politieke tegenstanders – waaronder linkse rivalen – onderdrukte.

 

Serre Verweij