Gast-Peper: Extreemrechtse nazi’s: klopt dat plaatje wel?

Gast-Peper

Extreemrechtse nazi’s: klopt dat plaatje wel?

Er is weinig voor nodig om, zeker op sociale media, in één adem te worden uitgescholden voor extreemrechts, nazi of fascist. Tot op de dag van vandaag is het nationaalsocialisme vaak bestempeld als rechts, preciezer gezegd extreemrechts. Dit nogal beladen etiket wordt echter ook toegekend aan ‘gewone’ nationalistische bewegingen, christelijk fundamentalisme, ultraconservatieve stromingen en zelfs vrijdenkers met kritiek op de bestuurlijke elite. De term wordt verder gebruikt voor tegenstanders van genderideologie of vergaande seksuele voorlichting voor jonge kinderen en voor critici van massamigratie, islam of een totalitair coronabeleid. Zo lijkt dan of al deze standpunten iets gemeen zouden hebben met (neo)nazistisch gedachtegoed; en even verderfelijk zijn.

Nazisme extreemrechts noemen, suggereert dat deze ideologie een extreme versie van rechtse standpunten voorstond, of met extreme methoden vocht voor rechtse principes. Dat was echter geenszins het geval bij het historische nazisme.

Massamigratie naar Europa was er nog niet toen het nazisme opkwam, maar Hitler c.s. waren betrekkelijk positief over de islam. Ze bestreden juist de katholieke Kerk en fundamentalistische protestantse gemeenschappen. Het naziregime bekritiseerde, en beperkte, ook de vrije markt en was voor een totalitair staatsbeleid.

Nazisme beschrijven als extreemrechts vervaagt dus nogal het begrip “rechts”; en ruim 200 jaar politieke geschiedenis. In werkelijkheid vormden de nazi’s een links-nationalistische beweging die veel gemeen had met het stalinisme en maoïsme. Linkse apologeten beweren weliswaar dat de nazi’s niet écht nationaalsocialisten waren en dat de naam alleen diende om mensen te misleiden, maar uit privé-uitspraken van Hitler, Goebbels en andere nazi’s blijkt toch het tegendeel. Ook diverse bekende politiek-historische wetenschappers wijzen al decennialang op wortels van, en overeenkomsten met, vormen van links-nationalisme, marxisme en socialisme. In dit bestek hierop dieper ingaan voert te ver, maar geïnteresseerden zouden o.a. de politieke filosofen van de ‘Austrian School’, Ludwig von Mises en (tevens Nobelprijswinnaar) Friedrich Hayek, de politicoloog (en in fascisme, marxisme en totalitarisme gespecialiseerde) prof. James Gregor, de Joodse historicus dr. Paul Gottfried en politicoloog-historicus dr. Erik von Kuehnelt-Leddihn, een vroege tegenstander van het nazisme, kunnen opzoeken.

De mythe dat nazisme extreemrechts is, komt voort uit twee misvattingen: één historische en één qua definitie.

De termen ‘links’ en ‘rechts’ stammen af van de Franse Revolutie. Voorstanders van progressivisme, maakbaarheid, radicalisme, egalitarisme en secularisme zaten toen, samen met (andere) tegenstanders van kerk, ‘ancien régime’ en traditie, links in de Assemblée nationale. Extreemrechts vormde van al deze groeperingen oorspronkelijk de tegenhanger: aanhangers van reactionairisme, uiterst conservatisme, ultratraditionalisme en radicaal religieuze politiek. Deze laatste stromingen hebben echter niets te maken met het later opgekomen nazisme. Reactionairen en integralisten waren juist fanatiek tegen de nazi’s en de nazi’s tegen hen. Het nazisme was openlijk anti-reactionair, bespotte reactionairen en beschreef de machtsgreep van 1933 als de ‘nationale revolutie’, niet als ‘contra-revolutie’.

De nazi’s waren dus ook tegen herstel van de monarchie, vervolgden monarchisten en spraken trots over Nazi-Duitsland als een republikeinse Führerstaat. Zoals progressief links betaamt waren ze zeer kritisch over de adel en pleitten voor ‘volkse gelijkheid’. Alle belangrijke nazi-leiders waren dan ook van niet-adellijke afkomst. Het nazisme was vooral populair onder de lagere middenklasse, leraren en ambtenaren. Ze voerden  een ‘Kirchenkampf’ tegen kerken, vooral het katholicisme, en promootten een ‘positief christendom’ dat anti-joods, boven-confessioneel en staatsondergeschikt was, niet gebonden aan het Oude Testament en de brieven van Paulus.

‘Tegen koning, kerk en adel’ – de drie pijlers van het Ancien Régime waartegen de Franse revolutionairen al vochten, bleven doelwit van latere radicaal revolutionaire Jakobijnen, en elke revolutionaire socialist.

Het Duitse extreemrechts streed dus tégen de nazi’s. De reactionaire DNVP, monarchistische groepen, Katholieke Actie en de conservatieve revolutionairen streden vaak tegen de SA en de SS. Het naziregime dwong de DNVP en BVP zichzelf te ontbinden. Het leger, met veel Pruisische officieren van adel, was ook vijandig en vormde het hart van het verzet, met couppogingen en de aanslag op Hitler in 1944.

Al eigenden de nazi’s zich conservatieve symbolen toe, toch verwierpen ze radicaal de tradities. Meest schrijnend duidelijk werd hun progressivisme bij gezinsopvattingen en medisch-ethische thema’s. Echtscheiding werd geliberaliseerd, thuisonderwijs verboden en kinderen als eigendom van de staat gezien. Genderrollen waren tijdelijk; in de oorlogseconomie werden vrouwen massaal ingezet in de oorlogsindustrie. Abortus werd uitgebreid voor gehandicapten, joden en zigeuners. Het euthanasieprogramma T4 en gedwongen sterilisatie werden juist fel bestreden door christelijke kerken. Homoseksualiteit werd deels getolereerd, later vervolgd; zo werd de SA wel geleid door homo’s zoals Röhm. Het beleid vertoonde in dat opzicht ook parallellen met Stalin: eerst liberaliseren, later beperken en tegenstanders beschuldigen.

Veel mensen denken dat racisme (extreem-)rechts zou zijn. De geschiedenis leert anders: het barst van linkse bewegingen die radicaal racistisch waren, van maoïsme en stalinisme tot regimes als dat van Pol Pot. Het nazistische racisme leunde, geheel in de geest van de tijd sinds de voorlaatste eeuwwisseling,  niet op geloof of scheppingsleer, maar op de nieuwe evolutiebiologie, inclusief sociaaldarwinisme als pseudowetenschap. Niet traditie, maar ‘progressieve’ en ‘moderne’ ideeën, een seculiere wereldvisie, werden aangehangen. En al sinds de Franse Revolutie werden ook links nationalisme en militarisme vereerd. De nazi’s waren daarbij geen traditionele nationalisten maar ‘pan-Germanen’, supra-nationalistisch. Sommige nazi’s waren voorstander van een verenigd Europa.

Ook economisch waren de nazi’s niet rechts. Ze verhoogden belastingen voor rijken, breidden de verzorgingsstaat uit, vervingen onafhankelijke vakbonden door het ‘Deutsche Arbeitsfront’, en gebruikten prijscontroles en vierjarenplannen. Bedrijven bleven in naam privaat maar stonden volledig onder staatstoezicht. Privé-eigendom werd ondergeschikt gemaakt aan het collectief belang.

De nazi’s vervolgden rechtse politici en werkten samen met communisten, onder meer via het Molotov-Ribbentrop-pact. Een kwart van de communisten stapte zelfs over naar de nazi’s (de zogenoemde ‘biefstuknazi’s’).

Hoewel tegen de rechtsstaat en klassiek-liberale vrijheden, bestempelden de nazi’s zichzelf tot oerdemocraten, in de traditie van Rousseau: totalitaire democratie. Een schril contrast met autoritair rechts dat regionalisme, federalisme en de rechtsstaat steunde.

Kortom, het nazisme was anti-conservatief, anti-liberaal en anti-kapitalistisch, revolutionair, modernistisch en collectivistisch; een product van de Franse Revolutie. Het stichtte een totalitaire staat die alle autonome groepen en politieke tegenstanders – waaronder linkse rivalen – onderdrukte.

 

Serre Verweij