Prima geregeld, maar onbewoonbaar

Beschaving is er niet om systemen te perfectioneren, maar om mensen te laten leven. Moderne regeringen - ook de onze - hebben dit uit het oog verloren. Neem de woningmarkt. Wij leven in een tijd waarin het technisch mogelijk is om sneller, veiliger en efficiënter te bouwen dan ooit tevoren. Toch lukt het ons niet om voldoende huizen te bouwen voor onze eigen bevolking. Jongeren blijven noodgedwongen thuis wonen. Een eenvoudig huis - dat eeuwenlang de basis van menselijke waardigheid was - wordt een zeldzaam privilege.

De verklaring die je dan vaak hoort, is dat dit nu eenmaal moet” vanwege stikstofnormen, ruimtelijke ordening of andere beleidskaders. Ik ben niet tegen natuurbehoud, maar ik heb wel een diepe afkeer van verklaringen die zich voordoen als noodzaak terwijl ze in werkelijkheid keuzes verhullen.

Een huis is geen luxeproduct of beleidsvariabele; het is de eerste voorwaarde van menselijk leven. Een systeem dat dat niet meer kan garanderen, heeft niet een klein probleem; het heeft zijn doel gemist. Wanneer de asielinstroom en wanneer de bescherming van een zeldzaam beestje of plantje ertoe leidt dat hele generaties mensen geen plek kunnen vinden om te wonen, dan zou ik dat niet als balanceren van belangen” beschrijven. het is eerder een teken dat het denken ontspoord is. Niet omdat de natuur onbelangrijk is, maar omdat men vergeten is dat ook mensen deel van die natuur uitmaken. Een samenleving die haar eigen kinderen geen ruimte biedt, bedrijft een merkwaardig soort ecologie. Wij zijn erin geslaagd om elke grasspriet juridisch te beschermen, behalve het grasveld waarop een kind zou kunnen spelen naast zijn eigen huis. Vogels moeten overal kunnen broeden, maar we zijn vergeten dat mensen ook ergens moeten kunnen landen.

Men zegt ‘Het kan niet anders’, terwijl men eigenlijk bedoelt: ‘Wij hebben besloten dat het niet anders zal zijn’. Wanneer jongeren gefrustreerd raken reageert de elite daar met verbaasde blik op en zegt: ‘maar de procedures zijn toch zorgvuldig gevolgd?’ De echte vraag weigert men te beantwoorden. Die vraag is eenvoudig, maar ongemakkelijk: waarom hebben wij een samenleving ingericht waarin het moeilijker is geworden om een huis te bouwen dan om een theorie te verdedigen? Ooit bestond een samenleving om mensen te laten samenleven - om gezinnen te laten ontstaan, om mensen een plaats te geven, om arbeid zinvol te maken. Vandaag lijkt het vaak alsof mensen bestaan om systemen te laten functioneren. Woningmarkt, stikstofbeleid, economische modellen: het zijn middelen geworden die zich gedragen als doelen.

Vanuit katholiek perspectief begint de oplossing daarom met een eenvoudige maar radicale herontdekking: 1. de mens staat centraal. Niet als abstract individu, maar als concreet persoon, geworteld in een gezin, in een gemeenschap, in een morele orde. Een samenleving die er niet in slaagt haar leden een huis, stabiliteit en toekomstperspectief te bieden, is niet slechts inefficiënt; zij faalt in haar wezenlijke taak.

2. Hieruit volgt een tweede principe: eigendom moet breed verspreid zijn. Dit idee keert zich zowel tegen het grootkapitaal als tegen een almachtige staat. In beide gevallen ontstaat er een concentratie van macht die de gewone mens afhankelijk maakt. De katholieke oplossing zou daarom niet zijn om alles te nationaliseren of alles aan de markt over te laten, maar om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk gezinnen werkelijk iets bezitten: een huis, een stuk grond, een onderneming. Niet als luxe, maar als basis van vrijheid. Want wie niets bezit, leeft altijd op voorwaarden van een ander.

3. Een derde pijler van de katholieke visie is subsidiariteit: beslissingen moeten zo dicht mogelijk bij mensen zelf worden genomen. Grote, centrale systemen hebben de neiging om uniform en abstract te worden. Ze behandelen uiteenlopende situaties alsof ze identiek zijn. De menselijke maat verdwijnt.

4. Dit raakt aan een vierde, fundamenteel punt: de juiste orde van waarden. In een gezonde samenleving hebben dingen hun plaats. Natuur is belangrijk, maar niet belangrijker dan de mens. Economie is noodzakelijk, maar niet beslissend voor alle menselijke keuzes. De crisis ontstaat wanneer deze orde wordt omgekeerd.

De ware kracht van een samenleving niet in haar grote systemen, maar in haar kleine gemeenschappen. Het gezin, de buurt, de lokale economie: daar speelt het echte leven zich af. Een katholieke oplossing streeft naar versterking van deze kleinere verbanden.

Wij hebben een wereld gebouwd die uitstekend georganiseerd is, maar slecht bewoonbaar. En zolang wij blijven proberen dat probleem op te lossen met nog meer organisatie, zullen wij het alleen maar verergeren.

 

+Rob Mutsaerts

Gastpeper: Katholieke vernieuwing is op komst op verrassende plekken

Van campuskapellen tot parochiezalen, een stille katholieke vernieuwing wortelt buiten de gebruikelijke centra van zichtbaarheid van de Kerk.

Ondanks wijdverbreide veronderstellingen van achteruitgang – vooral onder jongeren – wortelt een katholieke vernieuwing stilletjes op verrassende plekken. Op de plaatsen waar katholieken daadwerkelijk samenkomen – Newman-centra op campussen, eucharistische aanbiddingskapellen en parochiezalen – is de realiteit onmiskenbaar: de vernieuwing leeft en groeit.

In South Boston trekt een jongvolwassengroep elke woensdagavond enkele honderden deelnemers voor biecht, gesprekken over het geloof, pelgrimstochten en retraites. Ze bieden ook wekelijkse aanbidding aan. In mijn thuisparochie, St. Paul's in Hamilton, Massachusetts, trekt een eenvoudige kruisweg op vrijdagavond, gevolgd door soep en brood, steevast 75 tot 100 mensen van alle leeftijden.

In de Verenigde Staten bezoeken katholieken van alle leeftijden in verrassend grote aantallen de aanbidding, de biecht en parochieactiviteiten. In veel gebieden blijven mensen lang na het formele programma, waarmee ze de wens van de psalmist uitdrukken: "Mijn ziel dorst naar de levende God" (Psalm 42:2).

Digitale apostolaten zoals EWTN, Word on Fire, Hallow, Ascension en MagisAI, samen met vele onafhankelijke makers, bereiken nu miljoenen mensen met uitgesproken katholieke inhoud. Het aantal nieuwe leden dat zich bij de Kerk aansluit, weerspiegelt deze groei: 8.500 in Los Angeles, 2.500 in Atlanta, 1.700 in Washington en 680 in Boston. Op universiteitscampussen is dezelfde trend te zien: op Harvard zullen deze Pasen 88 nieuwe leden tot de Kerk toetreden, waaronder 49 uit de universitaire gemeenschap. Op Rutgers zullen 44 nieuwe leden zich aansluiten – ongeveer vier keer zoveel als het recente gemiddelde.

Het is niet aan bisschoppen en diocesane leiders om de vernieuwing aan te voeren. Het is echter wel belangrijk dat zij steun bieden – publiek, persoonlijk, canoniek en financieel – waar nodig.

Kerkelijke leiders erkennen het fenomeen, maar worstelen vaak met de verklaring voor de snelle en onverwachte groei. Sommige seculiere media doen het af als onzin of begrijpen het verkeerd. De New York Times opperde onlangs oorzaken zoals "het verlangen naar gemeenschap, sociale en politieke instabiliteit, het bereiken van jongeren en technologische veranderingen". Hoewel deze ideeën plausibel lijken, bestaan ​​dergelijke omstandigheden al decennia.

Wat drijft deze vernieuwing dan?

Vernieuwing begint vaak aan de randen van grote systemen, waar de openheid voor verandering het grootst is en de bestaande structuren het minst aanwezig zijn. Het institutionele centrum van de Kerk – inclusief het bisdomkantoor, de diocesane kantoren en de USCCB – is zo ingericht dat het consistentie garandeert. De belangrijkste taken zijn het beschermen van de sacramenten, het bewaren van de continuïteit en het handhaven van de orde.

Stabiliteit garandeert echter geen vitaliteit. In het bedrijfsleven worstelen gevestigde organisaties vaak omdat ze processen en betrouwbaarheid boven innovatie en verandering stellen. Vernieuwing begint zelden in het institutionele centrum. Innovaties zoals Gmail, Uber, Airbnb en de iPhone zijn ontstaan ​​in kleine teams die onvervulde behoeften herkenden, lang voordat grotere organisaties dat deden.

De Kerk weerspiegelt dit patroon. Vernieuwing vindt vaak plaats aan de randen, waar de bureaucratie minder is en mensen gemotiveerd zijn om nieuwe benaderingen te proberen. Het begint waar het Evangelie actief wordt beleefd en ervaren, in plaats van beheerd.

Tegenwoordig zoeken mensen naar een diepere betekenis en vinden die ook, zoals de Heer beloofde: "U zult Mij zoeken en vinden wanneer u Mij zoekt met heel uw hart" (Jeremia 29:13). Dit geestelijke verlangen is reëel en gaat verder dan wat welk programma of initiatief dan ook zou kunnen creëren. Het huidige fenomeen is niet zomaar een positieve trend; het illustreert een spiritueel instinct dat tot leven komt.

De vraag blijft: hoe zal de Kerk op dit moment reageren?

Een belangrijke realiteit is dat vernieuwing plaatsvindt buiten de systemen die de hiërarchie vaak gebruikt om de Kerk te begrijpen. Bisschoppen baseren zich doorgaans op sacramentele statistieken, parochiebudgetten, schoolinschrijvingen en demografische trends. Hoewel deze metingen belangrijk zijn, richten ze zich op de resultaten in plaats van op de onderliggende oorzaken.

Dit verklaart mede waarom sommige kerkleiders – en ook mensen in de seculiere wereld – de vernieuwing ogenschijnlijk moeilijk kunnen bevatten. De tekenen zijn duidelijk en overtuigend, maar ze blijven verborgen binnen de administratieve structuren. Ondertussen is de invloed van de Heilige Geest zowel grenzeloos als tijdloos.

In werkelijkheid toont vernieuwing synodaliteit in haar puurste vorm: de Heilige Geest spreekt door de geleefde ervaringen van gelovige katholieken, lang voordat hun verhalen worden gedeeld in rapporten of consultaties.

Dit is geen falen van het leiderschap; het weerspiegelt veeleer de manier waarop de Heilige Geest vernieuwing teweegbrengt. Het begrijpen van dit patroon is een uitdaging. Het stelt de gangbare aannames op de proef en herdefinieert onze kijk op waar echte vernieuwing in de Kerk begint.

De mensen die deze vernieuwing leiden, zijn niet onverschillig. Het zijn geen culturele katholieken die de routine volgen. Ze zoeken naar de waarheid in plaats van trends. Deze katholieken wachten niet op leiding van bisschoppen of priesters; ze beleven hun geloof met enthousiasme en die passie slaat over op anderen.

De periferie voelt culturele veranderingen vaak eerder aan dan het institutionele centrum. De digitale evangelisatiebeweging begon niet in diocesane kantoren; ze begon bij individuen – waaronder priesters, leken en kleine groepen – die het missieveld eerder herkenden dan de instelling. Evenzo begonnen de herontdekking van de traditie, het hernieuwde verlangen naar eerbied, de terugkeer naar de biecht en de groei van jongvolwassengemeenschappen allemaal aan de periferie. Het centrum reageert doorgaans pas nadat deze veranderingen zich hebben voltrokken.

Waarom gebeurt dit nu?

Onze cultuur voelt steeds instabieler en geestelijk ontwortelder aan. De isolerende effecten van COVID houden aan. Toch blijven de grootste schatten van de Kerk – de sacramenten, de Traditie, de gemeenschap en de missie – toegankelijk, zoals ze al 2000 jaar zijn.

Het katholicisme is altijd radicaal en zelfvernieuwend geweest, ook al zijn velen dit aspect vergeten.

De rol van het institutionele centrum is niet om vernieuwing te creëren, maar om deze te erkennen en te ondersteunen. Zoals de huidige ontwikkelingen laten zien, werkt evangelisatie. Het gedijt echter niet en wortelt niet wanneer het gecentraliseerd, kunstmatig of strikt programmatisch is. De Kerk heeft haar hiërarchie nodig om vernieuwing te zegenen, te beschermen, te begeleiden en ruimte te bieden. Wanneer bisschoppen de spirituele vitaliteit die vanuit de periferie komt erkennen en ondersteunen, verplaatst de vernieuwing zich van de periferie naar het hart van de Kerk.

Het feit dat vernieuwing plaatsvindt zonder volledig begrip van de hiërarchie, duidt niet op disfunctioneren. Integendeel, het onthult authenticiteit. Jezus zei tegen Nicodemus: "De wind waait waarheen hij wil... zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is" (Johannes 3:8). Dit is het gevestigde patroon van vernieuwing.

De onderliggende boodschap biedt hoop: een heropleving vanuit de basis, gedreven door oprecht geloof, blijft ontstaan ​​aan de randen van de Kerk en overstijgt grenzen. Dit voortdurende patroon suggereert dat vernieuwing ontstaat waar God ook aan het werk is, ongeacht de aannames over achteruitgang.

Dezelfde Geest die de vroege Kerk inspireerde in verborgen kamers en gewone huizen, is opnieuw actief op plaatsen die niet door het institutionele centrum worden beheerd, en herinnert ons eraan dat God nog steeds vreugde vindt in het beginnen van grote dingen op stille plekken.

 

John Corcoran, National Catholic Register op 6 april 2026, vertaald uit het Engels.

De schrijver is de oprichter van Trinity Life Sciences en voorzitter van de raad van bestuur van iCatholic Media, het moederbedrijf van CatholicTV in het aartsbisdom Boston.

Het gezin: ongemakken en momenten van genade

Er zijn van die woorden die men achteloos gebruikt, alsof zij vanzelf spreken. ‘Gezin’ is er zo één. Men zegt het, zoals men ‘stoel’ of ‘regenjas’ zegt, zonder zich te realiseren dat het hier om iets wonderlijks gaat: een kleine wereld waarin alles wat groot is, in het klein wordt geoefend.

Het gezin is namelijk geen verzameling mensen die toevallig dezelfde voordeur gebruiken. Het is een oefenplaats. Men leert er wachten (op de ander), spreken (zonder te schreeuwen), en zwijgen (zonder boos te zijn). Men leert er dat een boterham smeren soms belangrijker is dan een mening hebben.

Het thema van De Week van het Gezin - ‘Voor Elkaar’ - klinkt op het eerste gehoor verdacht braaf. Men verwacht er haast een folder bij met glimlachende mensen die elkaar tomatensoep aanreiken. Maar wie iets langer kijkt, ziet dat het een ongemakkelijker, en dus eerlijker, opdracht is. Voor elkaar zijn betekent namelijk ook dat je nog een kop thee inschenkt, terwijl je eigenlijk had willen weglopen; dat je het kleine verkiest boven het grote gebaar, een luisterend oor boven een sluitende redenering. Het betekent ook verdragen, incasseren, niet altijd gelijk krijgen, en soms zelfs ongelijk toegeven zonder daar een monument voor te eisen. Dat laatste is in onze tijd een zeldzame kunst. Want wij leven in een wereld waarin ieder individu zichzelf beschouwt als een klein koninkrijk, compleet met grenzen, rechten en een gevoelig volkslied. Dat botst. Onvermijdelijk. Het gezin is dan de plek waar die botsingen niet worden vermeden, maar ook niet meteen tot oorlog worden verklaard. Men leert er dat samenleven geen wedstrijd is, maar een reeks wapenstilstanden, afgewisseld met kleine, onverwachte momenten van genade.

Voor ouders is er de verleiding om hun kinderen te bekijken alsof zij projecten zijn, die naar behoren moeten slagen. Maar een kind is geen visitekaartje en ook geen project; het is een mens in wording, en die wording vraagt geen perfectie, maar aanwezigheid. Een kind groeit niet van prestaties, maar van aandacht, al zal het dat zelf pas later begrijpen. Kinderen zijn grillig, luidruchtig, soms onaangenaam eerlijk, en daarmee misschien wel de meest geslaagde kritiek op onze behoefte aan controle.

Voor kinderen geldt intussen dat ouders geen vaste rotsen zijn, maar eerder gammele steigers: noodzakelijk, enigszins krakend, en zelden volgens de handleiding opgebouwd. Dat men daar toch op durft te staan, is een wonder dat zich dagelijks herhaalt. Ook dat is voor elkaar”: dat men elkaar vergeeft wat men nog moet leren.

Voor elkaar” betekent dus niet dat alles goed gaat. Het betekent dat men blijft, ook wanneer het níét goed gaat. Dat men niet meteen de deur achter zich dichttrekt omdat het gesprek stroef verloopt of de stilte te lang duurt. Het betekent dat men bereid is de ander te verdragen in zijn onvoltooide staat – een staat waarin wij ons overigens allemaal bevinden. En misschien is dat wel de enige werkelijke beschaving: dat wij elkaar niet voortdurend afrekenen op wat nog ontbreekt.

In de samenleving - dat grotere, luidruchtigere gezin zonder eettafel en afwaskeuken - ontbreekt het daar nog wel eens aan. Men spreekt er liever tegen elkaar dan met elkaar, en wie niet direct wordt begrepen, wordt al snel vervangen. Wat een armoede, als men bedenkt dat juist het ongemak de plek is waar begrip kan ontstaan.

Laat de Week van het Gezin, en de dag waarop wij de moeders - die vaak meer doen dan zichtbaar is - in het bijzonder gedenken, geen viering zijn van hoe het zou moeten, maar een erkenning van hoe het is: rommelig, onvolmaakt; zo is het leven nu eenmaal. Moge deze Week u niet alleen herinneren aan wat er allemaal moet, maar vooral aan wat er al is: mensen die, hoe onhandig soms ook, toch er voor elkaar proberen te zijn. En dat, waarde gezinnen, is geen kleinigheid. Dat is de grond waarop alles rust.

Een welgemeende felicitatie aan alle ouders en kinderen die hiervoor hun best blijven doen om dit ‘Voor Elkaar te krijgen’, een welgemeende groet en een welgemeende zegen voor u allen,

9 tot 16 mei: Week van het Gezin. Activiteiten: zie https://www.weekvanhetgezin.nl

 

+Rob Mutsaerts

Hebben rechters nu ook al last van christenfobie?

Päivi Räsänen - voormalig minister van Binnenlandse Zaken in Finland - had een vers uit de Bijbel getweet: een vers uit de Romeinenbrief van Paulus. Later deelde zij een pamflet uit met teksten gebaseerd op deze Bijbeltekst. De LGTBQ-wereld voelde zich gekwetst en stapte naar de rechter. In 2022 en 2023 werd zij vrijgesproken door lagere rechtbanken.  Op 26 maart 2026 draaide Het Hooggerechtshof van Finland dat deels terug en verklaarde haar schuldig aan haatzaaien / belediging van een groep” en legde een geldboete (ongeveer €1.800) op.

Olaf Latzel - een Duitse dominee van de Evangelische Kirche - deed iets soortgelijks. Ook hij werd beschuldigd van ‘haatzaaien’. De zaak draaide om uitspraken die Latzel deed in een preek (2019), waarin hij onder meer: homoseksualiteit veroordeelde en zich uitsprak tegen gender- en queer-initiatieven. Ook hier op basis van bijbelteksten. Volgens het Duitse openbaar Ministerie konden die uitspraken worden gezien als het aanzetten tot haat tegen homoseksuelen. Latzel stelde dat hij gebruik maakte van zijn recht op godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting, enkel bijbelse opvattingen verkondigde, en geenszins opriep tot haat of geweld. In 2020 werd Latzel veroordeeld door een rechtbank in Bremen tot een geldboete wegens ‘Volksverhetzung’ (aanzetten tot haat).  In 2022 werd hij in hoger beroep vrijgesproken door het Landgericht Bremen.  In 2023 werd dit vonnis weer vernietigd door het Oberlandesgericht. De zaak moest opnieuw behandeld worden.  In 2024 werd de zaak geseponeerd onder de voorwaarde dat hij €5.000 zou betalen aan de activistische homolobby-organisatie.

Er zijn tijden geweest waarin men de Bijbel opensloeg om er troost in te vinden. Tegenwoordig slaat men hem open om te kijken of er misschien iets strafbaars in staat. Dat is nou niet echt iets dat je vooruitgang noemt. Men heeft ontdekt dat bepaalde verzen gevoelens kunnen kwetsen. Dat is een opmerkelijke ontdekking, want wie de Bijbel een beetje kent, weet dat hij dat al een paar duizend jaar doet. De Bijbel kwetst iedereen (allen zijn immers zondaars) en dat is misschien wel haar eerlijkste eigenschap. De Bijbel spaart niemand, en dat is tegenwoordig natuurlijk verdacht.

Nu zijn er mensen - onder wie bovengenoemde Latzel en Räsänen - die het boek niet alleen lezen, maar er ook nog uit citeren. Dat is moedig, want men weet tegenwoordig nooit of men daarmee een misdrijf pleegt of dat het slechts een uiting van devotie is. In beide gevallen kwam men tot de conclusie: misdrijf. Men spreekt plechtig over haatzaaien”. Het is een woord dat zo vaak wordt gebruikt dat het inmiddels klinkt als een ingewikkeld apparaat: men zet het aan, en ergens begint iets te zoemen. Wat er precies gebeurt, weet niemand meer, maar het voelt ernstig, en dat is voldoende.

De ironie wil dat dezelfde samenleving die zichzelf heeft uitgeroepen tot kampioen van tolerantie, zich gedraagt als een buitengewoon lichtgeraakte sensor. Alles mag gezegd worden  - mits het niets zegt dat iemand zou kunnen herinneren aan een waarheid die hij liever niet hoort. De vrijheid van meningsuiting is daarmee verworden tot eieren waarop je beter niet kunt lopen.

Het probleem lijkt te zijn dat woorden gevolgen hebben. Dat is op zichzelf geen nieuw inzicht, maar men heeft er een nieuwe draai aan gegeven: woorden hebben vooral gevolgen voor gevoelens. En gevoelens, zo heeft men besloten, zijn uiterst breekbaar. Zij moeten worden beschermd, gekoesterd en - indien nodig - juridisch verdedigd tegen ongewenste zinnen. Het merkwaardige is dat dezelfde mens die zonder aarzelen een ander van alles en nog wat kan toeroepen op sociale media, plotseling verandert in een porseleinen kopje zodra er een oud vers wordt aangehaald. Je moet er voorzichtig mee zijn, want het kan niet echt tegen een stootje.

Ik stel mij zo voor dat men in de toekomst voorzichtig zal moeten omgaan met boeken. Misschien krijgen ze waarschuwingen op de kaft, zoals bij sigaretten. Let op: dit boek kan u aan het denken zetten.” Of erger nog: Dit boek bevat meningen.” Toch zit er iets vertederends in deze hele ontwikkeling. Men wil een wereld zonder pijnlijke woorden, zonder scherpe gedachten, zonder dat ongemakkelijke gevoel dat men het misschien bij het verkeerde eind heeft. Het is een beetje alsof men een tuin wil zonder doornen en zich vervolgens afvraagt waarom de rozen verdwijnen. ‘Vertederend’ is trouwens niet het juiste woord. ‘Onnozel’ is eerder op zijn plaats.

Misschien is het daarom het beste om de Bijbel voorlopig maar dicht te laten. Niet omdat hij gevaarlijk is, maar omdat wij het zijn verleerd zijn om haar te lezen zonder onmiddellijk naar de rechter te stappen. En dat zou jammer zijn. Want een boek dat iedereen een beetje tegenspreekt, zou wel eens precies het boek kunnen zijn dat we nodig hebben - al was het maar om ons eraan te herinneren dat niet alles wat ons stoort, meteen verboden hoeft te worden. Maar men leest het liever niet. En dus blijft men vervolgen, verontwaardigd en overtuigd van zijn eigen mildheid, terwijl men intussen bewijst dat men geen idee meer heeft wat tolerantie ooit inhield. O ja, tegen soortgelijke uitspraken afkomstig van Imams ageert men zelden. Het laat zich raden waarom. Heel simpel: het zijn lafaards.

Overigens zijn mijn gevoelens door deze uitspraken van aanklagers en rechters ook gekwetst. Hier is sprake van christenfobie. Dat is ook haatzaaien. Zal de rechter mij daarin gelijk geven. Ook hier laat het antwoord zich raden.

+Rob Mutsaerts

Religie is nodig, vooral in seculiere tijden.

Er zijn onderwerpen waarover de moderne mens met een zekere verlegenheid spreekt. Religie is daar één van. Men schuift het terzijde met het gemak waarmee men een oude kast op zolder zet: ooit nuttig, thans enigszins uit de tijd. En toch, wie goed luistert naar het geritsel van het dagelijks bestaan, hoort daaronder een hardnekkige vraag, die zich niet laat wegredeneren: waartoe zijn wij hier eigenlijk?

De mens is namelijk een merkwaardig wezen. Hij kan brood eten zonder te vragen waar het vandaan komt, maar hij kan niet leven zonder te vragen waarom hij eet. In dat waaromhuist religie. Religie is het antwoord op de verbazing dat er überhaupt iets is in plaats van niets, en dat wij daar middenin staan, vaak zonder handleiding.

Wie religie afschaft, schaft die vraag niet af. Hij maakt haar slechts woordeloos. En een woordeloze vraag is een gevaarlijk ding: zij zoekt haar uitweg in ideologie, in fanatisme, in een overdreven geloof in het eigen gelijk. De mens die zegt nergens in te geloven, gelooft doorgaans des te fanatieker in zichzelf, en dat is, historisch gezien, zelden een geruststellende ontwikkeling gebleken.

Voor de samenleving geldt iets vergelijkbaars. Men kan proberen een wereld te bouwen op louter redelijkheid en wederzijds belang, maar dat is een wankel fundament. Redelijkheid is immers rekbaar, en belang veranderlijk. Wat vandaag redelijk lijkt, is morgen verwerpelijk; wat vandaag nuttig is, blijkt morgen rampzalig. Religie heeft altijd geprobeerd daar iets tegenover te stellen: een orde die niet voortdurend meebeweegt met de waan van de dag.

Waarom dan het christendom, en niet één van de vele andere religieuze constructies die de mens heeft bedacht? Omdat het christendom, hoe men het ook bekijkt, een merkwaardige dubbelheid bezit. Het stelt eisen die bijna onmenselijk hoog zijn - heb uw vijanden lief - en ondergraaft daarmee iedere vorm van zelfgenoegzaamheid. Tegelijk biedt het een uitweg: genade. Genade betekent dat men niet uitsluitend wordt afgerekend op zijn prestaties. In een tijd waarin alles meetbaar, vergelijkbaar en optimaal moet zijn, is dat een bijna schokkende gedachte. Het christendom zegt: u faalt, onvermijdelijk, maar dat is niet het einde van het verhaal.

Bovendien heeft het christendom een hardnekkige neiging om zich te bemoeien met de zwakken, de mislukten, de randfiguren. Het verheft hen niet tot helden - daar is het te realistisch voor - maar het weigert hen af te schrijven. Dat heeft, hoe men het ook wendt of keert, zijn sporen nagelaten in de manier waarop samenlevingen omgaan met zorg, recht en medemenselijkheid. Ziekenhuizen, armenzorg en onderwijs zijn uitvindingen van de katholieke kerk. Nee, niet van de Verlichting. Dat dit ideaal voortdurend wordt geschonden, is geen weerlegging ervan, maar eerder een bevestiging van hoe lastig het is. Het is waar, de Kerk heeft zich niet altijd van haar beste kant laten zien, maar het is een merkwaardige gewoonte om een idee uitsluitend te beoordelen op haar slechtste vertegenwoordigers. Als dat de maatstaf wordt, blijft er van geen enkel menselijk streven iets over.

Het christendom, is geen keurige oplossing voor de problemen van de mens. Het is eerder een lastige spiegel. Zij laat zien wat men liever niet ziet: zijn eigen tekort, zijn eigen afhankelijkheid, zijn eigen eindigheid. Maar zij weigert tegelijk om dit het laatste woord te laten zijn. Misschien is dat de reden dat de moderne tijd het christendom - en dan met name de R.K.Kerk - haar zo graag op afstand houdt. Niet omdat zij achterhaald is, maar omdat zij iets zegt dat nog altijd ongemakkelijk dichtbij komt. De mens wil graag geloven dat hij zichzelf wel redt. Religie fluistert - soms zacht, soms onuitstaanbaar luid - dat dit wel eens een misverstand zou kunnen zijn. En dat is, alle vooruitgang ten spijt, een gedachte waar men zich nog steeds geen raad mee weet. Een seculiere wetgever kan wetten voorschrijven tot zij een ons weegt, maar zonder innerlijke overtuiging blijven zij dode letters. De mens is niet volmaakt, en pogingen om hem dat wel te laten zijn, eindigen doorgaans in teleurstelling of dwang. Het christendom lijkt dat te weten en zegt: gij zult struikelen, maar gij zijt niet verloren. Dat is geen vrijbrief voor gemakzucht, maar een uitnodiging tot voortdurende verbetering.

Bovendien heeft het christendom, historisch gesproken, een bijzondere nadruk gelegd op de waardigheid van het individu. Het idee dat ieder mens, ongeacht status of afkomst, een ziel heeft die ertoe doet, heeft diep doorgewerkt in de ontwikkeling van rechten en vrijheden.  Misschien is dat wel de kern: religie herinnert de mens eraan dat hij niet het middelpunt van alles is, maar ook niet zomaar iets. Hij bevindt zich ergens daartussen, op een plaats die tegelijk nederig en verheven is. En het is precies die paradox waarin hij, wonderlijk genoeg, het best tot zijn recht komt.

+Rob Mutsaerts