Er zijn vragen waarover een mens moet nadenken. En er zijn vragen waarop een mens niet hoeft na te denken omdat het antwoord vanzelfsprekend is. Zo'n vraag stelde SGP-Kamerlid Diederik van Dijk aan CDA'er André Poortman. Wat moet een ziekenhuismedewerker doen wanneer bij een late zwangerschapsafbreking een kind levend ter wereld komt?
Een buitengewoon eenvoudige vraag. Er ligt een kind. Het leeft. Wat nu? Het antwoord van Poortman was onthutsend: "Ik wil eigenlijk geen antwoord geven op deze vraag." Dat is een opmerkelijk antwoord voor een volksvertegenwoordiger. Het is een nog opmerkelijker antwoord voor een volksvertegenwoordiger van een partij die de C van christelijk in haar naam draagt. Men zou immers mogen verwachten dat een christendemocraat, geconfronteerd met een levend kind, ten minste weet dat het kind leeft en dat dit gegeven consequenties heeft. Maar blijkbaar is zelfs dat tegenwoordig een ingewikkelde kwestie voor een CDA-er.
Poortman wilde het debat liever op een later moment, in alle rust, voortzetten. Hij wees op de tragiek waarmee een late abortus gepaard kan gaan. Dat laatste is natuurlijk waar. Maar tragiek is geen argument tegen het beschermen van een mensenleven. Integendeel, juist in tragische omstandigheden blijkt of onze principes werkelijk principes zijn, of slechts aangename versieringen voor wanneer het leven gemakkelijk is. Het CDA lijkt inmiddels een bijzondere vorm van christendemocratie te hebben ontwikkeld: het christelijke beginsel wordt hooggehouden zolang niemand vraagt wat het in de praktijk betekent. Zodra zich in de praktijk een geval voordoet, wordt er een commissiedebat georganiseerd. Eerst kijken, dan denken, dan wegkijken. Je zou ook iets anders kunnen doen: kijk gewoon, vertrouw op je zintuigen, gebruik je ogen.
Voordat wij een ethische commissie bijeenroepen, voordat wij deskundigen raadplegen, voordat wij een beleidsnotitie schrijven over de spanning tussen zelfbeschikking en beschermwaardigheid, zouden wij iets heel eenvoudigs kunnen doen. Kijken. Wat zien we? We zien een kind. Niet een mogelijke toekomstige mens, niet een verzameling cellen die wellicht ooit tot een mens zou kunnen uitgroeien, niet een abstract juridisch probleem. Wij zien een menselijk wezen met armen, benen, een gezichtje en een kloppend hartje. Bij sommige vormen van instrumentele abortus worden instrumenten gebruikt waarmee ledematen van het lichaam van het ongeboren kind worden afgerukt met een tang. Dit roept een vraag op die geen geleerde verhandeling nodig heeft: wat gebeurt hier? Een levend kind wordt het leven ontnomen. Men kan er allerlei moeilijke woorden voor bedenken. Men kan spreken over reproductieve gezondheidszorg, vrouwenrechten, medische interventies en zwangerschapsonderbreking. Men kan zelfs proberen het kind uit de beschrijving te laten verdwijnen. Maar het kind verdwijnt niet omdat wij een ander woord gebruiken. Een mens kan de werkelijkheid niet veranderen door zijn woordenboek aan te passen.
Zoals wel vaker als het om morele kwesties gaat doet men enorm zijn best om iets heel eenvoudigs niet te begrijpen. Hij kan uitvoerig uiteenzetten waarom twee plus twee in bepaalde maatschappelijke omstandigheden misschien toch vijf zou kunnen zijn, maar een kind dat nog maar nauwelijks kan tellen, weet beter. Hetzelfde geldt hier. Om te begrijpen dat een hulpeloos kind bescherming verdient, heeft men geen universitaire studie ethiek nodig. Men heeft ogen nodig, een geweten en een minimum aan gezond verstand. En misschien is dat laatste tegenwoordig wel de zeldzaamste van de drie.
De Bijbel is overigens niet nodig om te beseffen dat het hier om een kind gaat. Er wordt weleens gedaan alsof verzet tegen abortus uitsluitend een religieuze aangelegenheid is. Alsof men eerst in God moet geloven om te begrijpen dat het doden van onschuldig menselijk leven een moreel probleem vormt. Dat is een merkwaardige gedachte. Ik heb de Bijbel niet nodig om te weten dat een pasgeboren kind een mens is. Ik hoef het boek Genesis niet open te slaan om vast te stellen dat een kind in de baarmoeder tot dezelfde menselijke soort behoort als een kind daarbuiten. En ik hoef niet eerst het vijfde gebod te citeren om te begrijpen dat het opzettelijk vernietigen van weerloos menselijk leven een morele rechtvaardiging vereist.
De Bijbel verdiept ons inzicht in de waardigheid van het menselijk leven. Hij leert ons dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. Dat is een buitengewoon verheven waarheid. Maar zelfs wie daar niets van gelooft, kan begrijpen dat een mens geen ding is. Dat is nu juist de kracht van het natuurrecht, zoals Thomas van Aquino dat verstond. Goed en kwaad zijn niet uitsluitend te kennen via de openbaring. De menselijke rede kan wezenlijke morele waarheden ontdekken omdat zij in staat is de menselijke natuur te begrijpen. Het christendom heeft het morele besef niet uitgevonden. Het heeft het verdiept, gezuiverd en vervolmaakt. Men hoeft niet katholiek te zijn om tegen slavernij te zijn. Men hoeft niet protestants te zijn om marteling af te keuren. En men hoeft niet christelijk te zijn om te begrijpen dat een hulpeloos kind geen toestemming van de meerderheid nodig heeft om te mogen leven.
Sterker nog: wanneer een christelijke politicus aarzelt waar een ongelovige eenvoudigweg zou zeggen dat een levend geboren kind beschermd moet worden, dan is er iets merkwaardigs aan de hand. Dan is niet het christendom te ver gegaan, maar de christendemocraat niet ver genoeg. Er schuilt bovendien een wonderlijke tegenstrijdigheid in de manier waarop wij over ongeboren kinderen spreken. Een kind dat te vroeg geboren wordt en voor zijn leven vecht, kan rekenen op de inzet van een heel medisch team. Artsen, verpleegkundigen, couveuses en gespecialiseerde apparatuur worden ingezet om dat kleine leven te redden. Terecht. Maar wanneer een kind van vergelijkbare zwangerschapsduur levend ter wereld komt na een zwangerschapsafbreking, ontstaat kennelijk een ingewikkeld ethisch probleem.
Wat is er veranderd? Niet het wezen van het kind. Niet zijn kwetsbaarheid. Niet zijn vermogen om pijn te ervaren. Niet zijn afhankelijkheid van anderen. Wat is veranderd, is de bedoeling waarmee de zwangerschap eindigde. En daar ligt de morele absurditeit. Het ene kind moest worden gered. Het andere was niet bedoeld om te blijven leven. Maar sinds wanneer wordt de waarde van een mens bepaald door de bedoelingen van een ander? Als menselijke waardigheid werkelijk inherent is aan het mens-zijn, kan zij niet afhankelijk zijn van de vraag of iemand gewenst is. Anders spreken wij niet meer over mensenrechten, maar over gunsten die de ene mens aan de andere verleent.
Een kind is
geen kind omdat het gewenst is.
En de rechten van de vrouw? Natuurlijk zal iemand nu tegenwerpen dat wij de rechten van de vrouw niet mogen vergeten. Haar gezondheid, haar vrijheid, haar angsten en haar soms onvoorstelbare verdriet verdienen het uiterste respect. Maar dat beantwoordt de vraag van Van Dijk niet. Hij vroeg niet of de overheid een zorgmedewerker tot een bepaalde ‘medische behandeling’ mag overgaan. Hij vroeg wat een zorgmedewerker behoort te doen wanneer er een levend geboren kind voor hem ligt. Dat kind bevindt zich inmiddels buiten het lichaam van de moeder. Het is een afzonderlijke patiënt. Welke rechten van de vrouw zouden ermee worden geschonden wanneer een verpleegkundige dat kind warmte, verzorging en medisch passende hulp biedt?
Wat mij in deze kwestie misschien nog het meest verbaast, is niet dat een christendemocraat een moeilijke vraag krijgt voorgelegd. Dat hoort bij zijn vak. Wat mij verbaast, is dat hij weigert een antwoord te geven op een vraag die de kern raakt van de christelijke mensvisie. Het CDA beroept zich graag op menselijke waardigheid, solidariteit en gespreide verantwoordelijkheid. Prachtige woorden. Alleen hebben woorden de hinderlijke eigenschap dat zij soms iets betekenen.
Solidariteit
betekent bijvoorbeeld dat wij ons het lot aantrekken van degene die zichzelf
niet kan verdedigen. Menselijke waardigheid betekent dat iemand waarde heeft vóórdat
wij een oordeel over hem uitspreken. En verantwoordelijkheid betekent dat wij
juist handelen wanneer handelen iets kost.
Een partij die deze beginselen werkelijk serieus neemt, zou toch minstens één ding met overtuiging moeten kunnen zeggen: een levend geboren kind verdient bescherming, ongeacht de omstandigheden waaronder het ter wereld is gekomen. Dat betekent niet dat iedere medische casus eenvoudig is. Het betekent dat de morele uitgangspositie helder moet zijn. Maar juist daar lijkt het CDA een bijzondere moeite mee te hebben. De partij beschikt over een bewonderenswaardig vermogen om principiële kwesties te veranderen in bestuurlijke vraagstukken. Zodra een moreel beginsel ongemakkelijk wordt, verschijnt er een afwegingskader. Zodra een duidelijke uitspraak nodig is, ontstaat er behoefte aan nadere beraadslaging. Men zou haast denken dat de C in CDA tegenwoordig staat voor Commissie. Het christendemocratische gedachtegoed wordt dan een soort antiek familiestuk. Men is er trots op, men vertelt graag hoe waardevol het is en men laat het bij bijzondere gelegenheden zien. Maar zodra iemand voorstelt het daadwerkelijk te gebruiken, wordt men nerveus. En zo wordt voorzichtigheid langzamerhand een dekmantel voor beginselloosheid.
Een beschaving
wordt beoordeeld aan haar zwaksten.
De werkelijke toetssteen van een beschaving is niet hoe zij omgaat met succesvolle, gezonde en onafhankelijke mensen. Die redden zich meestal wel. De toetssteen is hoe zij omgaat met degenen die niets hebben om mee te onderhandelen. Met de ernstig gehandicapte, de stervende, de dementerende, de pasgeborene. Een kind kan geen verkiezingen winnen. Het kan geen demonstratie organiseren. Het kan geen opiniestuk schrijven. Het kan geen rechten opeisen en geen beroep doen op de publieke opinie. Een baby is niet minder mens dan een hoogleraar omdat de hoogleraar meer weet. Een gehandicapte is niet minder mens dan een atleet omdat de atleet meer kan. En een ongewenst kind is niet minder mens dan een gewenst kind omdat de omgeving anders over hem denkt. Dit is eenvoudig de consequentie van het gelijkheidsbeginsel.
Laten wij daarom terugkeren naar het begin. Een kind komt levend ter wereld. Het ademt. Het beweegt. Misschien huilt het. Misschien is het ernstig ziek. Misschien is zijn levensverwachting bijzonder kort. Wat moet een ziekenhuismedewerker doen? Ervoor zorgen. Punt. Niet noodzakelijkerwijs alles doen wat technisch mogelijk is. Wel alles wat medisch verantwoord en menselijk geboden is. Het kind behandelen als mens, als patiënt, als iemand die niet minder bescherming verdient omdat zijn komst niet was voorzien of gewenst. Dat is het antwoord.
Geen
ingewikkelde theologie. Geen uitvoerige exegese. Geen drie
commissievergaderingen, een studiegroep en een beleidsnotitie. Gewoon het
antwoord dat iedere behoorlijke beschaving zou moeten kennen.
+Rob Mutsaerts
