Celibaat, schaarste en de verleiding van het “praktische” antwoord

Bisschop Bonny stelt in een pastorale brief (19 maart jl.) dat hij alles in het werk wil stellen om tegen 2028 enkele gehuwde mannen tot priester te wijden voor zijn bisdom. Het priestertekort hanteert hij als argument. Dat valt in België overigens wel mee. België telt 3.743 priesters wat neerkomt op 2.234 katholieken per priester.  Zelfs ten tijde van Het Rijke Roomse leven was dat niet veel anders. Het wereldwijd gemiddelde is op dit moment 3.400. Priesterkandidaten zijn er nauwelijks in België, maar tegelijk weten we dat de kerk in België - net als in ons land - fors zal krimpen, gezien het feit dat het overgrote deel van de praktiserende gelovigen ouderen zijn. Het voorstel gehuwde mannen tot priester wijden stuit evenwel op een harde kerkrechtelijke muur: canon 1042 staat het simpelweg niet toe.  Eventuele dispensatie is uitdrukkelijk voorbehouden aan de Apostolische Stoel.  Met andere woorden: een diocesane bisschop kan dit niet eigenmachtig pastoraal oplossen”, hoe nijpend de nood ook aanvoelt.

Theologisch is het priesterlijk celibaat geen dogma uit de natuur van het priesterschap” (de Kerk erkent dat expliciet), maar een discipline die zij al eeuwen bewaart en die door het leergezag herhaaldelijk als passend, vruchtbaar en symbolisch krachtig is verdedigd: als teken van toewijding met een onverdeeld hart”. De Westerse Kerk kent beperkte uitzonderingen (bv. de Ordinariaten voor ex-anglicanen), maar die werken precies via gereguleerde uitzonderingsroutes mét Romeinse toestemming.

Bonnys pragmatisme roept vragen op. De vraag is niet alleen: wat is praktisch?, maar ook: welk principe ligt aan het celibaat ten grondslag? De brief van Bonny presenteert het thema niet als abstract debat, maar als diocesaanimplementatieplan” in de geest van de synodale dynamiek. In die context plaatst Bonny de priesterkwestie: het aantal lokale (celibataire) kandidaten is tot bijna nul” gedaald, en buitenlandse priesters kunnen helpen maar mogen de structurele tekorten niet blijvend op hun schouders” krijgen.

Het kerkelijk recht erkent de noodsituatie op parochiaal niveau: wanneer priestergebrek het vereist, kan een diocesane bisschop deelname aan de uitoefening van parochiale zielzorg toevertrouwen aan een diaken en aan een niet-priester, mits hij een priester aanstelt om die pastorale zorg te leiden”.   Bonny noemt precies dit laatste in zijn argumentatie als structureel problematisch.  

Ik wantrouw in dit geval het woord ‘praktisch’. Bisschop Bonny wil om praktische redenen het ambt een andere lading geven. In de Kerk is het ambt nooit alleen een functie; het is ook teken dat iets onthult dat je met efficiëntie niet kunt meten. De Kerk formuleert dit zelf als volgt: in de Latijnse Kerk worden gewijde bedienaren (met uitzondering van permanente diakens) normaal gekozen uit mannen die een celibatair leven leiden omwille van het Koninkrijk”; zij geven zich met onverdeeld hart” aan de Heer en de zaken van de Heer”.  Dat is niet de taal van personeelsbeheer, maar van symboliek en eschatologie: celibaat als teken van nieuw leven” en als proclamatie van het Rijk God. Vaticaan II spreekt over celibaat als kostbare gave” voor de Kerk, iets waarvoor heel het volk van God mag bidden.  En Pastores Dabo Vobis (Johannes Paulus II) plaatst het celibaat in de logica van evangelische raden: een gave die helpt om God alleen te dienen met een onverdeeld hart”, niet als ontkenning van het lichaam maar als teken van gave en geestelijke vruchtbaarheid.

We moeten Bonnys analyse van het priestertekort niet wegwuiven. Ik houd van feiten, maar over welke feiten hebben we het? Een leeg seminarie is een feit. Maar een vervolgvraag die vaak overgeslagen wordt is: wat zegt dit feit over ons? En dan is er nog vooral deze vraag: welk symbool durven we nog te zijn? Stel - een reductio ad absurdum is hier verhelderend - dat de Kerk het celibaat laat vallen omdat er te weinig priesters zijn. Dan zegt ze feitelijk: Wat wij gisteren een gave noemden die wij moesten afsmeken, is vandaag een hinderpaal dat wij moeten wegwerken. Maar als celibaat een gave is, is het dan logisch om het af te schaffen precies wanneer de gave schaars wordt - zoals men een zeldzame wijn weggooit omdat er te weinig flessen zijn? Wie Bonnys pragmatische lijn volgt, moet dus niet alleen een pastoraal, maar ook een symbolisch alternatief bieden: wat wordt het teken van totale beschikbaarheid, als het niet langer samenvalt met de levensstaat van de priester?

Men zegt dat de Kerk priestertekort heeft, alsof de Kerk een spoorwegmaatschappij is die machinisten tekort komt. Maar de Kerk is geen bedrijf met een personeelstekort; zij is een mysterie met een roepingenprobleem. En het verschil is precies dit: een bedrijf lost het tekort op door de voorwaarden te versoepelen, terwijl een mysterie het tekort soms oplost door de betekenis te verdiepen. Celibaat is meer dan een organisatorische keuze. Als we dus werkelijk het priestertekort willen oplossen, moeten we vermijden dat we het symptoom verwarren met de essentie. De vraag is niet alleen hoeveel priesters wenselijk zijn, maar welk priesterschap we nog durven te zijn: een ambt dat functioneert, of een teken dat spreekt.

+Rob Mutsaerts

Mevrouw Mullally mag zich bisschop noemen

Men zou haast medelijden krijgen met de Anglicaanse Kerk, ware het niet dat zij daar zelf al eeuwen geen enkele behoefte aan lijkt te hebben. De oprichter - Hendrik VIII - confisceerde alle katholieke kerken, kloosters, gebouwen en werd op slag een vastgoedtycoon waar Trump en prins Bernard jaloers zijn. Katholieken hadden de keuze: de paus van Rome afzweren en Hendrik als hoofd van de Kerk erkennen, of onthoofd worden. Aangezien dit laatste geen prettig vooruitzicht was, koos men maar voor het eerste. Koning Charles is zijn opvolger en dus huidig hoofd van de Anglicaanse Kerk. Zijn zoon William - en dus beoogd troonopvolger - heeft onlangs meegedeeld dat hij agnost is. Een agnost als potentieel hoofd van de kerk. Tja.

Nu heeft men dus een vrouw tot geestelijk hoofd verkozen - of benoemd, of gezalfd, of hoe men dat toneelstukje ook precies noemt. Mevrouw Mullally mag zich nu aartsbisschoppin van Canterbury noemen. Dat ze slechts een avondopleiding theologie heeft gevolgd was daarvoor geen enkele belemmering. Een prachtigen parodie, Monty Python en Jiskefet in optima forma, ware het niet dat het allemaal serieus bedoeld is.

Laat ik het eenvoudig houden: de Anglicaanse Kerk is geen mysterie, maar een compromis. En compromissen hebben de eigenschap dat zij nooit ergens echt in geloven, maar alles een beetje willen behouden. Dat maakt hen niet tolerant, maar gemakzuchtig. Dat deze kerk ooit werd opgericht door een vorst die zijn echtelijke problemen oploste met een bijl zou een pikant detail kunnen zijn, als het niet zo beschamend typerend was. De Anglicaanse Kerk is geen geloof dat ontstond uit een openbaring, maar uit een driftbui. Geen Sinai, maar een scheidingsadvocaat. Geen profeet, maar een monarch met huwelijksperikelen.

En zie: eeuwen later is men nog steeds bezig met het herschrijven van de spelregels, alsof men bang is dat iemand ooit zal ontdekken dat er nooit een spel is geweest. De benoeming van een vrouw tot hoofd van deze kerk wordt nu voorgesteld als een mijlpaal. Dat woord alleen al - mijlpaal - heeft de muffe geur van beleidsnotas en feestelijke toespraken waarin niemand meent wat hij zegt. Alsof het probleem van de kerk ooit gelegen heeft in het geslacht van haar leiders, en niet in de inhoud van haar overtuigingen. Men verwart verandering met betekenis. Men denkt dat wie de stoelen herschikt, ook het toneelstuk vernieuwt. Maar een slechte tekst blijft slecht, al wordt het voorgedragen door een engel.

Wat mij vooral treft, is de ernst waarmee men dit alles bespreekt. Alsof hier werkelijk iets op het spel staat. Alsof de wereld wacht op de vraag of een vrouw een kerk kan leiden die ooit werd opgericht om een man van zijn vrouw te laten scheiden. Het is een discussie die tegelijk opgeblazen en leeg is; een ballon zonder lucht, maar met veel slingers eraan. De Anglicaanse Kerk is een toneelgezelschap dat zijn repertoire voortdurend aanpast, maar nooit repeteert. Men verandert de kostuums, herschrijft de rollen, introduceert nieuwe spelers, maar het publiek loopt weg, omdat niemand nog weet waar het stuk over gaat.

En toch, er schuilt iets bewonderenswaardigs in deze hardnekkige leegte. De Anglicaanse Kerk blijft bestaan, niet ondanks haar vaagheid, maar dankzij haar vaagheid. Zij is alles en niets tegelijk, en daardoor ongrijpbaar. Zij kan zich aanpassen aan elke tijd, omdat zij nooit geheel aan een tijd heeft toebehoord. De vraag is dus niet of een vrouw haar kan leiden. De vraag is of er nog iets te leiden valt. Maar alleen een kniesoor die opmerkt dat de zaak failliet is.

Misschien is dat de ware tragedie - of komedie, afhankelijk van uw humeur. Niet dat de kerk verandert, maar dat zij verandert zonder overtuiging. Zonder noodzaak. En uiteindelijk is dat het meest onkerkelijke wat men zich kan voorstellen: een geloof dat nergens voor hoeft te sterven, en dus ook nergens voor leeft.

PSSPX overweegt bisschoppen te wijden zonder Rome.

In het kerkelijk recht zijn excommunicatie en schisma twee verschillende dingen. Een ongeoorloofde bisschopswijding leidt altijd tot excommunicatie, maar niet per se tot een formeel schisma. Een bisschop die zonder pauselijk mandaat iemand tot bisschop wijdt en degene die zich laat wijden lopen automatisch excommunicatie. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de bisschopswijdingen van de Marcel Levebre in 1988 (Ecclesia Dei).

Canon 751 definieert schisma als: De weigering van onderwerping aan de paus of van gemeenschap met de leden van de Kerk die aan hem onderworpen zijn.” Dus een schisma vereist een houding van afscheiding, niet alleen een illegale handeling.

Na de bisschopswijdingen van 1988 verklaarde paus Johannes Paulus II dat de daad van Lefebre een schismatieke daad” was. Maar Rome heeft niet formeel verklaard dat de gehele Priesterbroederschap Pius X als instituut een schismatieke kerk vormt. De algemene lijn in Rome sinds paus Benedictus is als volgt: FSSPX is canoniek onregelmatig, maar niet formeel schismatiek als gemeenschap.

Als FSSPX opnieuw bisschoppen wijdt zonder mandaat, dan geldt canoniek vrijwel zeker: 1. Automatische excommunicatie voor wijdende bisschoppen en de nieuwe bisschoppen. 2. De daad kan door Rome worden omschreven als een schismatieke daad. 3. Maar of de FSSPX als geheel schismatiek wordt verklaard, hangt af van:

a. hun intentie t.o.v. pauselijk gezag, en b. hoe expliciet zij de pauselijke autoriteit verwerpen.

De discussie draait om een subtiel maar belangrijk onderscheid in het kerkelijk recht: een schismatieke daad versus een schismatieke gemeenschap. Sinds 2009 heeft Rome duidelijk gemaakt dat de situatie van PSSPX canoniek onregelmatig is, maar dat men haar niet formeel als schismatieke kerk beschouwt. Dat standpunt is historisch gegroeid.

Zoals gezegd, in 1988 wijdde Lefebvre vier bisschoppen zonder pauselijk mandaat. Johannes Paulus verklaarde dat dit een schismatieke daad” was, en dat de betrokken bisschoppen automatisch geëxcommuniceerd waren. De paus sprak van de daad, niet expliciet over een volledig schisma van de hele beweging.

Een belangrijk moment kwam in 2009, toen paus Benedictus de excommunicatie van de vier FSSPX-bisschoppen ophief. In zijn begeleidende brief aan de bisschoppen van de wereldkerk stelde hij twee dingen tegelijk: 1. De FSSPX heeft geen canonieke status in de R.K.Kerk. 2. Haar geestelijken oefenen geen legitiem ambt uit. Maar hij voegde er ook aan toe dat hun probleem doctrinair en disciplinair” is, niet dat zij een aparte kerk vormen. Dat maakt de kwestie wel complex. Sindsdien gebruikt Rome meestal termen als: ‘canoniek onregelmatig’, en ‘onvolledige gemeenschap’ in plaats van schismatiek.

Rome is terughoudend om van een schisma te spreken. FSSPX zegt de paus te erkennen (ze bidden voor de paus in het eucharistisch gebed), terwijl een schisma juist de weigering van onderwerping aan de paus Inhoudt. Rome redeneert daarom: er is ongehoorzaamheid, maar geen expliciete afwijzing van het pauselijk gezag. Daar komt nog het volgende bij: Onder paus Franciscus kregen FSSPX-priesters biechtfaculteiten en de mogelijkheid tot huwelijksassistentie onder voorwaarden. Als de broederschap formeel schismatiek zou zijn (zoals bijvoorbeeld de zoal de Oosters Orthodoxe Kerk), zou Rome normaal gesproken zulke faculteiten niet geven. Door de situatie juridisch als onregelmatig maar niet schismatiek te beschrijven, blijft de deur open voor een canonieke oplossing.

Je kunt je afvragen of er niet toch sprake is vaan een feitelijk schisma. Immers, FSSPX heeft een parallelle hiërarchie (bisschoppen zonder pauselijk mandaat), Zij verrichten wijdingen verrichten zonder jurisdictie, en zij negeren vaak plaatselijke bisschoppen. De meest gangbare formulering in officiële Romeinse documenten is dat FSSPX niet schismatiek is verklaard, canoniek onregelmatig is, canonieke zending of jurisdictie ontbreekt, maar niet volledig buiten de Kerk staat.

Een nieuwe bisschopswijding door de zonder pauselijk mandaat zou vandaag waarschijnlijk sneller als schisma worden gezien dan in 1988. Dat heeft vooral te maken met de veranderde context sinds de wijdingen van Lefebvre. In 1988 rechtvaardigde Lefebvre de wijdingen met een noodsituatie” in de Kerk. Hij stelde dat het behoud van de traditionele liturgie en leer in gevaar was. Sindsdien is de situatie echter veranderd. De traditionele Latijnse mis is officieel toegestaan (Summorum Pontificum). En Er bestaan volledig erkende traditionele instituten zoals de Priesterbroederschap van Sint Petrus en het Instituut Christus Koning. Het argument ‘noodsituatie’ houdt om deze redenen nauwelijks stand.

Sinds 2009 heeft Rome meerdere gebaren gedaan: 1. opheffing van de excommunicatie, 2. verlenen van biechtfaculteit en 3. mogelijkheid voor huwelijksassistentie onder bisschoppelijke regeling. Als FSSPX ondanks deze openingen opnieuw bisschoppen zou wijden, kan dat worden gezien als bewuste breuk met Rome. De eerste wijdingen (1988) konden nog worden gezien als een dramatische escalatie in een conflict. Een tweede ronde bisschopswijdingen - gepland voor juni - zou veel moeilijker te interpreteren zijn als iets anders dan een structurele parallelle hiërarchie en dus een praktisch schisma. In het canoniek recht speelt volharding in ongehoorzaamheid een grote rol. Als een groep: al een schismatieke daad heeft gesteld, daarvoor gewaarschuwd is en in herhaling valt, dan wordt het juridisch gemakkelijker om te concluderen dat er sprake is van bewuste afscheiding.

Ook voor Rome zitten er risico’s aan vast. Als Rome na een tweede ongeoorloofde bisschopswijding nog steeds geen schisma zou vaststellen, zou dat impliceren dat bisschoppen zonder pauselijk mandaat gewijd kunnen worden zonder dat dit tot een echte kerkscheuring leidt. Dat zou het primaat van de paus ernstig ondermijnen. Ik schaar mij in deze dan ook graag achter de kardinalen Müller en Sarah, en acht het standpunt van bisschop Schneider eerder berusten op wensdenken dan op legitimiteit.

Het is te hopen dat het zover niet komt. Als er ooit een volledige verzoening zou komen tussen Rome en de Priesterbroederschap Sint Pius X, dan is daar wel een structuur voor te bedenken: Persoonlijke prelatuur, vergelijkbaar met die van Opus Dei.

De prelatuur staat onder leiding van een prelaat; de jurisdictie is persoonlijk, niet territoriaal; gelovigen kunnen zich bij de prelatuur aansluiten, terwijl ze in hun bisdom blijven wonen; de prelatuur heeft eigen priesters en seminaries. FSSPX zou dan relatief onafhankelijk van lokale bisschoppen kunnen functioneren, terwijl ze tegelijk onder pauselijk gezag blijft.

+Rob Mutsaerts

Het kind van de rekening

In het parlement ligt een wetsvoorstel genaamd ‘Wet kind, draagmoederschap en afstamming’ op tafel dat draagmoederschap (het uitdragen van een kind door een derde voor wensouders) wil legaliseren en reguleren. De achtergrond is begrijpelijk: veel stellen en individuen met een onvervulde kinderwens zoeken naar manieren om toch een gezin te stichten. Zon kinderwens is op zichzelf legitiem, maar er bestaat niet zoiets als het recht op een kind. Het voorstel lijkt er eerder van uit te gaan dat het wel zo is en dat roept fundamentele vragen op.

De huidige juridische situatie is als volgt: de vrouw die bevalt is automatisch de juridische moeder. Juridisch ouderschap en gezag door een ander kan alleen verkregen worden door adoptie en erkenning. In het strafrecht is met name commercieel draagmoederschap (tegen betaling) verboden. In het wetsvoorstel zijn de ‘wensouders’ - in de praktijk veelal homoseksuele paren - direct vanaf de geboorte juridische ouders.

Het kind van de rekening.

Een eerste cruciaal uitgangspunt is het belang van het kind. In elke ethische afweging rond voortplanting zou het kind - de meest kwetsbare partij - centraal moeten staan. Bij draagmoederschap wordt een kind echter bewust in een ongebruikelijke situatie geboren: het zal bij de geboorte gescheiden worden van de vrouw die het negen maanden droeg. Volgens deskundigen kan zon gedwongen scheiding van de moeder” direct na de geboorte trauma veroorzaken . Anders dan bij adoptie, waar de scheiding ongewild plaatsvindt uit nood, creëert draagmoederschap die situatie opzettelijk, en dit gebeurt niet omdat het onvermijdelijk is, maar omdat er van tevoren zo is besloten middels een contract waarbij het kind letterlijk het kind van de rekening is.

Daarnaast speelt de identiteitsvraag. Kinderen geboren via draagmoederschap met behulp van eicel- of zaaddonatie dreigen op te groeien zonder mogelijkheid hun biologische oorsprong te kennen. Hoewel Nederlandse klinieken anonieme donoren verbieden, zijn er in de praktijk draagmoeders die via het buitenland met anonieme eicel- of zaaddonoren werken . Zulke kinderen kunnen hun ontstaansgeschiedenis later niet achterhalen . Dat kan leiden tot identiteitsproblemen en een blijvend gevoel van incompleetheid. Olivia Maurel, een vrouw geboren uit een draagmoeder, getuigt dat haar verhaal begint met stilte, afstand en verlies” – zij voelde zich onthecht, alsof er een wond aan de basis van haar leven lag . Ik was gekocht voordat ik geboren was. Ik vervulde een contract”, zei ze over haar begin . Die terminologie – gekocht, contract – illustreert hoe zij zich als kind een object voelde, een onderdeel van een afspraak tussen volwassenen. Als ik uit liefde ben ontstaan, waarom werd ik dan gescheiden van de moeder die als eerste van mij hield?”, vraagt ze zich af . Dit hartverscheurende perspectief dwingt ons te beseffen dat een kind geen blanco pakketje is dat zomaar aan anderen kan worden toebedeeld; het is een mens met emotionele behoeften en een recht op zijn of haar eigen verhaal en afstamming. Verantwoord draagmoederschap, gelet op de belangen en rechten van het kind, bestaat eenvoudigweg niet.

De draagmoeder: vrijwilligheid of uitbuiting?

Het tweede belangrijke aspect is de positie van de draagmoeder zelf. In de praktijk blijken er vaak financiële motieven mee te spelen. In landen als Oekraïne, Georgië of India is een heuse draagmoederschapsindustrie ontstaan, waarbij arme vrouwen tegen betaling hun lichaam beschikbaar stellen. Te vrezen valt dat legalisering in Nederland - zelfs met een verbod op winstbejag - deze kwetsbare vrouwen zal involveren. Een dergelijke economische drijfveer doet ook een enorme afbreuk aan de waardigheid van de vrouw. Een kind is geen handelswaar en een vrouw meer dan louter een baarmoeder. Wanneer een vrouw zich genoodzaakt voelt haar baarmoeder ‘te huur’ aan te bieden, komen we dicht bij een moderne vorm van lijfeigenschap. Wat trouwens te doen als de draagmoeder het kind wil houden, of als de wensouders zich terugtrekken? Dat laatste komt voor als de ‘wensouders’ ondertussen uit elkaar zijn gegaan. Wat bij onenigheid over abortus als er tijdens de zwangerschap iets mis blijkt (bijvoorbeeld een afwijking op de echo)?

Menselijke waardigheid en kinderrechten

De kern van de principiële bezwaren tegen draagmoederschap ligt in het begrip menselijke waardigheid. Een kind behoort geen handelswaar te zijn, en ouderschap geen transactie. Nogmaals, niemand heeft recht op het krijgen van een kind; een kind is geen object dat je kunt opeisen of aanschaffen, net zo min als je een tiener of volwassenen kunt aanschaffen. Dit laatste is vanzelfsprekend zo, maar net zoals ieder ander is gaat het hier om een mens met eigen rechten.

Bovendien doorbreekt draagmoederschap iets wat in vrijwel alle culturen als natuurlijk gegeven gold: het idee dat de vrouw die baart, ook de moeder van het kind is (mater semper certa est). Onze hele emotionele en biologische inrichting is daarop afgestemd. Draagmoederschap zorgt voor een breuk in dit natuurlijke gegeven: er is een biologische moeder (draagmoeder), vaak een aparte genetische moeder (eiceldonor of wensmoeder), en de sociale ‘ouders’ die het kind gaan opvoeden. Draagmoederschap is tegennatuurlijk, de wensouders zijn de ouders niet en het kind komt verweesd ter wereld en wordt soms ook nog geconfronteerd met twee ‘vaders’ of twee ‘moeders’. De wensouders (met technologie en juridische contracten aan hun zijde) onderwerpen de natuurlijke gang van zaken aan hun wil, waarbij zowel de draagmoeder als het kind ondergeschikt worden gemaakt aan die wens. Een kind is een geschenk, geen contractueel product.

Hoezeer we in sommige gevallen ook meeleven met mensen met een kinderwens, we moeten waken dat compassie niet omslaat in het rechtvaardigen van alles. Niet alle verlangen, hoe begrijpelijk ook, mag ten koste gaan van de meest basale menselijke waarden. Uiteindelijk houdt de waarde van een samenleving verband met hoe we omgaan met de kwetsbaarsten in ons midden - in dit debat: de kinderen die geboren worden en de vrouwen die hun lichaam geven. Draagmoederschap legaliseren zonder deze principiële bezwaren serieus te nemen, duidt op een ongelooflijke blinde vlek voor de realiteit.

 

+Rob Mutsaerts

Zomaar ‘n cafégesprek

Kom op bisschop, jij gelooft toch niet echt dat die Bijbel meer is dan een gedateerd sprookje?

- Dat hangt ervan af wat je onder een sprookje verstaat. Als je bedoelt: een verhaal dat al eeuwen meegaat, mensen vormt en morele lessen bevat - ja, dan is het een sprookje van wereldklasse.

Maar serieus pratende slangen, wonderen, water dat splijt… Dat kun je toch niet letterlijk nemen?

-Als een verhaal iets bovennatuurlijks bevat is het dan automatisch onwaar?

Niet automatisch, maar wel verdacht.

- Dat snap ik. Maar stel dat God bestaat dan zou het juist verdacht zijn als er nooit iets bovennatuurlijks gebeurt. Dan zou het verhaal over God vreemd genoeg totaal alledaags zijn.

Hmm. Maar het blijft oud. Mensen wisten toen nog niks van wetenschap.

- Newton is ook oud. Pythagoras ook. Toch checken we hun stellingen nog steeds. Oud is geen argument tegen waarheid alleen tegen yoghurt.

Oké, maar verschil is: zwaartekracht kun je testen.

- Zeker. Maar niet alles wat echt is, kun je in een reageerbuis stoppen. Schoonheid bijvoorbeeld. Rechtvaardigheid. Muziek die je raakt. Je kunt meten wat geluidsgolven doen maar niet waarom een lied je raakt.

Jij zet geloof in dezelfde categorie als kunst?

- Eerder als een combinatie van geschiedenis, moraal en betekenis. De Bijbel speelt zich af tussen echte mensen, echte steden, echte koninkrijken. Het begint niet met er was eens”, maar met namen, plaatsen en data.

Ja, maar dat kan een schrijver toch gewoon invullen om geloofwaardig over te komen?

- Kan. Maar dan moet je mij wel uitleggen waarom archeologen steeds weer dingen opgraven die kloppen met dieverzonnen” verhalen. Dat gebeurt opvallend vaak. Best onhandig voor een sprookje.

Toch blijft religie voor mij iets van vroeger. Wij zijn nu verder.

- Verder waarin?

Nou, wetenschap, mensenrechten, moraal.

- Interessant dat je mensenrechten noemt. Het idee dat alle mensen gelijk zijn - weet je waar dat sterk vandaan komt?

Van de tijd van de Verlichting?

- Ook. Maar die bouwde voort op het christendom, op het idee dat ieder mens naar Gods beeld geschapen is. Dat was in de oudheid revolutionair. Daarvoor telde je waarde vooral via status. Men vond het bijvoorbeeld doodnormaal dat er slaven waren.

Dus je zegt dat mijn moderne moraal eigenlijk een christelijke erfenis is?

- Ik zeg dat je er meer van geërfd hebt dan je misschien doorhebt. Zoals iemand die boos is op zijn ouders, maar wel in hun huis woont en hun koelkast leeg eet.

Au. Die was raak.

- Graag gedaan.

Maar kijk dan naar alle ellende door religie. Oorlogen, macht, misbruik.

- Klopt. En kijk naar alle ellende door politiek, ideologie, geld en nationalisme. Kijk alleen al naar de 20e eeuw met miljoenen slachtoffers van nazi-Duitsland en communistisch Rusland en China. Allemaal atheïstische regimes, by the way. Dat we er qua moraal op vooruit zijn gegaan, dat meen je toch niet echt? Het probleem lijkt mij vrij consequent: mensen.

Dus geloof is niet het probleem, maar de mens?

- De Bijbel zou zeggen: dat is precies de kwestie. Dat is zelfs een van zijn kernpunten: dat de mens moreel gebroken is. Eerlijk gezegd vind ik dat één van de meest realistische zinnen ooit geschreven.

Dat kan ik moeilijk ontkennen als ik het dagelijks nieuws zie.

- Precies. De Bijbel begint niet met de mens is geweldig”, maar met de mens heeft redding nodig.” Dat is geen sprookjestaal; dat is diagnose.

Maar waarom dan al die vreemde verhalen?

- Omdat verhalen beter onthouden worden dan formules. Jij onthoudt ook de films zelf beter dan de recensies. En let op: Bijbelse helden zijn zelden perfecte helden. Ze liegen, falen, gaan onderuit. Dat is een vreemd soort propaganda als je iets wilt verzinnen. Normale sprookjes maken hun helden glanzend. De Bijbel maakt ze menselijk.

Dat is me eerlijk gezegd nooit zo opgevallen.

- Lees eens met die bril. Het is verrassend ongepolijst.

Maar jij gelooft dus echt dat het waar is?

- Ja. Maar niet omdat ik mijn verstand uitschakel. Juist omdat ik het gebruik. Voor mij klopt het plaatje: mensbeeld, moraal, geschiedenis, ervaring. Het verklaart meer dan het ontkent.

Ik weet niet of ik daar al ben.

- Hoeft ook niet. Eerlijk zoeken is genoeg voor nu. Ik probeer je niet te overtuigen,  alleen uit te nodigen om het boek niet te snel af te schrijven.

Dus geen donderpreek?

- Alleen als je nog een koffie bestelt. Wonderen gebeuren soms.

Kijk dát geloof ik dan weer wel.

- Kijk, we maken vooruitgang.

 

+Rob Mutsaerts

Aswoensdag – het begin van een weg die geen halfslachtigheid duldt.

Aswoensdag is geen vrome inleiding” op de Veertigdagentijd. Het is niet slechts een religieuze gewoonte of een stukje folklore met as op het voorhoofd. Het is een dag van waarheid - en waarheid kan pijn doen. Vandaag plaatst de Kerk ons recht tegenover een vraag die we niet kunnen ontwijken: wat is de betekenis van ons leven, en welke richting gaan we werkelijk uit?

We horen twee zinnen. Eén, hard als steen: Gedenk dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren” (vgl. Gen. 3,19). De andere nog veeleisender: Bekeer u en geloof in het Evangelie” (Mc. 1,15).

As is geen teken van dood. As is een teken dat de illusies eindigen. Een einde aan doen alsof we nog tijd genoeg hebben. Een einde aan het spelen van christen-zijn alleen bij speciale gelegenheden.”

1. Stof — de waarheid over de mens

De as op je voorhoofd zegt: jij bent God niet. Jij bent geen meester over de tijd. Jij bent niet de regisseur van je leven. Heel de moderne cultuur schreeuwt precies het tegenovergestelde: je kunt alles, jij staat centraal, je bent jezelf genoeg. En vandaag antwoordt de Kerk met één enkel gebaar: stof. De heilige Augustinus schreef: Een mens is niet groot omdat hij zichzelf verheft, maar omdat hij erkent wie hij werkelijk is voor God.” Zonder die waarheid is er geen Veertigdagentijd - alleen een dieet, een oefening in wilskracht of een religieuze make-over. En God wil ons imago niet verbeteren. God wil ons hart redden.

2. Bekeer u” — met andere woorden: verander van richting

In de Bijbel betekent bekering niet dat je je een beetje beter voelt of een kleine aanpassing in je levensstijl maakt. Het betekent dat je de richting van je weg verandert. Als je de verkeerde kant op gaat, is het niet genoeg om langzamer te lopen. Je moet omkeren. De heilige Teresa van Ávila zei het heel direct: God heeft onze mooie woorden niet nodig. Hij wil dat we een besluit nemen.” Daarom zegt Jezus in het Evangelie niet: denk erover na,” “overweeg het,” “probeer het eens.” Hij zegt: bekeer u. Nu. Vandaag. Niet morgen. De Veertigdagentijd is geen tijd voor geestelijke experimenten. Het is een tijd voor beslissingen: waarmee ik moet breken, wat ik op orde moet brengen, wie ik moet vergeven, welke zonde ik niet langer mag vergoelijken.

3. Gebed, vasten en liefdadigheid zonder theater

In het evangelie van Aswoensdag (Mt. 6,1–18) raakt Jezus de kern van religieuze huichelarij: Pas op dat gij uw gerechtigheid niet beoefent voor het oog van de mensen om door hen gezien te worden.” Gebed, vasten en liefdadigheid zijn geen middelen om onze reputatie op te poetsen, en al helemaal niet om af te vallen. Het zijn wapens in de geestelijke strijd. De heilige Johannes Chrysostomus zei: Vasten is niet alleen je onthouden van vlees, maar weigeren je broeder te verslinden.” Iemand kan op brood en water de vastentijd doorbrengen, en toch haatdragend blijven, trots en zich niet onthouden van geroddel; dan heeft dat vasten geen enkele betekenis. God kijkt niet naar hoeveel wij doen, maar waarom en voor wie. Een Veertigdagentijd voor de show” eindigt in leegte. Een Veertigdagentijd in waarheid eindigt in de opstanding van het hart.

4. Vandaag is de tijd van genade

De heilige Paulus roept het uit: Nu is het de gunstige tijd, nu is het de dag van het heil” (2 Kor. 6,2). Niet ooit.” Niet wanneer het rustiger wordt.” Niet na Pasen.” Nu. De heilige Alfonsus Maria de Liguori waarschuwde: Het grootste bedrog van de duivel is een mens ervan te overtuigen dat hij nog tijd genoeg heeft.” De as op het voorhoofd is als een zegel: tot stof zult gij wederkeren, oftewel de tijd is kort. Maar dit is geen bedreiging - het is genade. Want zolang je leeft, kun je terugkeren. Zolang je dit woord nog kunt horen, is de weg nog open.

De Veertigdagentijd begint vandaag niet op de kalender, maar in het geweten. Moge de as niet alleen een teken op de huid zijn, maar een beslissing in het hart. Moge dit een tijd zijn van echte bekering, geen geestelijke routine. Want alleen wie durft te sterven aan de zonde, zal de morgen van de Verrijzenis zien.

Fr. Piotr W. Wiśniowski

Van Playboy en Epstein naar Dutroux en terug naar af

De recente onthullingen rond de Epstein-files” domineren het nieuws. Duizenden paginas aan rechtbankdocumenten brengen aan het licht hoe zakenman Jeffrey Epstein een netwerk opzette waarin jonge vrouwen en minderjarige meisjes werden misbruikt, met connecties naar invloedrijke figuren in de politiek en samenleving . Dit schandaal schokt velen. Maar eigenlijk past het in een patroon dat teruggaat tot een culturele omslag enkele decennia geleden, toen traditionele normen begonnen te vervagen. Hoe heeft het zover kunnen komen dat seksueel misbruik en losbandigheid hoog in de machtspiramide voorkomen?

In de jaren 70 voltrok zich een morele revolutie. Dingen die vroeger ondenkbaar waren in beschaafde kringen” werden ineens normaal gevonden. Zelfs zichzelf kwaliteitskranten noemende media recenseerden pornografische films alsof het serieuze cinema betrof. Pornofilms werden openlijk besproken door en serieus genomen door critici . Een prominente filmrecensent als Roger Ebert schreef bijvoorbeeld reviews van expliciete films als The Devil in Miss Jones (1973) . Seksualiteit drong door tot de mainstream cultuur – wat ooit taboe was, werd nu gezien als bevrijding.

Vervagende Normen: Van Playboy tot Brongersma

Tegelijk brachten figuren als Hugh Hefner seksualiteit in het glamoureuze daglicht. Hefners Playboy-imperium vierde de vrije liefde op decadente feestjes in zijn fameuze landhuis. Vanaf de jaren 70 werd de Playboy Mansion in Los Angeles berucht om weelderige feestjes, bevolkt door beroemdheden en playmates . Jaren later kon iedereen zelfs op televisie meekijken via reality-series als The Girls Next Door, die het leven van Hefners vele jonge vriendinnen in dat landhuis volgden. Wat voorheen privé of schandelijk was, werd nu met trots tentoongesteld als entertainment. Seks werd een vast onderdeel van Hollywood en de bredere popcultuur.

Maar deze vrijheid blijheid” had ook donkere kanten. Sommige grenzen werden zo ver opgerekt dat ze compleet verdwenen. Pedofilie werd in zelfs verdedigd als een legitieme vorm van liefde. In Nederland pleitte senator Edward Brongersma (PvdA) in de jaren 70 openlijk voor acceptatie van pedofielen en hun seksuele escapades met jonge kinderen. Hij vertelde zonder enige gēne in het bezit te zijn van een grote verzameling kinderporno. In een tv-uitzending in 1978 kreeg Brongersma de ruimte om uit te leggen waarom het goed was dat kinderen relaties met volwassenen konden hebben” . Dit illustreert hoe radicaal het moraalbesef kon verschuiven: wat altijd als misbruik gold, werd nu door sommigen gepresenteerd als een geoorloofde expressie van liefde. Dat liefde verward werd met lust scheen maar weinigen te zien. Wie in die tijd voorzichtig protesteerde tegen dergelijke ideeën, werd weggezet als een bekrompen geest die de nieuwe vrijheden in gevaar bracht.

Intussen verdween traditionele morele kritiek naar de achtergrond. Pornografie overspoelde de markt. Er was zelfs een moment halverwege de jaren 80 dat de Nederlandse regering (met VVD, D66 en PvdA als voornaamste pleitbezorgers) serieus overwoog alle porno - inclusief kinderporno - legaal te maken. In die tijd dachten veel opiniemakers dat porno en promiscuïteit puur privézaken waren: men vond dat de overheid zich daar niet mee moest bemoeien . Het lijkt haast onvoorstelbaar nu, maar destijds gold dit als vooruitstrevend. Er was een Dutroux voor nodig om de ogen te openen.

Vrijheid of Verslaving?

Men riep dus luid dat we vrij” waren van de oude benauwende regels, vooral van die van de Kerk. Maar wat voor vrijheid kwam ervoor in de plaats? Vrijheid ontaardde vaak in losbandigheid, en die losbandigheid bracht nieuwe onvrijheden met zich mee, in de vorm van verslaving en uitbuiting. Neem de pornografiecultuur die sinds de jaren 70 is genormaliseerd. Vandaag de dag kijkt een meerderheid van de mannen en een aanzienlijk deel van de vrouwen regelmatig porno. Uit onderzoek blijkt dat maar liefst 65% van de Nederlandse mannen en 16% van de vrouwen wekelijks pornografisch materiaal bekijkt . Voor velen blijft het daar niet bij: 3–8% van deze groep geeft aan de controle over hun pornogebruik kwijt te zijn en het zelf als verslavend te ervaren . Dergelijke statistieken tonen hoe iets dat gepresenteerd werd als bevrijding” (ongehinderd seksuele beelden kunnen consumeren) voor velen juist een nieuwe vorm van gebondenheid schept. Een groeiend aantal mensen kampt met pornoverslaving of seksverslaving. Wat begon als vrijheid van oude taboes is ironisch genoeg voor sommigen geëindigd in onvrijwillige afhankelijkheid.

De gevolgen beperken zich niet tot individuen; ze werken door in de hele samenleving. Denk aan de vele #Me Too-onthullingen van de afgelopen jaren, waaruit bleek dat in filmstudios, bedrijven en zelfs kerken machtsmisbruik en seksuele grensoverschrijding vaak jarenlang ongestoord konden plaatsvinden. Een cultuur die alles moet kunnen” schept ook een klimaat waarin de sterke of gewetenloze zich kunnen uitleven ten koste van de zwakkere. Vrijheid zonder grens verwordt tot het recht van de sterkste of luidruchtigste.

Waardenverlies en Leegte

Het gebeurde allemaal in een tijd dat religie als moreel kompas in de maatschappij verdween. In Nederland is de ontkerkelijking sinds de jaren 60 pijlsnel gegaan. Waar destijds kerken op zondag vol zaten, is tegenwoordig meer dan de helft van de bevolking niet meer religieus. In 2021 gaf zelfs 58% van de Nederlanders aan zichzelf tot geen enkele religieuze groep te rekenen . Binnen één generatie ging ons land van verzuild en godsdienstig naar seculier en individualistisch . Met het afbrokkelen van kerkelijk gezag en geloofstradities vervaagden ook de collectieve normen en waarden die daarmee samenhingen.

Religie – en dan met name het christendom in onze contreien – bood eeuwenlang een moreel raamwerk. Bepaalde gedragingen golden als deugdzaam of als zondig op basis van een hoger ideaal, niet louter op basis van individueel gevoel. Natuurlijk waren er in het verleden ook misstanden en overdreven preutsheid, maar er bestond tenminste een duidelijk kompas. Dat kompas bestond niet alleen uit religie, maar ook uit gezond verstand. Wanneer dat kompas verdwijnt, raken veel mensen stuurloos in ethisch opzicht. We zien dan ook dat met de ontkerkelijking een moreel relativisme opkwam: Wie ben ik om te oordelen? Wie ben jij om mij te vertellen wat niet goed is?” Op het eerste gezicht klinkt dat tolerant en vrij. Maar in de praktijk liet het een vacuüm achter waarin uiteindelijk iedere drijfveer – hoe egoïstisch of destructief ook – evenveel recht van bestaan leek te hebben als welke andere.

Gaat het niet altijd zo: haal je een oude beschermende omheining weg zonder na te denken, dan kun je chaos verwachten. “Verwijder nooit een hek voordat je begrijpt waarom het er stond,” luidt Chestertons beroemde principe. Zonder kaders geen vrijheid, aldus de aloude katholieke paradox. In de jaren 60 hebben we in onze drang naar vrijheid te lichtvaardig allerlei morele hekken” neergehaald, zonder te beseffen welke gevaren we daarmee vrij toegang gaven. Wanneer alle remmen los zijn en alle genietingen eindeloos beschikbaar, treedt er een soort existentiële leegte op. Niets heeft nog betekenis of geeft voldoening, zoals bandeloos ‘genieten’ van eten en drinken leidt tot misselijkheid en een kater. Is dit niet precies wat we om ons heen zien? Ondanks (of juist dankzij) al onze vrijheid en welvaart kampen velen met gevoelens van doelloosheid.

We verzuipen in onze vrijheid

Niemand heeft de moderne morele crisis zo scherpzinnig gefileerd als schrijver en denker C.S. Lewis. Hoewel Lewis al in de jaren 40 schreef, waren zijn inzichten ronduit profetisch voor wat erna zou komen. In zijn boek The Abolition of Man (De Afschaffing van de Mens) waarschuwde hij dat het ontkennen van objectieve waarden (moreel relativisme) zou leiden tot het verval van deugdzaamheid in de samenleving . Als er geen geloof meer is in universele morele waarheden, zo betoogde Lewis, dan voeden we het verstand wel, maar niet het hart. We krijgen dan hoogopgeleide puur rationalistische mensen; intellectuelen zonder een vormend moreel centrum . Zulke mensen kunnen heel slim of technisch begaafd zijn, maar hun emoties en driften zijn niet getraind door deugd of traditie. Ze worden uiteindelijk geregeerd door hun lusten of door ideologieën.

Lewis schetst in krachtige bewoordingen de tragi-komedie van een maatschappij die haar eigen fundamenten onderuithaalt: In een soort gruwelijke simpelheid verwijderen we de organen maar eisen we de functie. We maken mensen zonder hart en verwachten van hen deugd en ondernemingslust. We lachen om eer en zijn verbaasd dat mensen volledig ontsporen. We castreren ze en verlangen vervolgens dat de gecastreerden vruchtbaar zullen zijn.” . Met deze bijtende ironie houdt Lewis ons een spiegel voor. We ontnemen nieuwe generaties systematisch het besef van eer, zelfbeheersing en plichtsbesef, en toch zijn we geschokt wanneer zij zich egoïstisch en bandeloos gedragen. We moedigen jongeren aan lekker hun gang te gaan” en klagen vervolgens dat ze geen karakter tonen of verantwoordelijkheid nemen.

De verwarring zien we nu in het echt om ons heen. We roepen dat er meer respect, discipline en altruïsme in de samenleving moet komen, terwijl we tegelijk de bronnen afwijzen die dat soort karakter kweken. We blijven om die kwaliteiten roepen die we zelf onmogelijk maken. We verwachten nog steeds eerlijkheid en respect, maar we hebben de morele vorming afgeschaft die mensen tot eerlijke en respectvolle wezens maakt.

Lewis, een overtuigd christen, zag de terugkeer naar objectieve waarden – wat hij de Tao noemt, de universele morele orde die je in alle grote tradities vindt – als enige remedie tegen deze waanzin. Hij wist dat de mens vrijheid nodig heeft, maar ook een natuur heeft die richting nodig heeft. Vrijheid betekent niet dat een vis op het droge moet kunnen leven; een vis is pas vrij als hij in water is, in zijn eigen leefmilieu. Zo is de mens pas echt vrij als hij leeft binnen de morele orde die bij zijn natuur past. Als we die orde negeren, verzuipen we uiteindelijk in onze zogenaamde vrijheid.

Vrijheid en Waardigheid Herwinnen

Hoe verder? Moeten we nu allemaal massaal terug naar de kerkbanken van weleer? Dat is niet het punt dat ik hier wil maken - al zou een hernieuwde waardering voor religieus erfgoed zeker geen kwaad kunnen. Het gaat erom dat we gaan inzien dat onbeperkte vrijheid zonder waarheidsbegrip leidt tot verval. Het is te triest voor woorden dat we moesten wachten tot de gruwelijkheden van Dutroux aan het licht kwamen om ons de ogen te openen. Echte vrijheid bestaat niet zonder waarheid en moraal. Vrijheid is niet doen wat je maar wilt, maar kunnen doen wat goed is – zonder verslaafd te raken aan het kwade.

We zien om ons heen al tekenen van een kentering. De verontwaardiging over de Epstein-affaire, over #MeToo, over kindermisbruik in de kerk en evenzogoed overal elders – al die morele woede wijst erop dat mensen aanvoelen dat er toch zoiets is als goed en kwaad dat niet onderhandelbaar is. We zijn wakker geschud uit de relativistische droom. De vraag is of we de les willen leren. Durven we weer morele grenzen te waarderen in plaats van automatisch te bespotten? Durven we te erkennen dat misschien toch niet alle oude hekken” nutteloos waren?  Misschien moeten we iets terug bouwen van wat overijverig is neergehaald. Niet elke traditie of regel uit het verleden was goed – zeker niet. Maar laten we onderscheiden welke normen essentieel waren om vrijheid in goede banen te leiden. De norm van trouw en zelfbeheersing was er om gezinnen te beschermen tegen chaos. Zulke hekken” verdienen eerherstel in een eigentijdse vorm.

Historisch bood religie die hogere waarden en zin. Misschien kunnen we in onze post-seculiere tijd daar opnieuw bij aansluiten, zij het op een nieuwe manier. Het christelijk geloof bijvoorbeeld leert dat ware vrijheid gevonden wordt in dienstbaarheid aan het goede en aan God – “de waarheid zal u vrijmaken” (Johannes 8:32). Dat klinkt paradoxaal in moderne oren, maar we hebben gezien wat vrijheid zonder waarheid” doet: die leidt tot nieuwe ketenen. Misschien wordt het tijd dat we die paradox beter begrijpen: dat zelfbeheersing en morele kaders geen vijanden zijn van de vrijheid, maar haar voorwaarde. Een trein is immers pas vrij om met volle vaart vooruit te gaan als hij op de rails blijft. Haalt men de rails weg, dan ontspoort de trein.

De mens heeft een hart, een hoofd en een ziel nodig om goed te leven. We moeten het hoofd vullen met waarheid, het hart vormen met deugd, en de ziel voeden met betekenis. In onze drang naar vrijheid hebben we soms het kind met het badwater weggegooid. Maar het mooie is: wat waar en goed is, blijft bestaan en kan herontdekt worden. Meestal gebeurt dat pas als we het absolute dieptepunt bereikt hebben. Vrijheid en waardigheid kunnen herwonnen worden door opnieuw verbinding te maken met tijdloze waarden. Misschien betekent dit voor sommigen een hernieuwde interesse in religie; voor anderen simpelweg het beseffen dat helemaal zónder hogere richtlijnen niemand werkelijk floreren kan. Dat is trouwens gewoon een kwestie van gezond verstand. Daar hoef je niet religieus voor te zijn. Goedheid en waarheid zijn geen verzinsels die veranderen met de mode, maar ankers waaraan de mensheid zich door alle stormen heen kan vasthouden. Dat is een vrijheid die standhoudt, in plaats van zichzelf te vernietigen.

+Rob Mutsaerts

 

Waarom voetbal een katholieke sport is (en zwemmen niet)

Er bestaat niet zoiets als katholieke wiskunde of zoiets als protestantse Topografie. Toch bestaan er katholieke en protestantse scholen waar het er bij de ene anders aan toegaat dan bij de andere.  Volgens mij geldt dat ook voor diverse takken van sport: je hebt katholieke sporten en je hebt protestantse sporten. Het gaat er gewoon anders aan toe. Dat lijkt onzin, maar toch weet iedereen intuïtief wat bedoeld wordt als iemand zegt: Voetbal is eigenlijk een katholieke sport.” 

Wat maakt een sport katholiek”? Katholicisme is, grofweg, een religie van: rituelen, gemeenschap, symboliek, drama, zonde, schuld en verlossing en vooral: de mogelijkheid tot comeback. Wie ooit een voetbalwedstrijd heeft gezien, herkent dit onmiddellijk. Commentatoren en sportjournalisten (of ze nou katholiek, protestants of puur heidens zijn) spreken van een voetbalkathedraal (het stadion), hoogmis (topwedstrijd), gezangen (voornamelijk vloekpsalmen), de onfeilbaarheid van de VAR en de gevallen spits die toch weer genade vindt bij de trainer (die in enkele gevallen zelfs wordt aangeduid als de messias van de club). Voetbal gelooft niet in verdiensten, maar in genade. Dat maakt voetbal katholiek.

Wielrennen daarentegen lijkt op het eerste gezicht protestants: hard werken, discipline, soberheid, lijden. Maar schijn bedriegt. Wielrennen is misschien wel de meest katholieke sport die er bestaat. Waarom? Omdat wielrennen draait om: lijden als deugd, processies (het peloton), ketters (dopingzondaars) en aflaten (tijdstraffen). De Tour de France lijkt eerder op een jaarlijkse bedevaart dan op een wielerwedstrijd. De Alpen zijn geen bergen, maar beproevingen. De knecht offert zich op voor de kopman, die hem later in interviews zal bedanken (een soort mis uit dankbaarheid). En de wielerfan weet: wie niet geleden heeft, verdient de overwinning niet. Dat is geen sportethiek, dat is middeleeuwse theologie.

Wanneer mag je een sport katholiek” noemen? Als aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan. 1. Beleving gaat voor berekening. Daarom verliezen we nog liever een wedstrijd dan dat we met berekening winnen. 2. Dramatiek boven efficiëntie. De meest memorabele momenten zijn zelden de momenten we op de training ingestudeerd zijn: het zondagsschot, de kansloze ontsnapping, dat soort dingen. 3. De slechtste kan winnen. Dat is bij zwemmen en hardlopen nooit. Die het hardste loopt wint altijd. Daar komt dan ook geen volk op af. Hardlopen is de sport van mensen die Excel vertrouwen. Geen team, geen toeval, geen excuses. Je loopt een marathon en weet precies waarom je faalt: je hebt je tijdschema veronachtzaamd. Dat is calvinisme met chronometer. Als een sport deze drie eigenschappen heeft, mag je haar katholiek noemen.

Bestaan er protestantse sporten? Zeker. Protestantisme draait om: soberheid, individuele verantwoordelijkheid, discipline, transparantie en wantrouwen tegen overbodige rituelen. Daar passen andere sporten bij. Hardlopen, bijvoorbeeld. Of hink-stap-sprong. Waarom? Geen team, geen fakkels,  geen tifosi, geen excuses. Je loopt, je faalt, je verbetert. Dat is geen sport, dat is de Heidelbergse Catechismus in lycra. Ook tennis heeft iets protestants: de regels zijn duidelijk, de score transparant, de emoties gedoseerd. Zelfs de outfits lijken ontworpen door ouderlingen. En schaken? Dat is pure calvinistische predestinatie. Als je verliest, had je dat van tevoren al verdiend.

De moderne mens gelooft dat het universum logisch moet zijn. De voetbalfan weet beter. Het is weliswaar geordend, maar niet logisch. Voetbal een protest is tegen de tirannie van statistiek. Dat het doelpunt niet ontstaat uit data, maar uit het onverwachte. En dat alleen een cultuur die in wonderen gelooft, echt van sport kan houden. De echte tragedie niet is dat je verliest, maar dat je denkt dat winnen je zal redden. Sport draait om het onverwachte, om lef en het vermogen om op het juiste moment alles te vergeten wat je op de training geleerd hebt. Dat klinkt verdacht katholiek. Bij protestanten ligt dat volgens mij toch anders; daar is discipline belangrijker is dan mysterie. Iedereen die ooit een seizoenskaart heeft gehad bij een voetbalclub weet een ding: dat is een geloof waar je moeilijk vanaf komt.

De mooiste sportmomenten juist die zijn waarin iemand faalt – en toch doorgaat. Niemand herinneren zich niet wie het WK 1994 won. Maar iedereen herinnert zich Roberto Baggio die naar de hemel keek nadat hij de beslissende penalty had gemist. Sport werd tragedie. En tragedie is altijd memorabeler dan triomf. Mathieu van der Poel - WK veldrijden 2023: hij viel, stond op, won. Maar de dramatiek zat niet in de overwinning. Het zat in het moment van twijfel. In de seconde waarin zelfs hij leek te breken. Sport leeft niet van perfectie. Sport leeft van barsten. Soms zit de dramatiek niet in WK-finales, maar in details. De amateurvoetballer die na twintig jaar eindelijk scoort, maar buitenspel staat. De tennisser die uit woede zijn racket kapotslaat en daarna sorry zegt tegen het publiek. Dat zijn de echte sportmomenten. Niet omdat ze winnen. Maar omdat ze iets onthullen.

+Rob Mutsaerts

 

 


Atheïsten zijn te weinig wantrouwend

Wonderen,zei mijn vriend, ach kom nou, de wetenschap heeft daar toch korte metten mee gemaakt. We weten dat de natuur wordt beheerst door vaste wetten.

- Wisten mensen dat dan vroeger niet altijd al?zei ik.

Lieve hemel, nee,zei hij. Neem bijvoorbeeld een verhaal als de maagdelijke geboorte. We weten nu dat zoiets niet kan gebeuren. We weten dat er een mannelijke zaadcel nodig is.

- Maar luister eens,zei ik, Jozef….

Wie is dat?vroeg mijn vriend.

- Hij was de echtgenoot van de Maagd Maria. Als je het verhaal in de Bijbel leest, zul je zien dat hij, toen hij zag dat zijn verloofde een kind zou krijgen, besloot van het huwelijk af te zien. Waarom deed hij dat?

Zou de meeste mannen dat niet doen?

- Elke man zou dat doen,zei ik, mits hij de natuurwetten kende. Met andere woorden, mits hij wist dat een meisje normaal gesproken geen kind krijgt tenzij ze met een man samen is geweest. Maar volgens jouw theorie wisten mensen vroeger niet dat de natuur door vaste wetten werd beheerst. Ik wijs erop dat het verhaal laat zien dat Jozef die wet net zo goed kende als jij.

Maar hij ging later toch in de maagdelijke geboorte geloven, nietwaar?

- Zeker. Maar hij deed dat niet omdat hij een verkeerde voorstelling had van waar babys normaal gesproken vandaan komen. Hij geloofde in de maagdelijke geboorte als iets bovennatuurlijks. Hij wist dat de natuur op vaste, regelmatige manieren werkt; maar hij geloofde ook dat er iets buiten de natuur bestond dat in haar werking kon ingrijpen als het ware van buitenaf.

Maar de moderne wetenschap heeft aangetoond dat zoiets niet bestaat.

- Echt waar?zei ik. Welke wetenschap?

Och, dat is een kwestie van details,zei mijn vriend. Ik kan je niet uit het hoofd hoofdstuk en vers geven.

- Maar zie je dan niet,zei ik, dat de wetenschap zoiets nooit zou kunnen aantonen?

Waarom in hemelsnaam niet?

- Omdat de wetenschap de natuur bestudeert. En de vraag is nu juist of er behalve de natuur nog iets bestaat, iets ‘erboven, iets bovennatuurlijks. Hoe zou je dat kunnen ontdekken door alleen de natuur te bestuderen?

Maar ontdekken we niet dat de natuur absoluut volgens vaste wetten moet werken? Ik bedoel, de natuurwetten vertellen ons niet alleen hoe dingen gebeuren, maar hoe ze móéten gebeuren. Geen enkele macht zou ze kunnen veranderen.

- Wat bedoel je precies?zei ik.

Luister,zei hij. Zou dat iets erbovenwaar jij het over hebt, twee plus twee vijf kunnen maken?

- Nou, nee,zei ik.

Goed,zei hij. Welnu, ik denk dat de natuurwetten eigenlijk zijn als twee plus twee is vier. Het idee dat ze veranderd zouden kunnen worden is net zo absurd als het idee dat je de wetten van de rekenkunde zou kunnen veranderen.

- Even een moment,zei ik. Stel dat je vandaag zes euromunten in een lade legt en morgen nog eens zes in dezelfde lade. Maken de wetten van de rekenkunde het dan zeker dat je overmorgen 12 euro zult aantreffen?

Natuurlijk,zei hij, mits niemand met je lade heeft geknoeid.

- Ah, maar dat is nu precies het punt,zei ik. De wetten van de rekenkunde kunnen je met absolute zekerheid vertellen wat je zult vinden, op voorwaarde dat er geen ingreep is geweest. Als er een dief bij de lade is geweest, krijg je natuurlijk een ander resultaat. Maar die dief heeft de wetten van de rekenkunde niet overtreden - hij heeft alleen de wetten van ons land overtreden. Zijn de natuurwetten niet ongeveer van hetzelfde soort? Vertellen ze je niet allemaal wat er zal gebeuren, mits er geen ingreep plaatsvindt?

Wat bedoel je?

- Wel, de wetten vertellen je hoe een biljartbal over een glad oppervlak zal rollen als je hem op een bepaalde manier stoot, maar alleen als niemand ingrijpt. Als iemand, nadat de bal al in beweging is, een keu grijpt en hem een tik geeft, dan krijg je niet wat de wetenschapper had voorspeld.

Nee, natuurlijk niet. Daar kan hij geen rekening mee houden.

- Precies. En op dezelfde manier: als er iets buiten de natuur bestond en het zou ingrijpen, dan zouden de gebeurtenissen die de wetenschapper verwachtte niet volgen. Dat zouden we een wonder noemen. In zekere zin zou het de natuurwetten niet breken. De wetten vertellen je wat er gebeurt als niets ingrijpt. Ze kunnen je niet vertellen of er iets zal ingrijpen. Het is niet de rekenkundige die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat iemand met de munten in mijn lade knoeit; daarvoor heb je een detective nodig. Het is niet de natuurkundige die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat ik een keu grijp en zijn biljartproef verpest; vraag liever een psycholoog. En het is niet de wetenschapper die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat de natuur van buitenaf wordt verstoord. Daarvoor moet je naar de metafysicus.

Dat zijn nogal pietluttige punten,zei mijn vriend. Het echte bezwaar gaat veel dieper. Het hele beeld van het universum dat de wetenschap ons heeft gegeven maakt het volstrekt belachelijk te geloven dat de macht achter dit alles geïnteresseerd zou zijn in ons, piepkleine wezens die rondkruipen op een onbelangrijke planeet! Dat is toch duidelijk allemaal verzonnen door mensen die in een platte aarde geloofden, met de sterren maar een kilometer of twee ver weg.

- Wanneer geloofden mensen dat?zei ik.

Nou ja, al die oude christelijke figuren waar jij het altijd over hebt. Ik bedoel Boëthius en Augustinus en Thomas van Aquino en Dante.

- Sorry,zei ik, maar dit is een van de weinige onderwerpen waar ik wél iets van weet. Ik strekte mijn hand uit naar een boekenplank. Zie je dit boek,zei ik, Ptolemaeus’ Almagest. Weet je wat dat is?

“Ja,” zei hij. Het is het standaard astronomische handboek dat de hele Middeleeuwen door werd gebruikt.

- Lees dat dan eens,zei ik, terwijl ik naar Boek I, hoofdstuk 5 wees.

De aarde,las mijn vriend hardop, enigszins aarzelend terwijl hij het Latijn vertaalde, de aarde heeft, in verhouding tot de afstand van de vaste sterren, geen merkbare grootte en moet worden behandeld als een wiskundig punt! Er viel een moment stilte. Wisten ze dat toen echt al?zei mijn vriend. Maar… maar geen van de geschiedenissen van de wetenschap, geen enkele moderne encyclopedie, vermeldt dat ooit.

- Precies,zei ik. Ik laat jou wel nadenken over de reden. Het lijkt bijna alsof iemand het graag in de doofpot wilde stoppen, nietwaar? Ik vraag me af waarom.

Er volgde nog een korte stilte.

Hoe dan ook,zei ik, kunnen we het probleem nu nauwkeurig formuleren. Mensen denken meestal dat het probleem is hoe we wat we nu weten over de grootte van het heelal kunnen verenigen met onze traditionele religieuze ideeën. Dat blijkt helemaal niet het probleem te zijn. Het echte probleem is dit: de enorme omvang van het heelal en de onbeduidendheid van de aarde waren eeuwenlang bekend, en niemand droomde ervan dat dit iets te maken had met de religieuze kwestie. Vervolgens worden ze, nog geen honderd jaar geleden, plotseling opgevoerd als een argument tegen het christendom. En de mensen die dat doen, verzwijgen zorgvuldig het feit dat dit alles al lang bekend was. Vind je het niet vreemd dat jullie atheïsten zo weinig wantrouwig zijn?



C.S. Lewis, Science and Religion (uit: God in the Dock)