De Kerk in crisis – en hoe wij haar niet moeten redden

De Kerk in crisis – en hoe wij haar niet moeten redden

Twaalf kwesties, ongemakkelijke waarheden en een katholieke weg vooruit

Ik heb goed nieuws voor je en slecht nieuws. Het slechte nieuws is dat de katholieke Kerk zich in een crisis bevindt. Het goede nieuws is dat zij dat al vaker heeft gedaan. Sterker nog: wie de kerkgeschiedenis een beetje kent, krijgt soms de indruk dat crisis een van de weinige werkelijk duurzame katholieke tradities is. We hebben corrupte pausen gehad, wereldse bisschoppen, ketterijen, schismas, revoluties, vervolgingen en liturgische commissies. En toch bestaan we nog.

Dat laatste lijkt mij vooral een bewijs voor de goddelijke oorsprong van de Kerk. Een louter menselijke organisatie die zo bestuurd was als de Kerk bij tijd en wijle bestuurd is, zou waarschijnlijk rond de vierde eeuw failliet zijn gegaan. Maar toch, de situatie is ernstig. Niet omdat de Kerk te weinig populair is. Niet omdat haar marktaandeel daalt. Niet omdat zij onvoldoende aansluit bij de moderne consument.

De crisis is ernstig omdat er binnen de Kerk onzekerheid bestaat over precies die zaken waarover zij zekerheid zou moeten bieden: Wat is waar? Wat is zonde? Wat is huwelijk? Wat is priesterschap? Wat is liturgie? Wat is gehoorzaamheid? Wat betekent barmhartigheid? Wat heeft Christus eigenlijk aan zijn Kerk toevertrouwd? En misschien nog fundamenteler: Geloven wij werkelijk nog dat de Kerk iets van Christus heeft ontvangen wat zij zelf niet mag veranderen? Daar ligt de kern.

 

1. De eerste noodzakelijke hervorming: ophouden met doen alsof alles hervormd moet worden

We leven in een cultuur waarin verandering bijna automatisch als verbetering wordt beschouwd. Een telefoon uit 2019 is oud. Een computer uit 2012 is antiek. En daarom denken we onbewust soms dat een geloofsleer uit het jaar 325 dringend een software-update nodig heeft. Maar openbaring is geen iPhone. Het christendom is geen product waarvan ieder jaar een nieuw model moet verschijnen. De taak van de Kerk is niet om voortdurend een nieuwe religie te produceren. Haar taak is: te ontvangen, te bewaren, te verdiepen en te verkondigen wat zij van Christus heeft ontvangen.

Dat betekent niet dat niets mag veranderen. Pastorale methoden kunnen veranderen. Canonieke disciplines kunnen veranderen. Bestuursvormen kunnen veranderen. Liturgische disciplines kunnen veranderen. Maar waarheid kan niet vandaag waar en morgen onwaar zijn.

Een bisschop zou zich bij iedere kerkelijke vernieuwing één eenvoudige vraag moeten stellen: Helpt dit mijn mensen heiliger te worden? Niet: Is dit innovatief?” Niet: Is dit inclusief geformuleerd?” Niet: Kunnen we er een werkgroep voor oprichten?” Maar: Brengt dit mensen dichter bij Christus, de sacramenten en het eeuwige leven? Dat zou heel wat vergaderingen kunnen inkorten. En dat is misschien op zichzelf al een kleine kerkelijke hervorming.

 

2. Synodaliteit: nuttig instrument, slechte regie

Er is niets onkatholieks aan synoden. De Kerk heeft ze eeuwenlang gekend. Wat wel riskant wordt, is wanneer synodaliteit verandert van een methode in een bijna zelfstandig theologisch ideaal. Het christendom begon namelijk niet met: Waar twee of drie in kringgesprek bijeen zijn, daar ontstaat vanzelf de waarheid.” De apostelen kregen een geloof toevertrouwd. Daarna mochten ze daarover vergaderen. Die volgorde is belangrijk.

Luisteren is uitstekend, maar katholieken moeten soms de onbeleefde vraag durven stellen: Luisteren naar wie? Naar de cultuur? Naar opinieonderzoek? Naar belangengroepen? Naar onszelf? Of naar Christus? Want wanneer de uitkomst van een kerkelijk luisterproces voorspelbaar identiek wordt aan de wensen van de moderne seculiere cultuur, mag men ten minste vragen of we werkelijk naar de Heilige Geest hebben geluisterd of misschien vooral naar de tijdgeest.

De Heilige Geest heeft namelijk één merkwaardige eigenschap: Hij spreekt verrassend vaak in continuïteit met wat Hij de vorige twintig eeuwen heeft gezegd. Zomaar een tip voor mijn broeder-bisschoppen: Gebruik synodaliteit, maar wees bisschop. Een bisschop is niet gekozen om permanent facilitator van groepsprocessen te zijn. Hij is opvolger van de apostelen. Dat betekent: onderwijzen, heiligen, besturen, en soms ook zeggen: Nee. Dit kunnen wij niet veranderen.” Dat woord nee” heeft tegenwoordig een slechte reputatie. Maar ouders weten: wie nooit nee zegt, heeft zijn kinderen niet méér lief.

 

3. Herstel het onderscheid tussen barmhartigheid en bevestiging

Niemand heeft behoefte aan een hardvochtige Kerk. Maar evenmin heeft iemand behoefte aan een Kerk die zonde alleen nog durft te benoemen in historische documenten. Christus was oneindig barmhartig. Maar zijn barmhartigheid bestond nooit uit doen alsof bekering overbodig was. Tegen de zondaar zegt Christus: Kom.” Maar ook: Volg Mij.” En volgen betekent noodzakelijkerwijs dat we niet precies blijven staan waar we stonden.

Dat lijkt eenvoudig. Maar het is tegenwoordig revolutionair. De pastorale verleiding luidt soms: We willen niemand kwetsen, dus spreken we liever niet meer over zonde. Het probleem is dat dan ook vergeving betekenisloos wordt. Wie nooit ziek is, heeft geen dokter nodig. Wie nooit zondigt, heeft geen Verlosser nodig. En plotseling ontdekken we waarom Christus in zon theologisch systeem steeds minder te doen krijgt.

Zomaar een tip voor mijn priester-broeders.  Preek weer eens over: zonde, genade, hemel, hel, biecht, deugd, kuisheid, gebed, offer, bekering. Niet iedere zondag allemaal tegelijk. De gelovigen moeten ook nog op tijd bij de soep komen. Maar laat mensen weten dat het christendom werkelijk ergens over gaat.

 

4. Red de liturgie van zowel experiment als ideologie

De liturgie is een van de gevoeligste kwesties binnen de Kerk. Dat is begrijpelijk. Lex orandi, lex credendi. Zoals wij bidden, zo leren wij geloven. Daarom is de strijd om de liturgie nooit slechts esthetiek. Het gaat uiteindelijk om God.

Een katholieke Mis is niet primair een bijeenkomst waarin de gemeenschap haar verbondenheid viert. Zij is het offer van Christus sacramenteel tegenwoordig gesteld. Het is geen maaltijdviering in de vorm van een offer, maar een offer in de vorm van een maaltijd.  Dat verandert alles. Wanneer dat werkelijk wordt geloofd, volgt vanzelf: eerbied, knielen, stilte, schoonheid, zorgvuldigheid, sacrale muziek, en een priester die niet denkt dat de liturgie verbetert wanneer hij spontaan een grappig verhaaltje opdist. De Heilige Geest heeft veel talenten. Improvisatietheater aan het altaar behoort voor zover ik weet niet tot de zeven gaven.

Zomaar een tip voor mijn broeder-bisschoppen. Beschouw gehechtheid aan de traditionele liturgie niet automatisch als een psychiatrisch probleem. Niet iedere jonge katholiek die van Latijn houdt, is een geheim agent van 1957. Wanneer jonge mensen worden aangetrokken door: gregoriaans, stilte, wierook, knielen, ad orientem, klassieke spiritualiteit, vraag dan niet onmiddellijk: Wat is hier misgegaan?” Vraag misschien: Wat zoeken zij hier dat zij elders missen?”

Voor traditionele katholieken. En ook zij moeten ons iets laten zeggen. De traditionele liturgie kan iemand heiligen. Maar een oude ritus maakt iemand niet automatisch heilig. Men kan de meest eerbiedige Mis bijwonen en vervolgens op de parkeerplaats de drie bisschoppen en het volledige Vaticaan vervloeken. Dat is liturgisch wellicht traditioneel, maar geestelijk minder aanbevelenswaardig. Traditie zonder liefde wordt archeologie met temperament.

 

5. Stop met het behandelen van jonge gelovigen alsof zij religieus porselein zijn

Jonge mensen zouden volgens sommige pastorale modellen vooral behoefte hebben aan: lage drempels, weinig eisen, korte vieringen, begrijpelijke teksten, veel inspraak, en vooral niets dat klinkt als een verplichting. Alleen is er één probleem. Dat model lijkt niet geweldig te werken. Veel jonge mensen die het geloof ontdekken zoeken juist iets anders: waarheid, orde, ascese, identiteit, biecht, aanbidding, sacramenten, intellectuele diepgang, en een gemeenschap die iets van hen verlangt.

We hebben jongeren onderschat. We boden hen ranja aan terwijl zij wijn zochten. We gaven hun slogans terwijl zij Thomas van Aquino wilden lezen. We dachten dat gregoriaans hen zou wegjagen. Sommigen van hen downloaden het ondertussen vrijwillig op Spotify.

Een tip voor mijn priesters-broeders:  Durf jongeren volwassen te behandelen. Leer hen de Catechismus. Leer hen bidden. Leer hen vasten. Leer hen waarom de Kerk leert wat zij leert. Bied geen verdund christendom aan. Niemand is ooit gemarteld voor een vaag gevoel van verbondenheid.

 

6. Roepingen: wie vraagt er nog om een offer?

We praten veel over priestertekort. Begrijpelijk. Maar de discussie gaat vervolgens opvallend snel over: fusies, bestuurlijke modellen, lekenvoorgangers, herstructurering, en natuurlijk celibaat. Allemaal bespreekbare zaken. Maar misschien moeten we eerst iets eenvoudigers vragen: Waarom zou een jonge man priester willen worden?

Wanneer hij hoort: je wordt bestuurder van acht parochies, je agenda zit vol vergaderingen, je mag vooral niemand voor het hoofd stoten, en na twintig jaar krijg je misschien een beleidsplan over duurzaam vastgoed, dan is het verbazingwekkend dat er überhaupt nog iemand komt opdagen. Maar zeg tegen hem: Geef je leven aan Christus. Vier dagelijks het offer van de Mis. Vergeef zonden. Doop kinderen. Sta bij stervenden. Verkondig het Evangelie. Word geestelijk vader. Leid zielen naar de eeuwigheid.Dat klinkt plotseling anders.

Zomaar een top voor mijn broeder-bisschoppen.  Zoek geen kandidaten die voornamelijk goed zijn in management. Zoek mannen die bidden. Een middelmatige bestuurder kan geholpen worden door een goede econoom. Een priester die niet bidt, kan door geen managementcursus worden gered.

 

7. De bisschop moet weer vader worden

Een moderne bisschop kan gemakkelijk veranderen in een soort directeur-generaal van religieuze dienstverlening. Hij heeft: vergaderingen, juristen, communicatieadviseurs, vastgoedproblemen, persvragen, personeelszaken, protocollen, commissies. Allemaal noodzakelijk. Maar wanneer zijn priesters hem nauwelijks kennen en zijn gelovigen hem alleen op een kerstkaart zien, is er iets mis.

Een bisschop is primair vader en herder. Hij moet dus zijn priesters kennen. Seminaristen kennen. Parochies bezoeken. Godsdienstonderwijs bewaken. De liturgie beschermen. Misbruik bestrijden. De geloofsleer verkondigen. En zo nu en dan publiek iets zeggen waarvan iedereen onmiddellijk begrijpt: O ja. Deze man gelooft werkelijk dat het katholieke geloof waar is. Dat zou verfrissend zijn.

Ik ben zo vrijpostig een concrete suggestie suggestie aan te reiken. Iedere bisschop zou jaarlijks een aanzienlijk aantal dagen kunnen reserveren waarop hij geen vergaderingen bijwoont, maar: het seminarie bezoekt, priesters individueel spreekt, catechumenen ontmoet, scholen bezoekt, biecht hoort, jongeren ontmoet, en parochies bezoekt. Dat geeft zicht op wat zijn bisdom werkelijk nodig heeft.

 

8. Priesters: wees priester, geen presentator

Een priester hoeft niet de populairste man van de parochie te zijn. Gelukkig maar. De katholieke Kerk zou anders met ernstige personeelsproblemen kampen. Hij hoeft evenmin voortdurend relevant” te zijn. Zijn relevantie komt niet voort uit zijn persoonlijkheid. Zij komt uit Christus. Wanneer een priester de zieken zalft, is hij relevant. Wanneer hij absolveert, is hij relevant. Wanneer hij de Eucharistie viert, is hij relevant. Wanneer hij een stervende bijstaat, is hij relevanter dan alle praatprogramma’s die die avond worden uitgezonden.

Concrete prioriteiten voor priesters zijn simpel te bedenken. Bid dagelijks trouw het brevier. Reserveer dagelijks stille gebedstijd. Vier de Mis waardig. Bied royaal biechtgelegenheid aan. Wees beschikbaar voor zieken. Geef echte catechese. Preek inhoudelijk. Vermijd liturgische creativiteit. Lees regelmatig theologie. Leef eenvoudig. En wees vaderlijk. Dat laatste is belangrijk. De priester is niet slechts sacramentenfunctionaris. Hij is geestelijk vader.

 

9. Leken: stop met wachten tot Rome alles oplost

Katholieken hebben soms een merkwaardige gewoonte. Wij klagen dat de hiërarchie te veel macht heeft. En vervolgens verwachten we dat de hiërarchie alles oplost. Dat gaat niet samen. Wanneer de cultuur opnieuw geëvangeliseerd moet worden, gebeurt dat voor een groot deel door leken. In gezinnen, scholen, universiteiten, bedrijven, media, kunsten, politiek, wetenschap, buurtgemeenschappen. Althans, dat zou het ideale plaatje zijn. De eerste christenen hadden geen bisschoppenconferentie met een professioneel communicatiebureau. Toch evangeliseerden ze het Romeinse Rijk. Dat zet onze excuses enigszins in perspectief.

Het belangrijkste catecheseprogramma blijft het gezin. Vandaar enkele tips voor ouders. Bid met uw kinderen. Ga met hen naar de Mis. Ga zelf biechten. Praat thuis over geloof. Laat hen heiligen kennen. Leer hen dat zondag werkelijk zondag is.En wees niet verbaasd wanneer een kind niet katholiek wordt nadat het achttien jaar lang heeft gezien dat katholiek-zijn voor zijn ouders nauwelijks verschil maakte.

Katholieke intellectuelen geef ik graag dit mee.  Schrijf. Onderwijs. Debatteer. Sticht. Organiseer. Wees aanwezig in de cultuur. Katholieke orthodoxie mag geen hobby worden voor intellectuelen die uitsluitend met elkaar spreken. Thomas van Aquino schreef niet voor een gesloten WhatsAppgroep.

 

10. Bestrijd de cultuurstrijd zonder zelf cultuurstrijder te worden

Er bestaan reële conflicten tussen katholieke moraal en moderne cultuur. Dat moeten we niet ontkennen. Maar traditionele katholieken lopen soms een eigen gevaar: dat de strijd tegen dwaling langzaam belangrijker wordt dan liefde voor de waarheid. Dat verschil is subtiel maar cruciaal. Men kan uiteindelijk zo veel tijd besteden aan het bestrijden van modernisme dat Christus bijna bijzaak wordt. Men kan dagelijks alles lezen over wat er in Rome misgaat en nauwelijks het Evangelie openen. Men kan de nieuwste ramp in een dicasterie binnen tien minuten op facebook ontvangen en niet weten welke heilige vandaag op de kalender staat.

Dat is geen overwinning van de traditie. Dat is geestelijke afleiding. Een praktische regel Lees meer Augustinus dan kerkelijk Twitter. Lees meer Benedictus XVI dan boze blogs. Bid langer voor je bisschop dan dat je over hem klaagt. Dat laatste is bijzonder moeilijk. Daarom is het waarschijnlijk goed voor de ziel.

 

11. Misbruik: nul romantiek over kerkelijke reputatie

Hier past weinig humor. Misbruik en de doofpotcultuur daaromheen hebben enorme schade veroorzaakt. De traditionele katholiek mag nooit denken dat verdediging van de Kerk betekent dat institutionele reputatie voorrang krijgt boven waarheid en recht. Juist katholieke orthodoxie vereist: rechtvaardigheid, waarheidsliefde, bescherming van kwetsbaren, en verantwoordelijkheid van gezagsdragers. Een bisschop die een misbruiker beschermt om schandaal te voorkomen” veroorzaakt juist schandaal. De Kerk wordt niet verdedigd door zonde te verbergen. De Kerk wordt verdedigd door zonde te bestrijden.

Oftewel bescherm eerst slachtoffers. Onderzoek serieus. Werk rechtmatig samen met burgerlijke autoriteiten. Wees transparant waar dat verantwoord kan. En besef: de reputatie van de Kerk behoort uiteindelijk Christus toe. Hij kan beter tegen de waarheid dan tegen een leugen.

 

12. Stop met het eeuwige minderwaardigheidscomplex tegenover de moderne wereld

Sinds enkele decennia lijkt een deel van het kerkelijke establishment soms doodsbang dat de moderne wereld ons ouderwets vindt. Maar daarover kunnen we ontspannen zijn. De moderne wereld vindt ons inderdaad ouderwets. Het christendom leert tenslotte: dat kuisheid een deugd is, dat huwelijk objectieve betekenis heeft, dat kinderen geschenken zijn, dat waarheid bestaat, dat lijden betekenis kan krijgen, dat bezit verplichtingen schept, dat vergiffenis belangrijker is dan wraak, dat nederigheid goed is, dat de mens niet zijn eigen schepper is, en dat God uiteindelijk belangrijker is dan autonomie. En ja, ook belangrijker dan de economie.

Dat gaat nooit volledig modieus worden. En dat hoeft ook niet. Het christendom heeft niet tweeduizend jaar overleefd omdat het iedere twintig jaar zijn boodschap herschreef. Het heeft overleefd omdat de boodschap groter bleek dan iedere mode.

 

Wat moet er concreet gebeuren? Laat mij afsluiten met een eenvoudig programma. Niet met weer een nieuwe commissie, maar voor onszelf.

Aan bisschoppen.

1. Verkondig helder de geloofsleer. Niet alleen wanneer er geen controverse bestaat. Juist wanneer zij impopulair is. 2. Vorm goede priesters. Intellectueel orthodox. Geestelijk diep. Menselijk volwassen. Liturgisch gevormd. 3. Geef orthodoxe seminaries prioriteit. Een bisdom zonder roepingen moet niet alleen vragen waarom jongeren niet komen. Het moet ook vragen wat jongeren aantreffen wanneer zij wél komen. 4. Herstel liturgische vrede. Behandel trouwe gelovigen die verlangen naar traditionele liturgie niet als probleemgevallen. 5. Bevorder biecht en aanbidding. De vernieuwing van de Kerk begint niet met management. 6. Bescherm katholiek onderwijs. Een school die katholiek heet maar het katholieke mensbeeld niet meer durft te onderwijzen, heeft voornamelijk een historisch logo. 7. Wees zichtbaar als herder. Ga naar uw mensen toe.

 

Aan priesters

1. Bid. Dat klinkt bijna beledigend eenvoudig. Maar veel crises beginnen precies daar. 2. Vier dagelijks de eucharistie. Vier eerbiedig. De gelovige hoeft bij de Mis niet de persoonlijkheid van de priester te ontmoeten. Hij komt Christus ontmoeten. 3. Preek de volle waarheid. Met liefde. Met intelligentie. Met humor waar dat zinvol is, maar zonder schaamte. 4. Hoor biecht. Verschaf ruime biechtgelegeneid. Nee, aanbellen bij de pastorie valt daar niet onder. 5. Zoek jongeren op. Niet om hip met hen te zijn. Dat is kansloos. Een priester van zestig die probeert te praten als iemand van zestien is een van de sterkste argumenten voor een kloosterlijke gelofte van stilte. Wees vader. Dat is genoeg. 6. Onderhoud priesterlijke broederschap. Een geïsoleerde priester wordt kwetsbaar. 7. Houd van uw mensen. Ook wanneer ze lastig zijn. Vooral dan.

 

Aan leken

1. Word zelf heilig. Dat is lastiger dan boos worden op Rome, maar uiteindelijk veel effectiever. 2. Bouw katholieke gezinnen. 3. Geef uw kinderen echte catechese. 4. Ondersteun goede priesters. Niet door hen op een voetstuk te zetten, maar door hen te helpen priester te blijven. 5. Sticht katholieke initiatieven, scholen, uitgeverijen, studentengroepen, gebedsgroepen, culturele instellingen, goede media.6. Ken uw geloof. Een katholiek die de Catechismus niet kent maar wel dagelijks over kerkelijke politiek discussieert, lijkt een beetje op een voetbalanalist die niet weet of er lucht of zand in een bal zit. 7. Wees vreugdevol. Dit is misschien belangrijker dan we denken. Verbittering bekeert niemand.

Laat ik ook iets zeggen wat voor een traditioneel publiek misschien minder aangenaam is. Traditie kan zelf een ideologie worden. Men kan zo overtuigd raken dat men de waarheid verdedigt, dat men vergeet dat waarheid een Persoon is. We kunnen: gelijk hebben en liefdeloos zijn, orthodox zijn en hoogmoedig, liturgisch correct en geestelijk koud, theologisch scherp en menselijk onuitstaanbaar. Dat zou een nogal merkwaardige overwinning zijn.

De traditionele beweging zal werkelijk vruchtbaar zijn wanneer zij herkenbaar wordt aan: heiligheid, grote gezinnen, roepingen, intellectueel leven, schoonheid, liefdadigheid, vreugde, en missionaire kracht. Niet uitsluitend aan kritiek. Een boom wordt uiteindelijk aan zijn vruchten herkend. Niet aan de scherpte van zijn tweets.

 

Waar begint de werkelijke hervorming?

Misschien niet in Rome. Misschien niet op een synode. Misschien niet bij een bisschoppenconferentie. Misschien begint zij morgenochtend. Wanneer een priester vóór het ontbijt een half uur langer bidt. Wanneer een vader met zijn kinderen de rozenkrans bidt. Wanneer een jongere na tien jaar weer gaat biechten. Wanneer een bisschop besluit een impopulaire waarheid rustig uit te leggen. Wanneer een seminarist kiest voor heiligheid boven carrière. Wanneer een parochie opnieuw Eucharistische aanbidding begint. Wanneer een katholieke docent weigert zijn geloof te reduceren tot vaag humanisme.cWanneer een echtpaar zijn huwelijk werkelijk als roeping leeft. Zo heeft de Kerk zich altijd vernieuwd. Niet in de eerste plaats door programmas, maar door heiligen.

En dus: geen paniek. We mogen de crisis ernstig nemen. We hoeven haar niet dramatischer te maken dan zij is. Want de toekomst van de Kerk hangt uiteindelijk niet af van de kundigheid van haar bureaucratie. Goddank. Dat is misschien de meest troostrijke leerstelling van deze Peper.

Christus heeft niet gezegd: Gij zijt Petrus, en op deze rots zal Ik mijn strategisch meerjarenplan bouwen.” Hij zei: Ik zal mijn Kerk bouwen.” Dat neemt onze verantwoordelijkheid niet weg. Het zet haar op haar plaats. We hoeven de Kerk niet opnieuw uit te vinden. We hoeven haar ook niet te redden alsof Christus na zijn Hemelvaart vergeten is hoe zijn eigen Kerk werkt. Wij moeten iets eenvoudigers doen: Het geloof bewaren. De waarheid spreken. De sacramenten ontvangen. Onze kinderen opvoeden. De armen dienen. Priesters vormen. Roepingen bevorderen. De liturgie waardig vieren. Onze vijanden liefhebben. En Christus méér liefhebben dan onze eigen kerkelijke partij. Dat laatste kan nog het moeilijkste zijn. Want uiteindelijk bestaan er geen traditionele heiligen en progressieve heiligen. Er bestaan alleen heiligen.

En misschien is dat precies de hervorming die de Kerk nu nodig heeft. Niet nog een nieuw katholiek programma. Maar opnieuw katholieken die het Evangelie zo ernstig nemen dat andere mensen zich beginnen af te vragen: Wat hebben zij gevonden dat wij missen?” Wanneer die vraag opnieuw wordt gesteld, begint de nieuwe evangelisatie werkelijk. En misschien ontdekt de Kerk dan iets wat zij in haar beste momenten altijd al wist: dat de wereld niet wordt bekeerd doordat wij steeds meer op haar lijken. Maar doordat zij in ons iets van Christus ziet.

 

+Rob Mutsaerts

Merkwaardige preek van minister Sterk

Minister Mirjam Sterk hield afgelopen maandag een merkwaardige preek. Niet vanaf de kansel van een kerk, maar als minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport bij de opening van het academisch jaar van de Protestantse Theologische Universiteit. De boodschap was ongeveer deze: de verzorgingsstaat piept, kraakt en wordt onbetaalbaar, dus misschien kan de kerk weer wat taken terugnemen.

Decennialang heeft de Nederlandse overheid met indrukwekkende ijver gewerkt aan een samenleving waarin vrijwel iedere menselijke nood werd vertaald in een regeling, een loket, een professional en uiteindelijk een declarabele zorgprestatie. Wat vroeger familie, buurt, parochie, congregatie of vereniging heette, werd gaandeweg vervangen door instellingen, protocollen en budgetten. Nu blijkt dat systeem onbetaalbaar. En wie wordt er gebeld? De kerk.

Sterk verwijt de kerken dat zij zich door de opkomst van de verzorgingsstaat hebben laten terugdringen tot, zoals zij het noemt, zorg voor de ziel. De eerste opdracht van de Kerk is precies wat Sterk enigszins geringschattend als zorg voor de zielaanduidt. Het Evangelie verkondigen. God aanbidden. De sacramenten bedienen. Zondaars tot bekering roepen. Mensen voorbereiden op de eeuwigheid. Dat heet inderdaad zielzorg. Het katholieke geloof heeft bovendien nooit lichaam en ziel tegen elkaar uitgespeeld. Integendeel. Juist omdat de mens naar Gods beeld geschapen is, juist omdat in Mattheüs 25 de hongerige, de zieke en de vreemdeling ons tegemoetkomen als Christus zelf, heeft de Kerk altijd ziekenhuizen gesticht, armen verzorgd, wezen opgenomen, stervenden begeleid en scholen gebouwd.

Christelijke caritas is geen goedkope variant van staatszorg. Zij is geen middel om gaten in de begroting te vullen. Zij komt niet voort uit een beleidsnota, maar uit liefde tot God en de naaste. Wanneer een overheid zegt: Wij krijgen de zorg niet meer betaald, dus kerken moeten weer gemeenschappen vormen waarin mensen voor elkaar zorgen”, moet de kerk antwoorden: zeker, mensen moeten voor elkaar zorgen. Dat hebben wij ongeveer tweeduizend jaar lang verkondigd. Maar misschien mag de overheid dan ook eens nadenken over haar eigen aandeel in het verdwijnen van die gemeenschappen. Want de verzorgingsstaat heeft niet alleen taken overgenomen. Hij heeft ook verantwoordelijkheden geabsorbeerd. Wat vader, moeder, kinderen, buren, parochianen en verenigingen ooit als hun taak beschouwden, werd langzaam een recht waarop men bij een instantie aanspraak kon maken. De staat zei jarenlang: laat dat maar aan ons over. Nu zegt diezelfde staat: zouden jullie het misschien weer zelf kunnen doen? En dat in een tijd dat het overheidsapparaat fors gegroeid is, en de kerk gedecimeerd. 

Sterk heeft gelijk wanneer zij zegt dat onze samenleving behoefte heeft aan gemeenschap, barmhartigheid en naastenliefde. Naastenliefde ontstaat echter niet omdat de overheid haar nodig heeft. Gemeenschap ontstaat niet doordat een beleidsmaker het woord samenredzaamheidin een nota schrijft. En barmhartigheid laat zich niet produceren door een subsidieregeling. Dat zijn vruchten van een cultuur. En die cultuur wordt gevoed door overtuigingen over wie de mens is, waarom hij verantwoordelijk is voor zijn naaste en waarom een kwetsbaar mensenleven waarde bezit, zelfs wanneer het economisch niets oplevert.

Als de overheid werkelijk een zorgzame samenlevingwil, moet zij misschien niet alleen vragen hoe kerken gaten in de verzorgingsstaat kunnen vullen. Zij zou zich ook kunnen afvragen waarom gezinnen steeds minder tijd hebben om voor ouderen te zorgen, waarom verenigingen verdwijnen, waarom gemeenschappen verbrokkelen, waarom vrijwillige inzet verdrinkt in regels en waarom zoveel maatschappelijke verbanden afhankelijk zijn geworden van overheidsgeld. Misschien moet de staat niet nóg beter organiseren. Misschien moet hij soms juist ophouden alles te organiseren. De katholieke sociale leer kent daarvoor een prachtig woord: subsidiariteit. Wat mensen zelf kunnen doen, moet de staat niet overnemen. Wat gezinnen kunnen doen, moet niet automatisch worden geïnstitutionaliseerd. Wat lokale gemeenschappen kunnen dragen, hoeft niet vanuit Den Haag te worden bestuurd.

Minister Sterk wil dat de Kerk weer een gesprekspartner van de overheid wordt. Hier is alvast een bijdrage aan dat gesprek:

Excellentie, de Kerk helpt graag. Maar wij zijn niet uw onderaannemer. Wij zullen de hongerigen voeden, de zieken bezoeken en de eenzamen bijstaan. En ondertussen blijven wij doen wat blijkbaar zelfs sommige christelijke politici wat uit het oog zijn verloren: zorgen voor de ziel. Want uiteindelijk is dát de zorg waarvoor geen ministerie ter wereld een begroting heeft. De kerk zal de mens blijven herinneren aan zijn eeuwige bestemming. Dat is misschien geen oplossing voor het begrotingstekort. Maar het zou zomaar een oplossing kunnen zijn voor iets belangrijkers.

 

+Rob Mutsaerts

Hulpbisschop Bisdom van ‘s-Hertogenbosch

 

Waar verlangen we eigenlijk naar?

Er zijn vragen die een mens zijn hele leven vergezellen. Niet omdat zij moeilijk zijn, maar omdat zij te groot zijn om ooit volledig beantwoord te worden. Wat maakt mij gelukkig?” is zon vraag. Op het eerste gezicht lijkt het antwoord eenvoudig; iedereen weet immers wat hij verlangt. De een verlangt naar liefde, de ander naar succes, weer een ander naar gezondheid, rust, erkenning, avontuur of veiligheid. En toch gebeurt er iets merkwaardigs. Mensen bereiken vaak precies datgene waarnaar zij verlangden - en ontdekken vervolgens dat hun verlangen niet verdwenen is. Het einddiploma komt. De begeerde baan komt. Het nieuwe huis komt. De promotie komt. De reis komt. De liefde komt. En toch blijft er iets in de mens dat verder zoekt. Niet uit ondankbaarheid, ook niet uit hebzucht, maar omdat het verlangen zelf groter blijkt dan het voorwerp waarop het gericht was.

Dat is een van de oudste menselijke ervaringen. En ook een van de meest raadselachtige. De grote christelijke denkers hebben er veel over nagedacht. Vooral Augustinus. Die rusteloze Noord-Afrikaan die wij al eerder ontmoetten, kende succes, was invloedrijk, verwierf intellectuele roem, vriendschappen en liefde. En toch schreef hij uiteindelijk een van de beroemdste zinnen uit de geschiedenis: Onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U.” Dat is geen sombere zin. Integendeel. Het is een verrassend optimistische zin. Want zij suggereert dat ons verlangen geen defect is. Het is een aanwijzing. Zoals dorst wijst op het bestaan van water, zoals honger wijst op het bestaan van voedsel, zo wijst ons diepste verlangen op iets wat werkelijk bestaat. Het zijn de oerverlangens die wijzen op het bestaan van realiteiten die deze verlangens vervullen.

Dat is een gewaagde gedachte. Want de moderne cultuur vertelt vaak een ander verhaal. Zij beschouwt verlangen meestal als een probleem dat opgelost moet worden. Je verlangt naar iets. Je krijgt het. Einde verhaal. Maar zo werkt de mens niet. Sterker nog: juist de mooiste dingen van het leven lijken ons verlangen eerder te vergroten dan te verzadigen. Een prachtig muziekstuk roept niet alleen voldoening op, het roept ook heimwee op. Een schitterend landschap doet meer dan ons tevreden stellen. Het wekt verlangen. Een grote liefde maakt ons niet minder ontvankelijk voor schoonheid, maar meer. Dat is een vreemd verschijnsel. Alsof alle mooie dingen tegelijk vervulling én belofte zijn. Alsof zij zeggen: Ja, dit is goed”, maar ook: Er is meer.”

C.S. Lewis schreef dat hij zijn hele leven werd achtervolgd door momenten van plotseling verlangen. Korte ogenblikken waarin iets van schoonheid, vreugde of verwondering hem raakte. Niet lang. Soms slechts enkele seconden. Maar telkens bleef dezelfde indruk achter: niet dat hij iets had gevonden, maar dat hij ergens aan was herinnerd. Het suggereert dat verlangen niet alleen vooruitwijst; het wijst ook terug: naar een verloren thuis, naar een vergeten oorsprong, naar een werkelijkheid waarvoor wij geschapen zijn. Misschien daarom speelt heimwee zon grote rol in de menselijke ervaring. Zelfs mensen die gelukkig zijn kennen het. Soms overvalt het ons onverwacht op een onbewaakt moment. Je voelt een vreugde die bijna pijn doet. Niet omdat zij onvoldoende is, maar omdat zij zo mooi is dat je verlangt dat zij blijft. En precies daar raken wij aan iets wezenlijks. De mooiste momenten van het leven lijken altijd kwetsbaar: zij gaan voorbij. De zonsondergang eindigt. De vakantie eindigt. De jeugd eindigt. Zelfs de gelukkigste dag eindigt. Dat is geen pessimisme, dat is eenvoudigweg de menselijke conditie. En juist daarom ontstaat de vraag: waarom verlangen wij naar een geluk dat geen einde kent? Waarom zijn wij niet tevreden met tijdelijke vreugde alleen? Waarom draagt ieder mens ergens diep van binnen een verlangen naar het blijvende?

Het katholiek geloof geeft een opmerkelijk antwoord: omdat wij gemaakt zijn voor het blijvende. Omdat ons verlangen uiteindelijk niet gericht is op dingen, zelfs niet op de mooiste dingen, maar op God. Dat klinkt misschien onverwacht. Vooral omdat veel mensen zich God voorstellen als een religieus onderwerp naast allerlei andere onderwerpen, een onderdeel van het leven. Het christendom ziet Hem anders. Niet als een object van verlangen naast andere objecten, maar als de uiteindelijke vervulling van ieder waar verlangen. Wanneer wij verlangen naar waarheid, verlangen wij uiteindelijk naar Hem. Wanneer wij verlangen naar schoonheid, verlangen wij uiteindelijk naar Hem. Wanneer wij verlangen naar liefde, verlangen wij uiteindelijk naar Hem. Niet omdat waarheid, schoonheid en liefde onbelangrijk zijn. Maar omdat zij allemaal hun oorsprong in Hem hebben, zoals lichtstralen uiteindelijk terugvoeren naar de zon. Dat betekent niet dat aardse vreugden waardeloos zijn, integendeel. Het christendom heeft altijd een opmerkelijk positieve kijk gehad op de schepping. Vriendschap is goed. Muziek is goed. Werk is goed. Liefde is goed. Een biertje is goed. Een zomeravond is goed. Een lach aan tafel is goed. Maar zij zijn niet bedoeld om God te vervangen. Zij zijn bedoeld om naar Hem te verwijzen.

Dat onderscheid is belangrijk. Want zodra wij van eindige dingen oneindige vervulling verwachten, raken wij onvermijdelijk teleurgesteld. Niet omdat die dingen slecht zijn, maar omdat wij hen vragen iets te geven wat zij nooit konden geven. Een huwelijk, carrière, bezit, succes, avontuur, zij zijn te klein voor de grootte van het menselijk hart. Dat klinkt misschien overdreven, tot men kijkt naar de geschiedenis. Hoeveel mensen hebben niet geprobeerd hun geluk volledig op te bouwen rond rijkdom, macht, roem of genot? En hoe vaak bleek uiteindelijk dat de honger bleef bestaan? Het probleem was niet dat zij te veel verlangden. Het probleem was dat zij niet genoeg verlangden. Dat is een typisch christelijke gedachte. De mens is niet gemaakt voor minder verlangen, maar voor groter verlangen.

De heiligen begrepen dat vaak beter dan anderen. Daarom ogen zij soms zo vrij. Niet omdat zij minder van de wereld hielden, maar omdat zij meer verwachtten dan de wereld alleen kon bieden. Zij genoten van de schepping zonder haar te vergoddelijken. Zij hielden van mensen zonder hen tot afgoden te maken. Zij ontvingen aardse vreugde als geschenk; niet als eindbestemming. Misschien is dat uiteindelijk wat christelijke hoop en christelijk verlangen met elkaar verbindt. De mens is een reiziger; de aarde is niet zijn definitieve thuis. Zoals een pelgrim van een herberg kan genieten zonder haar voor zijn eindbestemming te houden, zo leeft de christen in de wereld. Met dankbaarheid, vreugde, liefde, maar ook met een diep besef dat er nog iets komt. Iets groters. Iets blijvends. Iets waarvoor alle aardse schoonheid slechts een voorproefje is. En misschien verklaart dat wel een van de vreemdste eigenschappen van de mens: dat hij zelfs op zijn gelukkigste momenten soms verlangt naar meer. Niet omdat hij ondankbaar is, maar omdat zijn hart groter is gemaakt dan de wereld kan vullen. Zoals een kompasnaald uiteindelijk naar het noorden blijft wijzen, zo blijft het menselijke hart wijzen naar zijn oorsprong, naar zijn bestemming, naar God. En misschien is dat verlangen zelf al een vorm van thuiskomen.

+Rob Mutsaerts

De Kerk wordt niet gered door bureaucraten die menen dat alles anders moet

Er bestaat een eigenaardige vergissing onder moderne mensen: wanneer zij ontdekken dat de Kerk vol zondaars zit, concluderen zij dat het christendom mislukt is. Dat is ongeveer hetzelfde als ontdekken dat een ziekenhuis vol zieken ligt en daaruit afleiden dat geneeskunde niet werkt.

De Kerk heeft nooit beweerd een vereniging van volmaakte mensen te zijn. Zij heeft iets veel vreemders beweerd: dat God besloten heeft Zijn volmaakte waarheid toe te vertrouwen aan buitengewoon onvolmaakte mensen. Wie dat ongeloofwaardig vindt, moet eens naar de apostelen kijken. Petrus verloochende Christus. Thomas geloofde zijn vrienden niet. Jacobus en Johannes maakten ruzie over wie de beste stoel in het Koninkrijk zou krijgen. Judas beheerde de financiën, wat achteraf wellicht een ongelukkige benoeming bleek. En toch begon Christus met hen. Dat is vermoedelijk de eerste reden waarom ik mij niet al te veel zorgen zou maken wanneer iemand pausen, bisschoppen en pastoors rare dingen zeggen. De katholieke Kerk heeft erger overleefd.

De revolutie in de Kerk is merkwaardig omdat zij meestal wordt uitgevoerd door mensen die volhouden dat er helemaal geen revolutie gaande is. De oude revolutionair beklom tenminste een barricade. De moderne revolutionair neemt plaats in een commissie. Hij zegt niet: Wij zullen de leer veranderen.” Hij zegt: Natuurlijk verandert de leer niet; wij gaan haar alleen op een totaal andere manier toepassen.”

Dat gaat zo. De liberaal ziet barmhartigheid en vergeet oordeel. De rigorist ziet oordeel en vergeet barmhartigheid. De revolutionair ziet verandering en vergeet continuïteit. De reactionair ziet continuïteit en vergeet dat levende dingen groeien. De orthodoxe gelovige ziet iets anders: de Kerk moet tegelijk onveranderlijk én levend zijn: zij moet tegelijk gehoorzamen én weerstand bieden aan misbruik van gezag; zij moet tegelijk universeel én bijzonder zijn, zij moet tegelijk Petrus verdedigen én Paulus toestaan Petrus in het aangezicht te weerstaan”.

Het moderne antwoord luidt altijd: we moeten iets nieuws bedenken. Het katholieke antwoord luidt meestal: we moeten opnieuw ontdekken wat wij vergeten zijn. Als katholieken hun geloof niet meer kennen, geef hun dan de catechismus. Als priesters niet meer weten wat het priesterschap is, geef hun dan de Mis. Als bisschoppen vergeten dat zij opvolgers van de apostelen zijn, herinner hen eraan dat de apostelen bijna allemaal als martelaar gestorven zijn en niet als voorzitter van een synodale commissie. Als de liturgie banaal wordt, maak haar weer heilig. Als de moraal wazig wordt, spreek weer helder. Als jonge mensen nergens meer voor willen sterven, geef hun dan eindelijk iets waarvoor het de moeite waard is te leven.

Hoe zit het dan met Rome?  Je hoeft niet te geloven dat iedere gedachte van een paus rechtstreeks uit de hemel is gevallen (ook niet als hij in een vliegtuig zit). Je hoeft ook niet te geloven dat de Kerk ophoudt katholiek te zijn zodra de paus iets onverstandigs doet. Hoe weet ik dat? Ken je kerkgeschiedenis.

De paus is niet de opvolger van Jezus, maar van Petrus (zoals ook paus Leo niet de opvolger is van paus Franciscus, maar van Petrus). Wij geloven dat een goddelijke instelling kan worden bestuurd door mensen die soms buitengewoon menselijke beslissingen nemen. Dat is geen argument tegen het katholicisme. Dat is een argument vóór het katholicisme. Want alleen een instelling die werkelijk van God komt, zou tweeduizend jaar lang zoveel geestelijken kunnen overleven. De Kerk zal niet worden gered door mensen die voortdurend roepen dat alles verloren is. Evenmin zal zij worden gered door bureaucraten die menen dat alles anders moet. Zij zal worden vernieuwd op dezelfde manier waarop zij altijd is vernieuwd: door heiligen.

Men vergeet soms dat Franciscus van Assisi de Kerk niet hervormde door een document over kerkvernieuwing te schrijven. Hij werd heilig. Teresa van Ávila organiseerde geen congres over contemplatieve participatie. Zij bad. Thomas van Aquino maakte het geloof niet relevant door het eenvoudiger te maken. Hij dacht er dieper over na. En Philippus Neri wist iets wat wij soms vergeten: dat een mens heel orthodox kan zijn en toch kan lachen. Misschien is dat zelfs een teken van orthodoxie.

Christus zei dat de poorten van de hel de Kerk niet zouden overweldigen. Hij zei niet dat de poorten van de hel geen lawaai zouden maken. En soms lijkt het alsof vooral de duivel over een goed communicatiebureau beschikt. Maar de katholiek weet iets wat de duivel voortdurend vergeet: de Kerk behoort niet aan ons. Zij behoort aan Christus. Dat is buitengewoon goed nieuws, vooral voor bisschoppen. Wij hoeven de Kerk niet te redden. Wij moeten haar slechts niet verraden. Wij hoeven de waarheid niet opnieuw uit te vinden. Wij moeten haar slechts doorgeven. Wij hoeven geen nieuw christendom te bouwen. Wij moeten eenvoudig opnieuw katholiek worden.

En wanneer men mij vraagt of ik hoop heb voor de toekomst van de Kerk, zou ik antwoorden: Natuurlijk. Niet omdat ik vertrouwen heb in kerkelijke commissies, sociologische voorspellingen of strategische beleidsplannen. Maar omdat op paasmorgen het graf leeg was. En dat is, voor zover ik weet, nog steeds het belangrijkste nieuwsbericht aller tijden.

+Rob Mutsaerts