Er was eens een tijd waarin de dood van een mens aanleiding gaf tot stilte. Tegenwoordig geeft hij aanleiding tot commentaar. En als de dood spectaculair genoeg is, zelfs tot applaus. In het Yorkshire Wildlife Park in Engeland klom een 23-jarige man, William Chapman, over de omheining van een verblijf met een Siberische tijger. Het dier deed wat tijgers nu eenmaal doen. Het viel aan. De man overleed.
De gebeurtenis vond plaats op 10 oktober. Zijn familie is ontroostbaar. En op sociale media? Daar lijkt de tijger op aanzienlijk meer sympathie te kunnen rekenen dan zijn slachtoffer. De tijger had groot gelijk, vinden velen. De man was immers zelf het verblijf binnengegaan. Eigen schuld, dikke bult. De natuur had gesproken. En de natuur, zo weten wij tegenwoordig, heeft altijd gelijk.
Het
merkwaardige is dat ik het met het eerste deel nog eens kan zijn ook. De tijger
valt inderdaad niets te verwijten. Een tijger is een tijger. Hij heeft geen
catechismus gelezen, geen morele verplichtingen onderschreven en vermoedelijk
ook geen enkele behoefte aan een cursus geweldloze communicatie. Hij handelt
overeenkomstig zijn natuur. Maar dat verklaart nog niet waarom een mens die
door een tijger wordt gedood, minder medelijden zou verdienen dan de tijger die
hem doodt.
Hier begint het moderne raadsel. Wij leven in een tijd waarin de mensheid haar morele gevoeligheid tot ongekende hoogte meent te hebben ontwikkeld. Wij bekommeren ons om bedreigde diersoorten, gekwetste gevoelens, smeltende ijskappen en de psychologische gesteldheid van huisdieren. Een hond die eenzaam thuiszit, kan rekenen op een maatschappelijk debat. Een ijsbeer op een smeltende ijsschots krijgt een eigen documentaire. Een tijger die een mens doodt, krijgt duizenden sympathiebetuigingen. Maar de dode man? Die had beter moeten weten. Het is een merkwaardige beschaving die steeds gevoeliger wordt voor het lijden van dieren en tegelijkertijd steeds ongevoeliger voor het lijden van mensen.
Natuurlijk is de liefde voor dieren op zichzelf een goede zaak. De christelijke traditie heeft nooit geleerd dat men dieren naar believen mag mishandelen. Franciscus van Assisi sprak zelfs over broeder wolf. Maar hij zou er vermoedelijk van hebben opgekeken wanneer zijn bewonderaars de wolf waren gaan feliciteren met het verslinden van een verdwaalde wandelaar. Het probleem is niet dat wij te veel om dieren geven. Het probleem is dat wij steeds minder lijken te begrijpen wat een mens is. De klassieke christelijke beschaving begon bij een opvatting die tegenwoordig haast revolutionair klinkt: ieder mens bezit een waardigheid die hem niet door anderen wordt verleend en dus ook niet door anderen kan worden afgenomen. Niet omdat hij verstandig is. Niet omdat hij sympathiek is. Niet omdat hij verstandige beslissingen neemt. Niet omdat hij maatschappelijk nuttig is. Maar omdat hij mens is. Dat geldt voor de professor en de dwaas. Voor de heilige en de zondaar. Voor de verstandige huisvader en de jongeman die in een ogenblik van onbegrijpelijke verwarring een tijgerverblijf binnenklimt.
De moderne wereld vindt dit een merkwaardige gedachte. Zij spreekt graag over menselijke waardigheid, maar lijkt haar steeds vaker afhankelijk te maken van menselijk gedrag.
Wie verstandig
leeft, gezond is, succesvol functioneert en de juiste opvattingen koestert, mag
op respect rekenen. Wie faalt, zich onverstandig gedraagt of niet langer
voldoet aan onze verwachtingen, ontdekt soms hoe voorwaardelijk onze compassie
is geworden. De menswaardigheid wordt dan geen uitgangspunt meer, maar een
beloning voor goed gedrag. Een uiterst dubieuze ontwikkeling, want zodra
menselijke waardigheid afhankelijk wordt van verstandige beslissingen, rijst
onvermijdelijk de vraag wie eigenlijk verstandig genoeg is om haar te
verdienen. De dementerende bejaarde? De verslaafde? De psychiatrische patiënt?
Het ongeboren kind? De man die zijn leven volkomen heeft geruïneerd?
Het christendom heeft op deze vraag een buitengewoon praktisch antwoord: allemaal. Het weigert de mens op te geven, zelfs wanneer die zichzelf heeft opgegeven. Het maakt bovendien een onderscheid dat onze tijd bijna vergeten lijkt: het verschil tussen een daad beoordelen en een mens veroordelen. ‘Haat de zonde, houd van de zondaar’ is een typisch christelijke uitspraak. Het was onverstandig om het verblijf van een tijger binnen te gaan. Daarover valt weinig te discussiëren. Maar uit die vaststelling volgt niet dat de dood van de betrokkene een goede afloop was.
De natuur is schitterend, maar zij is niet moreel. Een aardbeving maakt geen onderscheid tussen een misdadiger en een kind. Een virus raadpleegt geen strafblad. Een tijger onderzoekt niet eerst of zijn slachtoffer zich aan de parkvoorschriften heeft gehouden. Juist daarom heeft de mens een geweten gekregen. Niet om de natuur te imiteren, maar om er iets aan toe te voegen wat de natuur zelf niet bezit: barmhartigheid. En hier openbaart zich een van de merkwaardigste paradoxen van onze tijd. De moderne mens heeft zich van God bevrijd omdat hij zelfstandig wilde bepalen wat goed en kwaad is. Vervolgens kijkt hij naar een tijger die een mens doodt en verklaart dat de natuur haar recht heeft laten gelden. Dat lijkt mij geen verbetering.
Wat het verhaal nog pijnlijker maakt, is dat William Chapman geen hypothetische figuur was in een filosofisch debat. Hij was een zoon. Een jonge man met een geschiedenis, met mensen die van hem hielden, en met psychische problemen waarvan de precieze betekenis voor deze tragedie nog wordt onderzocht. Zijn familie heeft het publiek inmiddels opgeroepen te stoppen met het verspreiden van kwetsende beelden. Zelfs de laatste ogenblikken van hun zoon zijn kennelijk niet veilig voor de moderne behoefte aan vermaak. Een mens is gestorven. En zijn dood is content geworden. Misschien is dat wel het meest onthullende woord van onze tijd: content. Het maakt nauwelijks meer uit waarvan. Een dansend katje, een vallende fietser, een huilend kind, een stervende jongeman. Alles wordt opgenomen in dezelfde eindeloze stroom van beelden die onze aandacht opeist, onze emoties prikkelt en vervolgens onmiddellijk plaatsmaakt voor het volgende spektakel.
Wij weten
steeds meer over wat er overal ter wereld gebeurt, maar schijnen steeds minder
te beseffen wat het betekent.
Een beschaving hoeft niet ten onder hoeft te gaan doordat zij haar verstand verliest. Het kan ook gebeuren doordat zij haar vanzelfsprekendheden vergeet. Dat een kind bescherming verdient. Dat zwakheid geen misdaad is. Dat een dwaas nog altijd onze naaste is. En dat de dood van een mens geen aanleiding vormt voor gejuich. Het meest verontrustende aan de reacties op deze tragedie is daarom niet dat mensen sympathie voelen voor de tijger. Dat mag. Het dier treft inderdaad geen blaam. Het verontrustende is dat sommigen kennelijk menen te moeten kiezen tussen medelijden met de mens en sympathie voor het dier. Je behoort beide te zijn. Dat is geen tegenspraak. Dat is beschaving.
Misschien moeten we daarom weer eens beginnen met een eenvoudige gedachte. Niet ieder mens handelt verstandig. Niet ieder mens handelt goed. Niet ieder mens maakt zijn leven tot een succes. Maar ieder mens blijft een mens. En wie dat onderscheid niet meer kan maken, heeft misschien heel veel geleerd over de rechten van dieren, maar iets wezenlijks vergeten over de waardigheid van mensen. De tijger wist niet beter. Hij handelde naar zijn natuur. De vraag is waarom zoveel mensen, die wél beter kunnen weten, hun eigen natuur lijken te vergeten. Het bijzondere aan de mens is dat hij medelijden kan hebben met degene die zwakker is dan hijzelf. Zelfs met iemand die een verschrikkelijke vergissing heeft begaan. En vooral met iemand die er niet meer is om zichzelf te verdedigen.
+Rob Mutsaerts
