Merkwaardige preek van minister Sterk

Minister Mirjam Sterk hield afgelopen maandag een merkwaardige preek. Niet vanaf de kansel van een kerk, maar als minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport bij de opening van het academisch jaar van de Protestantse Theologische Universiteit. De boodschap was ongeveer deze: de verzorgingsstaat piept, kraakt en wordt onbetaalbaar, dus misschien kan de kerk weer wat taken terugnemen.

Decennialang heeft de Nederlandse overheid met indrukwekkende ijver gewerkt aan een samenleving waarin vrijwel iedere menselijke nood werd vertaald in een regeling, een loket, een professional en uiteindelijk een declarabele zorgprestatie. Wat vroeger familie, buurt, parochie, congregatie of vereniging heette, werd gaandeweg vervangen door instellingen, protocollen en budgetten. Nu blijkt dat systeem onbetaalbaar. En wie wordt er gebeld? De kerk.

Sterk verwijt de kerken dat zij zich door de opkomst van de verzorgingsstaat hebben laten terugdringen tot, zoals zij het noemt, zorg voor de ziel. De eerste opdracht van de Kerk is precies wat Sterk enigszins geringschattend als zorg voor de zielaanduidt. Het Evangelie verkondigen. God aanbidden. De sacramenten bedienen. Zondaars tot bekering roepen. Mensen voorbereiden op de eeuwigheid. Dat heet inderdaad zielzorg. Het katholieke geloof heeft bovendien nooit lichaam en ziel tegen elkaar uitgespeeld. Integendeel. Juist omdat de mens naar Gods beeld geschapen is, juist omdat in Mattheüs 25 de hongerige, de zieke en de vreemdeling ons tegemoetkomen als Christus zelf, heeft de Kerk altijd ziekenhuizen gesticht, armen verzorgd, wezen opgenomen, stervenden begeleid en scholen gebouwd.

Christelijke caritas is geen goedkope variant van staatszorg. Zij is geen middel om gaten in de begroting te vullen. Zij komt niet voort uit een beleidsnota, maar uit liefde tot God en de naaste. Wanneer een overheid zegt: Wij krijgen de zorg niet meer betaald, dus kerken moeten weer gemeenschappen vormen waarin mensen voor elkaar zorgen”, moet de kerk antwoorden: zeker, mensen moeten voor elkaar zorgen. Dat hebben wij ongeveer tweeduizend jaar lang verkondigd. Maar misschien mag de overheid dan ook eens nadenken over haar eigen aandeel in het verdwijnen van die gemeenschappen. Want de verzorgingsstaat heeft niet alleen taken overgenomen. Hij heeft ook verantwoordelijkheden geabsorbeerd. Wat vader, moeder, kinderen, buren, parochianen en verenigingen ooit als hun taak beschouwden, werd langzaam een recht waarop men bij een instantie aanspraak kon maken. De staat zei jarenlang: laat dat maar aan ons over. Nu zegt diezelfde staat: zouden jullie het misschien weer zelf kunnen doen? En dat in een tijd dat het overheidsapparaat fors gegroeid is, en de kerk gedecimeerd. 

Sterk heeft gelijk wanneer zij zegt dat onze samenleving behoefte heeft aan gemeenschap, barmhartigheid en naastenliefde. Naastenliefde ontstaat echter niet omdat de overheid haar nodig heeft. Gemeenschap ontstaat niet doordat een beleidsmaker het woord samenredzaamheidin een nota schrijft. En barmhartigheid laat zich niet produceren door een subsidieregeling. Dat zijn vruchten van een cultuur. En die cultuur wordt gevoed door overtuigingen over wie de mens is, waarom hij verantwoordelijk is voor zijn naaste en waarom een kwetsbaar mensenleven waarde bezit, zelfs wanneer het economisch niets oplevert.

Als de overheid werkelijk een zorgzame samenlevingwil, moet zij misschien niet alleen vragen hoe kerken gaten in de verzorgingsstaat kunnen vullen. Zij zou zich ook kunnen afvragen waarom gezinnen steeds minder tijd hebben om voor ouderen te zorgen, waarom verenigingen verdwijnen, waarom gemeenschappen verbrokkelen, waarom vrijwillige inzet verdrinkt in regels en waarom zoveel maatschappelijke verbanden afhankelijk zijn geworden van overheidsgeld. Misschien moet de staat niet nóg beter organiseren. Misschien moet hij soms juist ophouden alles te organiseren. De katholieke sociale leer kent daarvoor een prachtig woord: subsidiariteit. Wat mensen zelf kunnen doen, moet de staat niet overnemen. Wat gezinnen kunnen doen, moet niet automatisch worden geïnstitutionaliseerd. Wat lokale gemeenschappen kunnen dragen, hoeft niet vanuit Den Haag te worden bestuurd.

Minister Sterk wil dat de Kerk weer een gesprekspartner van de overheid wordt. Hier is alvast een bijdrage aan dat gesprek:

Excellentie, de Kerk helpt graag. Maar wij zijn niet uw onderaannemer. Wij zullen de hongerigen voeden, de zieken bezoeken en de eenzamen bijstaan. En ondertussen blijven wij doen wat blijkbaar zelfs sommige christelijke politici wat uit het oog zijn verloren: zorgen voor de ziel. Want uiteindelijk is dát de zorg waarvoor geen ministerie ter wereld een begroting heeft. De kerk zal de mens blijven herinneren aan zijn eeuwige bestemming. Dat is misschien geen oplossing voor het begrotingstekort. Maar het zou zomaar een oplossing kunnen zijn voor iets belangrijkers.

 

+Rob Mutsaerts

Hulpbisschop Bisdom van ‘s-Hertogenbosch

 

Waar verlangen we eigenlijk naar?

Er zijn vragen die een mens zijn hele leven vergezellen. Niet omdat zij moeilijk zijn, maar omdat zij te groot zijn om ooit volledig beantwoord te worden. Wat maakt mij gelukkig?” is zon vraag. Op het eerste gezicht lijkt het antwoord eenvoudig; iedereen weet immers wat hij verlangt. De een verlangt naar liefde, de ander naar succes, weer een ander naar gezondheid, rust, erkenning, avontuur of veiligheid. En toch gebeurt er iets merkwaardigs. Mensen bereiken vaak precies datgene waarnaar zij verlangden - en ontdekken vervolgens dat hun verlangen niet verdwenen is. Het einddiploma komt. De begeerde baan komt. Het nieuwe huis komt. De promotie komt. De reis komt. De liefde komt. En toch blijft er iets in de mens dat verder zoekt. Niet uit ondankbaarheid, ook niet uit hebzucht, maar omdat het verlangen zelf groter blijkt dan het voorwerp waarop het gericht was.

Dat is een van de oudste menselijke ervaringen. En ook een van de meest raadselachtige. De grote christelijke denkers hebben er veel over nagedacht. Vooral Augustinus. Die rusteloze Noord-Afrikaan die wij al eerder ontmoetten, kende succes, was invloedrijk, verwierf intellectuele roem, vriendschappen en liefde. En toch schreef hij uiteindelijk een van de beroemdste zinnen uit de geschiedenis: Onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U.” Dat is geen sombere zin. Integendeel. Het is een verrassend optimistische zin. Want zij suggereert dat ons verlangen geen defect is. Het is een aanwijzing. Zoals dorst wijst op het bestaan van water, zoals honger wijst op het bestaan van voedsel, zo wijst ons diepste verlangen op iets wat werkelijk bestaat. Het zijn de oerverlangens die wijzen op het bestaan van realiteiten die deze verlangens vervullen.

Dat is een gewaagde gedachte. Want de moderne cultuur vertelt vaak een ander verhaal. Zij beschouwt verlangen meestal als een probleem dat opgelost moet worden. Je verlangt naar iets. Je krijgt het. Einde verhaal. Maar zo werkt de mens niet. Sterker nog: juist de mooiste dingen van het leven lijken ons verlangen eerder te vergroten dan te verzadigen. Een prachtig muziekstuk roept niet alleen voldoening op, het roept ook heimwee op. Een schitterend landschap doet meer dan ons tevreden stellen. Het wekt verlangen. Een grote liefde maakt ons niet minder ontvankelijk voor schoonheid, maar meer. Dat is een vreemd verschijnsel. Alsof alle mooie dingen tegelijk vervulling én belofte zijn. Alsof zij zeggen: Ja, dit is goed”, maar ook: Er is meer.”

C.S. Lewis schreef dat hij zijn hele leven werd achtervolgd door momenten van plotseling verlangen. Korte ogenblikken waarin iets van schoonheid, vreugde of verwondering hem raakte. Niet lang. Soms slechts enkele seconden. Maar telkens bleef dezelfde indruk achter: niet dat hij iets had gevonden, maar dat hij ergens aan was herinnerd. Het suggereert dat verlangen niet alleen vooruitwijst; het wijst ook terug: naar een verloren thuis, naar een vergeten oorsprong, naar een werkelijkheid waarvoor wij geschapen zijn. Misschien daarom speelt heimwee zon grote rol in de menselijke ervaring. Zelfs mensen die gelukkig zijn kennen het. Soms overvalt het ons onverwacht op een onbewaakt moment. Je voelt een vreugde die bijna pijn doet. Niet omdat zij onvoldoende is, maar omdat zij zo mooi is dat je verlangt dat zij blijft. En precies daar raken wij aan iets wezenlijks. De mooiste momenten van het leven lijken altijd kwetsbaar: zij gaan voorbij. De zonsondergang eindigt. De vakantie eindigt. De jeugd eindigt. Zelfs de gelukkigste dag eindigt. Dat is geen pessimisme, dat is eenvoudigweg de menselijke conditie. En juist daarom ontstaat de vraag: waarom verlangen wij naar een geluk dat geen einde kent? Waarom zijn wij niet tevreden met tijdelijke vreugde alleen? Waarom draagt ieder mens ergens diep van binnen een verlangen naar het blijvende?

Het katholiek geloof geeft een opmerkelijk antwoord: omdat wij gemaakt zijn voor het blijvende. Omdat ons verlangen uiteindelijk niet gericht is op dingen, zelfs niet op de mooiste dingen, maar op God. Dat klinkt misschien onverwacht. Vooral omdat veel mensen zich God voorstellen als een religieus onderwerp naast allerlei andere onderwerpen, een onderdeel van het leven. Het christendom ziet Hem anders. Niet als een object van verlangen naast andere objecten, maar als de uiteindelijke vervulling van ieder waar verlangen. Wanneer wij verlangen naar waarheid, verlangen wij uiteindelijk naar Hem. Wanneer wij verlangen naar schoonheid, verlangen wij uiteindelijk naar Hem. Wanneer wij verlangen naar liefde, verlangen wij uiteindelijk naar Hem. Niet omdat waarheid, schoonheid en liefde onbelangrijk zijn. Maar omdat zij allemaal hun oorsprong in Hem hebben, zoals lichtstralen uiteindelijk terugvoeren naar de zon. Dat betekent niet dat aardse vreugden waardeloos zijn, integendeel. Het christendom heeft altijd een opmerkelijk positieve kijk gehad op de schepping. Vriendschap is goed. Muziek is goed. Werk is goed. Liefde is goed. Een biertje is goed. Een zomeravond is goed. Een lach aan tafel is goed. Maar zij zijn niet bedoeld om God te vervangen. Zij zijn bedoeld om naar Hem te verwijzen.

Dat onderscheid is belangrijk. Want zodra wij van eindige dingen oneindige vervulling verwachten, raken wij onvermijdelijk teleurgesteld. Niet omdat die dingen slecht zijn, maar omdat wij hen vragen iets te geven wat zij nooit konden geven. Een huwelijk, carrière, bezit, succes, avontuur, zij zijn te klein voor de grootte van het menselijk hart. Dat klinkt misschien overdreven, tot men kijkt naar de geschiedenis. Hoeveel mensen hebben niet geprobeerd hun geluk volledig op te bouwen rond rijkdom, macht, roem of genot? En hoe vaak bleek uiteindelijk dat de honger bleef bestaan? Het probleem was niet dat zij te veel verlangden. Het probleem was dat zij niet genoeg verlangden. Dat is een typisch christelijke gedachte. De mens is niet gemaakt voor minder verlangen, maar voor groter verlangen.

De heiligen begrepen dat vaak beter dan anderen. Daarom ogen zij soms zo vrij. Niet omdat zij minder van de wereld hielden, maar omdat zij meer verwachtten dan de wereld alleen kon bieden. Zij genoten van de schepping zonder haar te vergoddelijken. Zij hielden van mensen zonder hen tot afgoden te maken. Zij ontvingen aardse vreugde als geschenk; niet als eindbestemming. Misschien is dat uiteindelijk wat christelijke hoop en christelijk verlangen met elkaar verbindt. De mens is een reiziger; de aarde is niet zijn definitieve thuis. Zoals een pelgrim van een herberg kan genieten zonder haar voor zijn eindbestemming te houden, zo leeft de christen in de wereld. Met dankbaarheid, vreugde, liefde, maar ook met een diep besef dat er nog iets komt. Iets groters. Iets blijvends. Iets waarvoor alle aardse schoonheid slechts een voorproefje is. En misschien verklaart dat wel een van de vreemdste eigenschappen van de mens: dat hij zelfs op zijn gelukkigste momenten soms verlangt naar meer. Niet omdat hij ondankbaar is, maar omdat zijn hart groter is gemaakt dan de wereld kan vullen. Zoals een kompasnaald uiteindelijk naar het noorden blijft wijzen, zo blijft het menselijke hart wijzen naar zijn oorsprong, naar zijn bestemming, naar God. En misschien is dat verlangen zelf al een vorm van thuiskomen.

+Rob Mutsaerts

De Kerk wordt niet gered door bureaucraten die menen dat alles anders moet

Er bestaat een eigenaardige vergissing onder moderne mensen: wanneer zij ontdekken dat de Kerk vol zondaars zit, concluderen zij dat het christendom mislukt is. Dat is ongeveer hetzelfde als ontdekken dat een ziekenhuis vol zieken ligt en daaruit afleiden dat geneeskunde niet werkt.

De Kerk heeft nooit beweerd een vereniging van volmaakte mensen te zijn. Zij heeft iets veel vreemders beweerd: dat God besloten heeft Zijn volmaakte waarheid toe te vertrouwen aan buitengewoon onvolmaakte mensen. Wie dat ongeloofwaardig vindt, moet eens naar de apostelen kijken. Petrus verloochende Christus. Thomas geloofde zijn vrienden niet. Jacobus en Johannes maakten ruzie over wie de beste stoel in het Koninkrijk zou krijgen. Judas beheerde de financiën, wat achteraf wellicht een ongelukkige benoeming bleek. En toch begon Christus met hen. Dat is vermoedelijk de eerste reden waarom ik mij niet al te veel zorgen zou maken wanneer iemand pausen, bisschoppen en pastoors rare dingen zeggen. De katholieke Kerk heeft erger overleefd.

De revolutie in de Kerk is merkwaardig omdat zij meestal wordt uitgevoerd door mensen die volhouden dat er helemaal geen revolutie gaande is. De oude revolutionair beklom tenminste een barricade. De moderne revolutionair neemt plaats in een commissie. Hij zegt niet: Wij zullen de leer veranderen.” Hij zegt: Natuurlijk verandert de leer niet; wij gaan haar alleen op een totaal andere manier toepassen.”

Dat gaat zo. De liberaal ziet barmhartigheid en vergeet oordeel. De rigorist ziet oordeel en vergeet barmhartigheid. De revolutionair ziet verandering en vergeet continuïteit. De reactionair ziet continuïteit en vergeet dat levende dingen groeien. De orthodoxe gelovige ziet iets anders: de Kerk moet tegelijk onveranderlijk én levend zijn: zij moet tegelijk gehoorzamen én weerstand bieden aan misbruik van gezag; zij moet tegelijk universeel én bijzonder zijn, zij moet tegelijk Petrus verdedigen én Paulus toestaan Petrus in het aangezicht te weerstaan”.

Het moderne antwoord luidt altijd: we moeten iets nieuws bedenken. Het katholieke antwoord luidt meestal: we moeten opnieuw ontdekken wat wij vergeten zijn. Als katholieken hun geloof niet meer kennen, geef hun dan de catechismus. Als priesters niet meer weten wat het priesterschap is, geef hun dan de Mis. Als bisschoppen vergeten dat zij opvolgers van de apostelen zijn, herinner hen eraan dat de apostelen bijna allemaal als martelaar gestorven zijn en niet als voorzitter van een synodale commissie. Als de liturgie banaal wordt, maak haar weer heilig. Als de moraal wazig wordt, spreek weer helder. Als jonge mensen nergens meer voor willen sterven, geef hun dan eindelijk iets waarvoor het de moeite waard is te leven.

Hoe zit het dan met Rome?  Je hoeft niet te geloven dat iedere gedachte van een paus rechtstreeks uit de hemel is gevallen (ook niet als hij in een vliegtuig zit). Je hoeft ook niet te geloven dat de Kerk ophoudt katholiek te zijn zodra de paus iets onverstandigs doet. Hoe weet ik dat? Ken je kerkgeschiedenis.

De paus is niet de opvolger van Jezus, maar van Petrus (zoals ook paus Leo niet de opvolger is van paus Franciscus, maar van Petrus). Wij geloven dat een goddelijke instelling kan worden bestuurd door mensen die soms buitengewoon menselijke beslissingen nemen. Dat is geen argument tegen het katholicisme. Dat is een argument vóór het katholicisme. Want alleen een instelling die werkelijk van God komt, zou tweeduizend jaar lang zoveel geestelijken kunnen overleven. De Kerk zal niet worden gered door mensen die voortdurend roepen dat alles verloren is. Evenmin zal zij worden gered door bureaucraten die menen dat alles anders moet. Zij zal worden vernieuwd op dezelfde manier waarop zij altijd is vernieuwd: door heiligen.

Men vergeet soms dat Franciscus van Assisi de Kerk niet hervormde door een document over kerkvernieuwing te schrijven. Hij werd heilig. Teresa van Ávila organiseerde geen congres over contemplatieve participatie. Zij bad. Thomas van Aquino maakte het geloof niet relevant door het eenvoudiger te maken. Hij dacht er dieper over na. En Philippus Neri wist iets wat wij soms vergeten: dat een mens heel orthodox kan zijn en toch kan lachen. Misschien is dat zelfs een teken van orthodoxie.

Christus zei dat de poorten van de hel de Kerk niet zouden overweldigen. Hij zei niet dat de poorten van de hel geen lawaai zouden maken. En soms lijkt het alsof vooral de duivel over een goed communicatiebureau beschikt. Maar de katholiek weet iets wat de duivel voortdurend vergeet: de Kerk behoort niet aan ons. Zij behoort aan Christus. Dat is buitengewoon goed nieuws, vooral voor bisschoppen. Wij hoeven de Kerk niet te redden. Wij moeten haar slechts niet verraden. Wij hoeven de waarheid niet opnieuw uit te vinden. Wij moeten haar slechts doorgeven. Wij hoeven geen nieuw christendom te bouwen. Wij moeten eenvoudig opnieuw katholiek worden.

En wanneer men mij vraagt of ik hoop heb voor de toekomst van de Kerk, zou ik antwoorden: Natuurlijk. Niet omdat ik vertrouwen heb in kerkelijke commissies, sociologische voorspellingen of strategische beleidsplannen. Maar omdat op paasmorgen het graf leeg was. En dat is, voor zover ik weet, nog steeds het belangrijkste nieuwsbericht aller tijden.

+Rob Mutsaerts

Massachusetts Governor Healey Grants a “License to Kill”

English Version 

Massachusetts Governor Healey Grants a License to Kill”

On August 10, 2026, Governor Maura Healey signed An Act Prioritizing Patient Access to Care. The law simply provides that, after 24 weeks, an abortion may be performed by a physician. It establishes no new upper gestational limit. The legislature itself described the measure as removing restrictions on abortion. In short, the life of the child may be ended right up until the day of birth.

When a pregnancy is wanted, almost everyone instinctively speaks of the baby.” People look at ultrasound images, count fingers and toes, discuss names, and try to protect the childs life. When exactly the same biologically developing human being is unwanted, however, the language can suddenly become detached: pregnancy tissue,” “product of conception,” or simply fetus.” Some of these terms are medically correct in their proper context, but morally speaking, words can also function as a form of abstraction. A fetus, after all, is not a different kind of being from a baby; fetus” describes a stage of development of one and the same human being, just as newborn,” “toddler,” and adolescent” do. A man of eighty is the same person he was at twenty-five, the same person he was when he first learned to ride a bicycle, and the same person he was when he was still in his mothers womb.

There is no moment between conception, birth, and adulthood at which the living organism is first something non-human and then suddenly becomes human. From fertilization onward, there exists a new, living human organism with its own genetic identity which, unless it is killed or lost through disease, continues to develop from within. It differs from a newborn in size, development, dependence, and location, but not in the fundamental fact that it is the same living individual.

This also explains why, according to Catholic morality, being wanted” cannot be a criterion for the right to life. A three-month-old baby may be completely dependent on others and may place a heavy burden on his parents. Yet no one would conclude from this that he may therefore be killed. The moral principle is precisely the opposite: the more helpless a person is, the greater our duty to protect him.

Here the comparison with a child who has already been born touches upon an important point. Birth is biologically and socially of enormous significance, but it does not suddenly change the identity of the one being born. Five minutes before birth and five minutes afterward, we are not dealing with two different beings. The child changes location and manner of breathing, but not human species or personal continuity. The law itself inadvertently confirms this: killing a child shortly after birth is regarded as murder, whereas killing that same child very shortly beforehand is permitted. Yet it really is the same child.

When the fundamental value of a human being is made dependent upon the wishes of the mother, or upon particular characteristics—independence, consciousness, health, usefulness, being wanted—it becomes difficult to explain in principle why those same criteria could not also be applied to newborns, the severely disabled, people with dementia, or the dying. And this is precisely why the language of wanted” and unwanted” is so problematic. A human being may be unplanned. He may arrive at an inconvenient time. Tragically, he may even appear to be wanted by no one. But from a Catholic perspective, a human being can never become unworthy of life simply because someone else does not want him. If birth becomes the criterion determining whether killing constitutes murder, one must be able to explain what moral transformation occurs during those few inches through the birth canal.

Consider twins. One child is born on Monday at 10:00 a.m. The other is still in the womb at 9:00 a.m. on Monday and could be born later that same morning. There is no event between 9:00 and 10:00 a.m. by which one being suddenly acquires human dignity. The child passes from the womb into the light of day. He changes location and physiological condition, not his nature. At every stage of life, it is the same person.

In France, abortion has now been enshrined as a constitutional right. In the Netherlands, D66—“Death 66,” one might say—explicitly advocates the same in its election manifesto. At the European level, the European Parliament took the same turn in April 2024, adopting a resolution calling for the right to safe and legal abortion” to be added to the Charter of Fundamental Rights of the European Union. A right to dispose of another persons life: it is usually barbaric regimes that regard such a thing as normal.

It is bizarre to seek to enshrine abortion as a fundamental right. A constitution ought to protect the most fundamental rights of the human person, first and foremost the right to life. Yet it would then simultaneously protect a right” that necessarily presupposes that another defenseless human life may be ended. Instead of protecting the weakest against the strongest, constitutional protection is granted to the stronger party to dispose of the life of the weaker.

The designation of abortion as a womens right” is also misleading from a Catholic perspective. Of course women possess exactly the same human dignity and rights as men, and society has a serious obligation to provide genuine support to pregnant women. But no human right can consist in the right directly to kill another innocent human being. Moreover, in approximately half of all cases, the unborn child is herself a girl. Her right to life can hardly be abolished in the name of womens rights.

There is also a strange reversal at work in the contemporary debate. A woman is effectively told that she can only enjoy the same opportunities as a man if, when necessary, she can medically suppress her fertility and terminate a pregnancy. That does not strike me as the liberation of women, but rather as forcing women to adapt to a society that fails to take motherhood sufficiently into account.

+Rob Mutsaerts
Auxiliary Bishop of the Diocese of s-Hertogenbosch

Gouverneur Healey van Massachusetts verleent ‘License to kill’.

Op 10 augustus 2026 ondertekende gouverneur Maura Healey An Act Prioritizing Patient Access to Care. Deze wet bepaalt eenvoudig dat na 24 weken een abortus door een arts mag worden uitgevoerd. Er staat geen nieuwe uiterste zwangerschapsgrens in de wet. De wetgever zelf omschreef de maatregel als het verwijderen van restricties op abortus. Kortom, het leven van het kind mag tot aan de dag van de geboorte beëindigd worden.

Wanneer een zwangerschap gewenst is, spreekt vrijwel iedereen spontaan over de baby”, men bekijkt echos, telt vingers en tenen, bespreekt de naam en probeert het leven te beschermen. Wanneer exact hetzelfde zich biologisch ontwikkelende menselijke wezen ongewenst is, kan het taalgebruik plotseling afstandelijk worden: zwangerschapsweefsel”, product van conceptie” of uitsluitend foetus”. Sommige van die termen zijn medisch correct in hun eigen context, maar moreel gezien kunnen woorden ook functioneren als een vorm van abstractie. Een foetus is immers niet een ander soort wezen dan een baby; foetus” beschrijft een ontwikkelingsfase van een een en dezelfde mens, zoals pasgeborene”, kleuter” en adolescent” dat doen. Een man van 80 is dezelfde persoon als toe hij 25 was, en dezelfde persoon toen hij voor het eerst leerde fietsen en dezelfde persoon toen hij zich nog in de baarmoeder bevond.

Er is geen moment tussen conceptie, geboorte en volwassenheid waarop het levende organisme eerst iets niet-menselijks zou zijn en vervolgens ineens mens zou worden. Vanaf de bevruchting bestaat een nieuw, levend menselijk organisme met een eigen genetische identiteit dat zich, wanneer het niet wordt gedood of door ziekte verloren gaat, van binnenuit verder ontwikkelt. Het verschilt van een pasgeborene in grootte, ontwikkeling, afhankelijkheid en locatie, maar niet in het fundamentele gegeven dat het om hetzelfde levende individu gaat.

Dat verklaart ook waarom gewenstheid” volgens de katholieke moraal geen criterium voor het recht op leven kan zijn. Een drie maanden oude baby kan volledig afhankelijk zijn van anderen en kan voor zijn ouders een zware last betekenen. Toch zou niemand daaruit concluderen dat hij daarom gedood mag worden. De morele regel luidt juist omgekeerd: hoe hulpelozer iemand is, des te groter onze plicht hem te beschermen.

Hier raakt de vergelijking met het reeds geboren kind een belangrijk punt. De geboorte is biologisch en sociaal buitengewoon belangrijk, maar zij verandert niet plotseling de identiteit van degene die geboren wordt. Vijf minuten vóór de geboorte en vijf minuten erna hebben we niet twee verschillende wezens. Het kind verandert van plaats en wijze van ademhalen, maar niet van menselijke soort of persoonlijke continuïteit. De wetgever bevestigt dit ongewild: het doden van een kind kort na de geboorte wordt als moord beschouwd, terwijl het doden van hetzelfde kind zeer kort daarvoor geoorloofd is. Het gaat toch echt om hetzelfde kind.

Wanneer de fundamentele waarde van een mens afhankelijk wordt van de wens van de moeder, of van bepaalde eigenschappen - zelfstandigheid, bewustzijn, gezondheid, nut, gewenstheid - dan wordt het moeilijk om principieel te verklaren waarom diezelfde criteria niet ook zouden kunnen worden toegepast op pasgeborenen, ernstig gehandicapten, dementerenden of stervenden. En precies daarom is de taal van gewenst” en ongewenst” zo problematisch. Een mens kan ongepland zijn. Hij kan ongelegen komen. Hij kan zelfs, tragisch genoeg, door niemand gewenst lijken. Maar uit katholiek oogpunt kan een mens nooit onwaardig om te leven worden doordat iemand anders hem niet wenst. Als geboorte het criterium wordt dat bepaalt of doden moord is, moet men kunnen uitleggen welke morele verandering tijdens die paar centimeter door het geboortekanaal plaatsvindt.

Neem een tweeling. Het ene kind wordt maandag om 10.00 uur geboren. Het andere bevindt zich maandag om 9.00 uur nog in de baarmoeder en zou diezelfde ochtend geboren kunnen worden. Er is geen gebeurtenis tussen 9.00 en 10.00 uur waardoor het ene wezen plotseling menselijke waardigheid ontvangt. Het kind gaat van de moederschoot naar het daglicht. Het verandert van plaats en fysiologische toestand, niet van wezen. Het gaat in elke levensfase om dezelfde persoon.

In Frankrijk is abortus inmiddels een constitutioneel recht. In Nederland pleit D66 (Dood 66) er in haar verkiezingsprogramma expliciet voor. Op Europees niveau ging het Europees Parlement in april 2024 door de bocht:  het nam een resolutie aan die oproept om het recht op veilige en legale abortus” toe te voegen aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het recht om te beschikken over andermans leven; het zijn doorgaans barbaarse regimes die dit een normale zaak vinden.

Het is bizar om abortus als een grondrecht te willen verankeren. Een Grondwet behoort de meest fundamentele rechten van de mens te beschermen, allereerst het recht op leven. Zij zou dan echter tegelijk een recht” beschermen dat noodzakelijk veronderstelt dat een ander, weerloos menselijk leven mag worden beëindigd. Daarmee wordt niet het zwakste beschermd tegen de sterkste, maar krijgt de sterkere partij constitutionele bescherming om over het leven van de zwakkere te beschikken.

Ook de benaming vrouwenrecht” is vanuit katholiek perspectief misleidend. Natuurlijk hebben vrouwen precies dezelfde menselijke waardigheid en rechten als mannen, en een samenleving heeft een zware plicht zwangere vrouwen daadwerkelijk te ondersteunen. Maar geen enkel mensenrecht kan bestaan uit het recht om een andere onschuldige mens rechtstreeks te doden. Het ongeboren kind is bovendien in ongeveer de helft van de gevallen zelf een meisje. Haar recht op leven kan moeilijk worden opgeheven in naam van vrouwenrechten.

Er zit ook een merkwaardige omkering in het hedendaagse debat. Een vrouw wordt feitelijk verteld dat zij pas werkelijk dezelfde kansen heeft als een man wanneer zij haar vruchtbaarheid desnoods medisch kan laten uitschakelen en een zwangerschap kan beëindigen. Dat lijkt mij geen bevrijding van de vrouw, maar eerder het aanpassen van de vrouw aan een maatschappij die onvoldoende rekening houdt met moederschap.

 

+Rob Mutsaerts

Aux. bisschop Bisdom ‘s-hertogenbosch

Maria met ziel èn lichaam in de hemel opgenomen? Waar staat dat in de Bijbel?

Een vriend uit protestantse kring vindt het niet gepast dat katholieken feestdagen hebben die helemaal niet op de bijbel terug te voeren zijn. Zo is hij van mening dat katholieken vieren dat Maria met ziel en lichaam in de hemel is opgenomen niet als waarheid aangenomen kan worden. Want “dat staat nergens in de Schrift. Alles wat daarbij komt - wat jullie ‘Traditie’ noemen - is door jullie verzonnen”.

Vanuit katholiek standpunt zit het probleem dieper dan alleen de vraag: Waar staat de Tenhemelopneming van Maria letterlijk in de Bijbel?” Het gaat uiteindelijk om een fundamenteler verschil tussen katholieken en protestanten: waar heeft Christus de geopenbaarde waarheid aan toevertrouwd? Aan een boek alleen, of aan de Kerk, die zowel Schrift als Traditie bewaart en uitlegt? De Bijbel zelf is uit de Traditie is voortgekomen. Dit gegeven op zich is al een argument tegen sola scriptura.

Een eerste moeilijkheid is enigszins paradoxaal: het beginsel dat alleen de Schrift de onfeilbare regel van het christelijk geloof zou zijn, staat zelf nergens als zodanig in de Bijbel. Integendeel. Paulus schrijft: Blijf dus standvastig, broeders, en houdt u aan de overleveringen waarin gij door ons onderwezen zijt, hetzij mondeling, hetzij per brief.” (2 Tessalonicenzen 2,15). Dat is opvallend. Paulus maakt niet de tegenstelling: Schrift = betrouwbaar; mondelinge overlevering = verdacht. Hij zegt juist dat de christenen moeten vasthouden aan wat apostolisch is overgeleverd, zowel mondeling als schriftelijk.

Ook in 1 Korintiërs 11,2 prijst Paulus de gelovigen omdat zij vasthouden aan de overleveringen” die hij hun heeft doorgegeven. En in 2 Timoteüs 2,2 zegt hij tegen Timoteüs dat hetgeen hij van Paulus gehoord heeft weer moet worden toevertrouwd aan betrouwbare mensen, die op hun beurt anderen kunnen onderrichten. We zien hier precies wat de katholieke Kerk bedoelt met apostolische Traditie: het geloof wordt niet alleen geschreven, maar ook verkondigd, gevierd, geleefd en van generatie op generatie doorgegeven.

Een tweede belangrijk punt is dit: het Nieuwe Testament bestond aanvankelijk helemaal niet. Dit historische gegeven maakt sola scriptura bijzonder problematisch. Op Pinksteren ontstond de Kerk. Maar er lag op Pinksteren geen Nieuwe Testament op tafel. De apostelen gingen de wereld in met: hun prediking, hun getuigenis over Christus, de doop, de Eucharistie, gebeden, liturgische gebruiken, moreel onderricht en kerkelijk gezag. Pas later ontstonden de geschriften die wij nu het Nieuwe Testament noemen. De Kerk bestond dus vóór het Nieuwe Testament.

Sterker nog: gedurende de eerste generaties christendom konden christenen eenvoudigweg niet volgens het protestantse principe sola scriptura leven, omdat de canon van het Nieuwe Testament nog niet vaststond.

Het grootste probleem: waar komt de canon vandaan? Hier wordt het argument nog scherper. Wanneer een protestant zegt: Ik geloof alleen wat in de Bijbel staat,” kan de katholiek antwoorden: Maar hoe weet jij welke boeken bij de Bijbel horen?” In de Bijbel staat nergens een geïnspireerde inhoudsopgave. Geen enkel Bijbelboek zegt: Dit zijn precies de 27 geïnspireerde boeken van het Nieuwe Testament.” Dat moest de Kerk onderscheiden.

In de eerste eeuwen waren er bovendien discussies over bepaalde boeken. Hebreeën, Jakobus, 2 Petrus, Judas en Openbaring werden bijvoorbeeld niet overal onmiddellijk aanvaard. Tegelijkertijd circuleerden allerlei andere christelijke geschriften. De vraag was dus: Welke geschriften behoren werkelijk tot het apostolische geloof? De Kerk heeft de canon niet willekeurig uitgevonden”; zij heeft onder leiding van de Heilige Geest herkend en vastgesteld welke boeken zij als apostolisch en geïnspireerd had ontvangen. Daar ontstaat voor strikt sola scriptura een logisch probleem: Om te weten welke boeken/brieven alleen gezaghebbend zijn, heeft men eerst een buitenbijbels gezag nodig dat zegt welke boeken tot die Schrift behoren. Sola Scriptura kan de Scriptura zelf niet definiëren.

Wat betreft de Traditie: Traditie betekent niet: menselijke gewoontes.  Protestanten wijzen terecht op plaatsen waar Jezus menselijke tradities bekritiseert. Bijvoorbeeld wanneer Hij de farizeeën verwijt dat zij door menselijke overleveringen Gods gebod krachteloos maken. Maar daarmee veroordeelt Christus niet iedere traditie. Dat zou ook in strijd zijn met Paulus, die juist gebiedt de apostolische overleveringen te bewaren. De katholieke theologie maakt daarom een essentieel onderscheid tussen menselijke tradities en de apostolische Traditie.

Een bepaalde gewoonte - de kleur van een kazuifel, een bedevaartgebruik, een lokale devotie - kan veranderen. Maar de apostolische Traditie is iets heel anders. Zij is het doorgeven van datgene wat de apostelen van Christus ontvangen hebben en wat in het leven van de Kerk is bewaard. Daarom spreekt het katholicisme niet eenvoudig over Bijbel plus allerlei oude gewoontes”, maar over één depositum fidei, één geloofsschat, die tot ons komt in Schrift en Traditie.

Dat brengt mij bij de Tenhemelopneming van Maria. De katholieke Kerk beweert niet dat men ergens in het Nieuwe Testament de zin kan vinden: Maria werd aan het einde van haar aardse leven met lichaam en ziel in de hemel opgenomen.” Die zin staat er niet. Maar daarmee is de zaak niet beslist. Want de vraag is niet alleen: Staat het expliciet in de Schrift?”, maar Behoort het tot het geloof dat de Kerk van de apostolische oorsprong heeft ontvangen, en is het in overeenstemming met de Schrift?” Dat is een wezenlijk andere manier van theologiseren. Bovendien kent de Bijbel zelf het verschijnsel van lichamelijke opneming bij God. Henoch wordt door God weggenomen (Genesis 5,24) en Elia wordt in een vurige wagen opgenomen (2 Koningen 2). Het idee dat God een mens op bijzondere wijze lichamelijk tot zich neemt, is dus allerminst onbijbels.

Daar waar God is, is geen bederf. Denk aan God die verschijnt aan Mozes in de brandende braamstruik: deze verteerde niet. Denk aan Jezus die melaatsen aanraakt; Jezus wordt daardoor niet besmet, de melaatse wordt genezen. Denk aan Jezus die begraven wordt in het graf van Jozef van Arimatea: een nieuw graf dat nog geen bederf had gezien. Het bederf, de dood, is een gevolg van de zonde. Maria is zonder erfzonde ontvangen, en heeft derhalve het bederf van de lichamelijke dood niet gekend. Het is passend dat Jezus juist uit haar geboren is. Het verlossingswerk van Jezus heeft bij voorbaat bij Maria haar uitwerking gehad.

Een dogma hoeft niet pas op de dag van zijn afkondiging te zijn ontstaan. Dit wordt vaak verkeerd begrepen. Pius XII definieerde de Tenhemelopneming van Maria in 1950. Daaruit wordt soms geconcludeerd: Zie je wel: die leer is in 1950 bedacht.” Maar dat is ongeveer hetzelfde als zeggen dat de godheid van Christus in 325 tijdens het Concilie van Nicea is uitgevonden. Dat is evident onjuist. Nicea definieerde plechtig wat de Kerk reeds geloofde, juist omdat er discussie over was ontstaan. Hetzelfde geldt voor dogmatische ontwikkeling in het algemeen. Een waarheid kan eeuwenlang in liturgie, gebed, prediking en theologie aanwezig zijn voordat de Kerk haar formeel en exact definieert. De waarheid verandert niet, maar ontvouwd zich wel.

Zo zijn er wel meer geloofspunten die de protestanten aannemen, ondanks dat deze niet terug te voeren zijn op de bijbel. Ook de Drie-eenheid laat het probleem van strikt biblicisme zien. Het woord Drie-eenheid” staat niet in de Bijbel. Evenmin staat ergens letterlijk de latere formule dat God “één wezen in drie Personen” is. Toch aanvaarden vrijwel alle orthodoxe protestanten de Drie-eenheid. Waarom? Omdat de Kerk, op basis van de gehele Schrift en het ontvangen geloof, begrippen heeft ontwikkeld waarmee zij precies kon formuleren wat de Schrift over Vader, Zoon en Heilige Geest leert.

De diepste katholieke gedachte is deze:  Jezus liet geen boek achter, maar een Kerk. Jezus heeft zelf geen boek geschreven. Hij zei ook niet tegen de apostelen: Schrijf alles op, stel een canon samen en laat daarna iedere gelovige voor zichzelf bepalen wat de juiste interpretatie is.” Hij zond apostelen. Hij vertrouwt zijn openbaring toe aan de apostelen. De apostelen geven haar door. Een deel daarvan wordt onder inspiratie van de Heilige Geest op schrift gesteld. Diezelfde apostolische Kerk bewaart, leest en interpreteert die Schrift. Daarom spreekt de katholieke Kerk over drie nauw verbonden werkelijkheden: Schrift - Traditie - Leergezag.

Het christendom begon niet met een boek dat uit de hemel viel. Het begon met Christus. Christus riep apostelen. De apostelen stichtten en onderrichtten de Kerk. Binnen die Kerk ontstonden de geschriften van het Nieuwe Testament. En diezelfde Kerk herkende uiteindelijk welke geschriften Heilige Schrift waren. Daarom kan men vanuit katholiek perspectief de Schrift niet van de Traditie losmaken zonder uiteindelijk de grond onder de Schrift zelf weg te trekken. Wij hebben één apostolisch geloof ontvangen. Een deel daarvan is Schrift geworden; datzelfde geloof is in de levende Traditie van de Kerk doorgegeven. En juist binnen dat geheel moet ook het dogma van Marias Tenhemelopneming worden verstaan.