Brood voor de vogels?

Protestanten ergeren er zich behoorlijk aan dat zij in een katholieke kerk niet ter communie mogen gaan (ND 20/10). De ergernis is begrijpelijk, maar berust op een misverstand. Een nogal fundamenteel misverstand zelfs. Want de vraag is niet wie er aan tafel mag, maar wat er op tafel ligt. Voor veel protestanten is het Avondmaal in de eerste plaats een gedachtenismaaltijd. Men herdenkt het Laatste Avondmaal, men verkondigt de dood van Christus en men beleeft de gemeenschap van de gelovigen.

De katholieke Kerk daarentegen gelooft niet dat de eucharistie een maaltijd is in de vorm van een offer, maar dat zij een offer is in de vorm van een maaltijd. Dat lijkt een subtiel verschil, maar in werkelijkheid is het een wereld van verschil. Bij het Laatste Avondmaal zei Jezus niet: ‘Dit brood symboliseert mijn lichaam.’ Hij zei: ‘Dit is mijn Lichaam.’ En over de kelk zei Hij niet: ‘Deze wijn herinnert aan mijn bloed.’ Hij zei: ‘Dit is mijn Bloed.’ Dat zijn nogal opmerkelijke woorden voor iemand die alleen maar een symbolische maaltijd zou hebben willen instellen. En in Johannes 6 wordt het nog duidelijker. Wanneer Jezus zegt dat zijn vlees werkelijk voedsel is en zijn bloed werkelijk drank, ontstaat er grote opschudding. Zijn toehoorders vinden het onverteerbaar. Verschillende leerlingen verlaten Hem zelfs. Een uitstekend moment, zou je zeggen, om het misverstand recht te zetten. Om te zeggen: ‘Mensen, zo letterlijk moet je het natuurlijk niet nemen. Het is slechts beeldspraak.’ Maar Jezus doet niets van dat alles: Wilt ook gij soms heengaan. Blijkbaar stond er iets wezenlijks op het spel.

Soms wordt tegengeworpen dat het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie pas in de vierde eeuw zou zijn ontstaan. De oorspronkelijke christenen zouden slechts een eenvoudige broederlijke maaltijd hebben gekend. Pas later zou de Kerk daar ingewikkelde theologie van hebben gemaakt. Werkelijk?  Neem Ignatius van Antiochië. Hij leefde aan het begin van de tweede eeuw, dus niet lang na de apostelen. Hij schreef dat bepaalde dwaalleraars zich van de eucharistie onthielden omdat zij niet erkenden dat de eucharistie het vlees is van onze Verlosser Jezus Christus. Dat is geen vierde-eeuwse theologie. Dat is rond het jaar 110. Of neem Justinus de Martelaar, die rond het midden van de tweede eeuw uitdrukkelijk schrijft dat christenen de eucharistische gaven niet als gewoon brood en gewone drank ontvangen, maar als het vlees en bloed van de mensgeworden Christus.

Wie beweert dat het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid pas eeuwen later is ontstaan, moet wel een bijzonder selectieve belangstelling voor de eerste christenen hebben. Natuurlijk werd de leer later nauwkeuriger geformuleerd. Het begrip transsubstantiatie kreeg pas veel later zijn theologische precisie. Maar de Kerk heeft niet eeuwenlang gewoon brood uitgedeeld om vervolgens plotseling te besluiten dat het Jezus zelf was. De theologische woordenschat ontwikkelde zich; het geloof dat ermee werd uitgedrukt, was veel ouder.

En daarmee komen we bij een ander opmerkelijk verschil.

Na de katholieke Mis worden de geconsacreerde hosties die overblijven met grote eerbied bewaard in het tabernakel. Waarom? Omdat Christus niet ophoudt aanwezig te zijn zodra de plechtigheid voorbij is. De hostie is niet na afloop weer gewoon brood geworden. Daarom knielt de katholiek voor het tabernakel. Daarom kennen wij de aanbidding van het Allerheiligste. In protestantse kerken waar het Avondmaal uitsluitend symbolisch wordt opgevat, ligt dat vanzelfsprekend anders. Wat na de viering overblijft, is daar gewoon brood, en het is om die reden niet problematisch om de restanten aan de vogels te geven, iets wat voor katholieken ondenkbaar is.

Het merkwaardige is dat juist katholieken vaak het verwijt krijgen dat zij onvoldoende oecumenisch zijn. Protestanten laten katholieken doorgaans wel toe tot hun Avondmaal, zo wordt gezegd, terwijl katholieken andersom de deur gesloten houden. Maar gastvrijheid kan nooit betekenen dat men doet alsof wezenlijke verschillen niet bestaan. Wanneer een protestant een katholiek uitnodigt aan het Avondmaal, gebeurt dat vanuit zijn eigen opvatting over wat daar plaatsvindt. Wanneer een katholiek een protestant niet zonder meer ter communie toelaat, gebeurt dat eveneens vanuit zijn geloof in wat daar plaatsvindt.

Daar komt nog iets bij. Volgens de katholieke geloofsleer is de eucharistie niet slechts een persoonlijke ontmoeting met Christus, maar ook het sacrament van de eenheid van de Kerk. Wie communiceert, zegt daarmee niet alleen ‘amen’ tegen Christus, maar ook tegen het geloof van de Kerk die deze eucharistie viert. Men kan moeilijk sacramenteel een eenheid uitdrukken die op wezenlijke geloofspunten nog niet bestaat. De katholieke Kerk kent in bijzondere omstandigheden uitzonderingen, maar dat verandert niets aan het uitgangspunt. De communie is niet het middel waarmee men bestaande geloofsverschillen eenvoudig wegpoetst. Zij is de hoogste uitdrukking van een eenheid in geloof die werkelijk aanwezig moet zijn. Dat is geen gebrek aan liefde. Het is een kwestie van waarheid.

Er is nog een reden waarom de katholieke Kerk hier niet lichtvaardig mee kan omgaan. De heilige Mis is niet slechts een herinnering aan Golgotha. Het ene offer van Christus aan het kruis wordt er op sacramentele wijze tegenwoordig gesteld. Jezus wordt niet opnieuw gekruisigd. Zijn offer wordt niet herhaald. Het is hetzelfde offer, dezelfde Hogepriester, hetzelfde Offerlam, maar op onbloedige wijze tegenwoordig gesteld. Dat is de kern van de katholieke eredienst. Op Calvarië gaf Christus zichzelf aan de Vader voor het heil van de wereld. In de eucharistie wordt diezelfde zelfgave sacramenteel tegenwoordig. En vervolgens ontvangen wij Hem die zich voor ons heeft geofferd als voedsel voor onze ziel. Eerst het offer, dan de maaltijd. Of beter gezegd: de maaltijd is de sacramentele deelname aan het offer.

De heilige Mis is geen religieuze bijeenkomst met wat brood en wijn als sfeervolle afsluiting.

De Mis is Golgotha, sacramenteel tegenwoordig onder ons. Daarom staat in het centrum van een katholieke kerk niet zomaar een eettafel, maar een altaar, en richten priester en gelovigen zich bij voorkeur in dezelfde richting.

De oplossing voor de verdeeldheid tussen katholieken en protestanten is dus niet dat we elkaar voortaan overal uitnodigen en de verschillen vriendelijk onder het tapijt vegen. Dat is geen oecumene. Dat is theologische onverschilligheid met een vriendelijk gebaar. Werkelijke eenheid ontstaat niet door de waarheid tussen haakjes te plaatsen, maar door haar samen te zoeken. De katholieke Kerk weigert de communie niet omdat zij haar protestantse broeders en zusters Christus niet gunt. Integendeel. Zij neemt Christus juist zo serieus dat zij niet kan doen alsof zijn werkelijke tegenwoordigheid, zijn offer en zijn Kerk bijkomstigheden zijn.

Uiteindelijk gaat het om één vraag: wat ligt er op het altaar? Is het brood dat naar Christus verwijst? Of is het Christus zelf onder de gedaante van brood? Als het eerste waar is, valt over open tafelgemeenschap best te praten. Maar als het tweede waar is, verandert alles.

Dan hebben we het niet langer over gastvrijheid, maar over aanbidding. En dan is het tabernakel geen broodtrommel. En de geconsacreerde hostie al helemaal geen voer voor de vogels.

+Rob Mutsaerts 

Over een dode man, een onschuldige tijger en een beschaving die haar medemens is vergeten

Er was eens een tijd waarin de dood van een mens aanleiding gaf tot stilte. Tegenwoordig geeft hij aanleiding tot commentaar. En als de dood spectaculair genoeg is, zelfs tot applaus. In het Yorkshire Wildlife Park in Engeland klom een 23-jarige man, William Chapman, over de omheining van een verblijf met een Siberische tijger. Het dier deed wat tijgers nu eenmaal doen. Het viel aan. De man overleed.

De gebeurtenis vond plaats op 10 oktober. Zijn familie is ontroostbaar. En op sociale media? Daar lijkt de tijger op aanzienlijk meer sympathie te kunnen rekenen dan zijn slachtoffer. De tijger had groot gelijk, vinden velen. De man was immers zelf het verblijf binnengegaan. Eigen schuld, dikke bult. De natuur had gesproken. En de natuur, zo weten wij tegenwoordig, heeft altijd gelijk.

Het merkwaardige is dat ik het met het eerste deel nog eens kan zijn ook. De tijger valt inderdaad niets te verwijten. Een tijger is een tijger. Hij heeft geen catechismus gelezen, geen morele verplichtingen onderschreven en vermoedelijk ook geen enkele behoefte aan een cursus geweldloze communicatie. Hij handelt overeenkomstig zijn natuur. Maar dat verklaart nog niet waarom een mens die door een tijger wordt gedood, minder medelijden zou verdienen dan de tijger die hem doodt.

Hier begint het moderne raadsel. Wij leven in een tijd waarin de mensheid haar morele gevoeligheid tot ongekende hoogte meent te hebben ontwikkeld. Wij bekommeren ons om bedreigde diersoorten, gekwetste gevoelens, smeltende ijskappen en de psychologische gesteldheid van huisdieren. Een hond die eenzaam thuiszit, kan rekenen op een maatschappelijk debat. Een ijsbeer op een smeltende ijsschots krijgt een eigen documentaire. Een tijger die een mens doodt, krijgt duizenden sympathiebetuigingen. Maar de dode man? Die had beter moeten weten. Het is een merkwaardige beschaving die steeds gevoeliger wordt voor het lijden van dieren en tegelijkertijd steeds ongevoeliger voor het lijden van mensen.

Natuurlijk is de liefde voor dieren op zichzelf een goede zaak. De christelijke traditie heeft nooit geleerd dat men dieren naar believen mag mishandelen. Franciscus van Assisi sprak zelfs over broeder wolf. Maar hij zou er vermoedelijk van hebben opgekeken wanneer zijn bewonderaars de wolf waren gaan feliciteren met het verslinden van een verdwaalde wandelaar. Het probleem is niet dat wij te veel om dieren geven. Het probleem is dat wij steeds minder lijken te begrijpen wat een mens is. De klassieke christelijke beschaving begon bij een opvatting die tegenwoordig haast revolutionair klinkt: ieder mens bezit een waardigheid die hem niet door anderen wordt verleend en dus ook niet door anderen kan worden afgenomen. Niet omdat hij verstandig is. Niet omdat hij sympathiek is. Niet omdat hij verstandige beslissingen neemt. Niet omdat hij maatschappelijk nuttig is. Maar omdat hij mens is. Dat geldt voor de professor en de dwaas. Voor de heilige en de zondaar. Voor de verstandige huisvader en de jongeman die in een ogenblik van onbegrijpelijke verwarring een tijgerverblijf binnenklimt.

De moderne wereld vindt dit een merkwaardige gedachte. Zij spreekt graag over menselijke waardigheid, maar lijkt haar steeds vaker afhankelijk te maken van menselijk gedrag.

Wie verstandig leeft, gezond is, succesvol functioneert en de juiste opvattingen koestert, mag op respect rekenen. Wie faalt, zich onverstandig gedraagt of niet langer voldoet aan onze verwachtingen, ontdekt soms hoe voorwaardelijk onze compassie is geworden. De menswaardigheid wordt dan geen uitgangspunt meer, maar een beloning voor goed gedrag. Een uiterst dubieuze ontwikkeling, want zodra menselijke waardigheid afhankelijk wordt van verstandige beslissingen, rijst onvermijdelijk de vraag wie eigenlijk verstandig genoeg is om haar te verdienen. De dementerende bejaarde? De verslaafde? De psychiatrische patiënt? Het ongeboren kind? De man die zijn leven volkomen heeft geruïneerd?

Het christendom heeft op deze vraag een buitengewoon praktisch antwoord: allemaal. Het weigert de mens op te geven, zelfs wanneer die zichzelf heeft opgegeven. Het maakt bovendien een onderscheid dat onze tijd bijna vergeten lijkt: het verschil tussen een daad beoordelen en een mens veroordelen. ‘Haat de zonde, houd van de zondaar’ is een typisch christelijke uitspraak. Het was onverstandig om het verblijf van een tijger binnen te gaan. Daarover valt weinig te discussiëren. Maar uit die vaststelling volgt niet dat de dood van de betrokkene een goede afloop was.

De natuur is schitterend, maar zij is niet moreel. Een aardbeving maakt geen onderscheid tussen een misdadiger en een kind. Een virus raadpleegt geen strafblad. Een tijger onderzoekt niet eerst of zijn slachtoffer zich aan de parkvoorschriften heeft gehouden. Juist daarom heeft de mens een geweten gekregen. Niet om de natuur te imiteren, maar om er iets aan toe te voegen wat de natuur zelf niet bezit: barmhartigheid. En hier openbaart zich een van de merkwaardigste paradoxen van onze tijd. De moderne mens heeft zich van God bevrijd omdat hij zelfstandig wilde bepalen wat goed en kwaad is. Vervolgens kijkt hij naar een tijger die een mens doodt en verklaart dat de natuur haar recht heeft laten gelden. Dat lijkt mij geen verbetering.

Wat het verhaal nog pijnlijker maakt, is dat William Chapman geen hypothetische figuur was in een filosofisch debat. Hij was een zoon. Een jonge man met een geschiedenis, met mensen die van hem hielden, en met psychische problemen waarvan de precieze betekenis voor deze tragedie nog wordt onderzocht. Zijn familie heeft het publiek inmiddels opgeroepen te stoppen met het verspreiden van kwetsende beelden. Zelfs de laatste ogenblikken van hun zoon zijn kennelijk niet veilig voor de moderne behoefte aan vermaak. Een mens is gestorven. En zijn dood is content geworden. Misschien is dat wel het meest onthullende woord van onze tijd: content. Het maakt nauwelijks meer uit waarvan. Een dansend katje, een vallende fietser, een huilend kind, een stervende jongeman. Alles wordt opgenomen in dezelfde eindeloze stroom van beelden die onze aandacht opeist, onze emoties prikkelt en vervolgens onmiddellijk plaatsmaakt voor het volgende spektakel.

Wij weten steeds meer over wat er overal ter wereld gebeurt, maar schijnen steeds minder te beseffen wat het betekent.

Een beschaving hoeft niet ten onder hoeft te gaan doordat zij haar verstand verliest. Het kan ook gebeuren doordat zij haar vanzelfsprekendheden vergeet. Dat een kind bescherming verdient. Dat zwakheid geen misdaad is. Dat een dwaas nog altijd onze naaste is. En dat de dood van een mens geen aanleiding vormt voor gejuich. Het meest verontrustende aan de reacties op deze tragedie is daarom niet dat mensen sympathie voelen voor de tijger. Dat mag. Het dier treft inderdaad geen blaam. Het verontrustende is dat sommigen kennelijk menen te moeten kiezen tussen medelijden met de mens en sympathie voor het dier. Je behoort beide te zijn. Dat is geen tegenspraak. Dat is beschaving.

Misschien moeten we daarom weer eens beginnen met een eenvoudige gedachte. Niet ieder mens handelt verstandig. Niet ieder mens handelt goed. Niet ieder mens maakt zijn leven tot een succes. Maar ieder mens blijft een mens. En wie dat onderscheid niet meer kan maken, heeft misschien heel veel geleerd over de rechten van dieren, maar iets wezenlijks vergeten over de waardigheid van mensen. De tijger wist niet beter. Hij handelde naar zijn natuur. De vraag is waarom zoveel mensen, die wél beter kunnen weten, hun eigen natuur lijken te vergeten. Het bijzondere aan de mens is dat hij medelijden kan hebben met degene die zwakker is dan hijzelf. Zelfs met iemand die een verschrikkelijke vergissing heeft begaan. En vooral met iemand die er niet meer is om zichzelf te verdedigen.

+Rob Mutsaerts


Er ligt een kind. Het leeft. Wat nu? Zoals we gewend zijn kijkt het CDA dan liever weg.

Er zijn vragen waarover een mens moet nadenken. En er zijn vragen waarop een mens niet hoeft na te denken omdat het antwoord vanzelfsprekend is.  Zo'n vraag stelde SGP-Kamerlid Diederik van Dijk aan CDA'er André Poortman. Wat moet een ziekenhuismedewerker doen wanneer bij een late zwangerschapsafbreking een kind levend ter wereld komt?

Een buitengewoon eenvoudige vraag. Er ligt een kind. Het leeft. Wat nu? Het antwoord van Poortman was onthutsend: "Ik wil eigenlijk geen antwoord geven op deze vraag." Dat is een opmerkelijk antwoord voor een volksvertegenwoordiger. Het is een nog opmerkelijker antwoord voor een volksvertegenwoordiger van een partij die de C van christelijk in haar naam draagt. Men zou immers mogen verwachten dat een christendemocraat, geconfronteerd met een levend kind, ten minste weet dat het kind leeft en dat dit gegeven consequenties heeft. Maar blijkbaar is zelfs dat tegenwoordig een ingewikkelde kwestie voor een CDA-er.

Poortman wilde het debat liever op een later moment, in alle rust, voortzetten. Hij wees op de tragiek waarmee een late abortus gepaard kan gaan. Dat laatste is natuurlijk waar. Maar tragiek is geen argument tegen het beschermen van een mensenleven. Integendeel, juist in tragische omstandigheden blijkt of onze principes werkelijk principes zijn, of slechts aangename versieringen voor wanneer het leven gemakkelijk is. Het CDA lijkt inmiddels een bijzondere vorm van christendemocratie te hebben ontwikkeld: het christelijke beginsel wordt hooggehouden zolang niemand vraagt wat het in de praktijk betekent. Zodra zich in de praktijk een geval voordoet, wordt er een commissiedebat georganiseerd. Eerst kijken, dan denken, dan wegkijken. Je zou ook iets anders kunnen doen: kijk gewoon, vertrouw op je zintuigen, gebruik je ogen.

Voordat wij een ethische commissie bijeenroepen, voordat wij deskundigen raadplegen, voordat wij een beleidsnotitie schrijven over de spanning tussen zelfbeschikking en beschermwaardigheid, zouden wij iets heel eenvoudigs kunnen doen. Kijken. Wat zien we? We zien een kind. Niet een mogelijke toekomstige mens, niet een verzameling cellen die wellicht ooit tot een mens zou kunnen uitgroeien, niet een abstract juridisch probleem. Wij zien een menselijk wezen met armen, benen, een gezichtje en een kloppend hartje. Bij sommige vormen van instrumentele abortus worden instrumenten gebruikt waarmee ledematen van het lichaam van het ongeboren kind worden afgerukt met een tang. Dit roept een vraag op die geen geleerde verhandeling nodig heeft: wat gebeurt hier? Een levend kind wordt het leven ontnomen. Men kan er allerlei moeilijke woorden voor bedenken. Men kan spreken over reproductieve gezondheidszorg, vrouwenrechten, medische interventies en zwangerschapsonderbreking. Men kan zelfs proberen het kind uit de beschrijving te laten verdwijnen. Maar het kind verdwijnt niet omdat wij een ander woord gebruiken. Een mens kan de werkelijkheid niet veranderen door zijn woordenboek aan te passen.

Zoals wel vaker als het om morele kwesties gaat doet men enorm zijn best om iets heel eenvoudigs niet te begrijpen. Hij kan uitvoerig uiteenzetten waarom twee plus twee in bepaalde maatschappelijke omstandigheden misschien toch vijf zou kunnen zijn, maar een kind dat nog maar nauwelijks kan tellen, weet beter. Hetzelfde geldt hier. Om te begrijpen dat een hulpeloos kind bescherming verdient, heeft men geen universitaire studie ethiek nodig. Men heeft ogen nodig, een geweten en een minimum aan gezond verstand. En misschien is dat laatste tegenwoordig wel de zeldzaamste van de drie.

De Bijbel is overigens niet nodig om te beseffen dat het hier om een kind gaat. Er wordt weleens gedaan alsof verzet tegen abortus uitsluitend een religieuze aangelegenheid is. Alsof men eerst in God moet geloven om te begrijpen dat het doden van onschuldig menselijk leven een moreel probleem vormt. Dat is een merkwaardige gedachte. Ik heb de Bijbel niet nodig om te weten dat een pasgeboren kind een mens is. Ik hoef het boek Genesis niet open te slaan om vast te stellen dat een kind in de baarmoeder tot dezelfde menselijke soort behoort als een kind daarbuiten. En ik hoef niet eerst het vijfde gebod te citeren om te begrijpen dat het opzettelijk vernietigen van weerloos menselijk leven een morele rechtvaardiging vereist.

De Bijbel verdiept ons inzicht in de waardigheid van het menselijk leven. Hij leert ons dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. Dat is een buitengewoon verheven waarheid. Maar zelfs wie daar niets van gelooft, kan begrijpen dat een mens geen ding is. Dat is nu juist de kracht van het natuurrecht, zoals Thomas van Aquino dat verstond. Goed en kwaad zijn niet uitsluitend te kennen via de openbaring. De menselijke rede kan wezenlijke morele waarheden ontdekken omdat zij in staat is de menselijke natuur te begrijpen. Het christendom heeft het morele besef niet uitgevonden. Het heeft het verdiept, gezuiverd en vervolmaakt. Men hoeft niet katholiek te zijn om tegen slavernij te zijn. Men hoeft niet protestants te zijn om marteling af te keuren. En men hoeft niet christelijk te zijn om te begrijpen dat een hulpeloos kind geen toestemming van de meerderheid nodig heeft om te mogen leven.

Sterker nog: wanneer een christelijke politicus aarzelt waar een ongelovige eenvoudigweg zou zeggen dat een levend geboren kind beschermd moet worden, dan is er iets merkwaardigs aan de hand. Dan is niet het christendom te ver gegaan, maar de christendemocraat niet ver genoeg. Er schuilt bovendien een wonderlijke tegenstrijdigheid in de manier waarop wij over ongeboren kinderen spreken. Een kind dat te vroeg geboren wordt en voor zijn leven vecht, kan rekenen op de inzet van een heel medisch team. Artsen, verpleegkundigen, couveuses en gespecialiseerde apparatuur worden ingezet om dat kleine leven te redden. Terecht. Maar wanneer een kind van vergelijkbare zwangerschapsduur levend ter wereld komt na een zwangerschapsafbreking, ontstaat kennelijk een ingewikkeld ethisch probleem.

Wat is er veranderd? Niet het wezen van het kind. Niet zijn kwetsbaarheid. Niet zijn vermogen om pijn te ervaren. Niet zijn afhankelijkheid van anderen. Wat is veranderd, is de bedoeling waarmee de zwangerschap eindigde. En daar ligt de morele absurditeit. Het ene kind moest worden gered. Het andere was niet bedoeld om te blijven leven. Maar sinds wanneer wordt de waarde van een mens bepaald door de bedoelingen van een ander? Als menselijke waardigheid werkelijk inherent is aan het mens-zijn, kan zij niet afhankelijk zijn van de vraag of iemand gewenst is. Anders spreken wij niet meer over mensenrechten, maar over gunsten die de ene mens aan de andere verleent.

Een kind is geen kind omdat het gewenst is.

En de rechten van de vrouw? Natuurlijk zal iemand nu tegenwerpen dat wij de rechten van de vrouw niet mogen vergeten. Haar gezondheid, haar vrijheid, haar angsten en haar soms onvoorstelbare verdriet verdienen het uiterste respect. Maar dat beantwoordt de vraag van Van Dijk niet. Hij vroeg niet of de overheid een zorgmedewerker tot een bepaalde ‘medische behandeling’ mag overgaan. Hij vroeg wat een zorgmedewerker behoort te doen wanneer er een levend geboren kind voor hem ligt. Dat kind bevindt zich inmiddels buiten het lichaam van de moeder. Het is een afzonderlijke patiënt. Welke rechten van de vrouw zouden ermee worden geschonden wanneer een verpleegkundige dat kind warmte, verzorging en medisch passende hulp biedt?

Wat mij in deze kwestie misschien nog het meest verbaast, is niet dat een christendemocraat een moeilijke vraag krijgt voorgelegd. Dat hoort bij zijn vak. Wat mij verbaast, is dat hij weigert een antwoord te geven op een vraag die de kern raakt van de christelijke mensvisie. Het CDA beroept zich graag op menselijke waardigheid, solidariteit en gespreide verantwoordelijkheid. Prachtige woorden. Alleen hebben woorden de hinderlijke eigenschap dat zij soms iets betekenen.

Solidariteit betekent bijvoorbeeld dat wij ons het lot aantrekken van degene die zichzelf niet kan verdedigen. Menselijke waardigheid betekent dat iemand waarde heeft vóórdat wij een oordeel over hem uitspreken. En verantwoordelijkheid betekent dat wij juist handelen wanneer handelen iets kost.

Een partij die deze beginselen werkelijk serieus neemt, zou toch minstens één ding met overtuiging moeten kunnen zeggen: een levend geboren kind verdient bescherming, ongeacht de omstandigheden waaronder het ter wereld is gekomen. Dat betekent niet dat iedere medische casus eenvoudig is. Het betekent dat de morele uitgangspositie helder moet zijn. Maar juist daar lijkt het CDA een bijzondere moeite mee te hebben. De partij beschikt over een bewonderenswaardig vermogen om principiële kwesties te veranderen in bestuurlijke vraagstukken. Zodra een moreel beginsel ongemakkelijk wordt, verschijnt er een afwegingskader. Zodra een duidelijke uitspraak nodig is, ontstaat er behoefte aan nadere beraadslaging. Men zou haast denken dat de C in CDA tegenwoordig staat voor Commissie. Het christendemocratische gedachtegoed wordt dan een soort antiek familiestuk. Men is er trots op, men vertelt graag hoe waardevol het is en men laat het bij bijzondere gelegenheden zien. Maar zodra iemand voorstelt het daadwerkelijk te gebruiken, wordt men nerveus. En zo wordt voorzichtigheid langzamerhand een dekmantel voor beginselloosheid.

Een beschaving wordt beoordeeld aan haar zwaksten.

De werkelijke toetssteen van een beschaving is niet hoe zij omgaat met succesvolle, gezonde en onafhankelijke mensen. Die redden zich meestal wel. De toetssteen is hoe zij omgaat met degenen die niets hebben om mee te onderhandelen. Met de ernstig gehandicapte, de stervende, de dementerende, de pasgeborene. Een kind kan geen verkiezingen winnen. Het kan geen demonstratie organiseren. Het kan geen opiniestuk schrijven. Het kan geen rechten opeisen en geen beroep doen op de publieke opinie. Een baby is niet minder mens dan een hoogleraar omdat de hoogleraar meer weet. Een gehandicapte is niet minder mens dan een atleet omdat de atleet meer kan. En een ongewenst kind is niet minder mens dan een gewenst kind omdat de omgeving anders over hem denkt. Dit is eenvoudig de consequentie van het gelijkheidsbeginsel.

Laten wij daarom terugkeren naar het begin. Een kind komt levend ter wereld. Het ademt. Het beweegt. Misschien huilt het. Misschien is het ernstig ziek. Misschien is zijn levensverwachting bijzonder kort. Wat moet een ziekenhuismedewerker doen? Ervoor zorgen. Punt. Niet noodzakelijkerwijs alles doen wat technisch mogelijk is. Wel alles wat medisch verantwoord en menselijk geboden is. Het kind behandelen als mens, als patiënt, als iemand die niet minder bescherming verdient omdat zijn komst niet was voorzien of gewenst. Dat is het antwoord.

Geen ingewikkelde theologie. Geen uitvoerige exegese. Geen drie commissievergaderingen, een studiegroep en een beleidsnotitie. Gewoon het antwoord dat iedere behoorlijke beschaving zou moeten kennen.

 

+Rob Mutsaerts

Afgesneden bloemen bloeien maar kort.

Afgesneden bloemen bloeien maar kort.

Schitterend boek Fulton Sheen

On the Demonic is strikt genomen geen boek van pater Dave Tomaszycki, maar een door hem samengesteld en geredigeerd boek van Fulton J. Sheen. Tomaszycki doorzocht jarenlang Sheens archieven, toespraken, artikelen en ongepubliceerde teksten en reconstrueerde daaruit, vrijwel geheel in Sheens eigen woorden. Sheen’s belangstelling voor het demonische is opmerkelijk nuchter. De duivel interesseert hem niet als curiositeit, maar als realiteit. Hij probeert te begrijpen wat het kwaad doet met waarheid, vrijheid, menselijkheid en uiteindelijk met de verhouding tussen mens en God. Dat maakt On the Demonic veel interessanter dan een boek over demonen alleen. Het is eigenlijk een boek over de moderne mens.

Duivels karikatuur

De duivel is bij Sheen niet zozeer een schepper van een alternatieve wereld dan wel een karikatuur van Gods wereld. Hij neemt wat goed is en perverteert het. Liefde wordt begeerte. Vrijheid wordt willekeur. Gelijkheid wordt uniformiteit. Autoriteit wordt macht. Seksualiteit wordt consumptie. Religie wordt ideologie. En zelfs medelijden kan worden losgemaakt van waarheid. Dat is een van de centrale inzichten van het boek: het demonische verschijnt zelden als openlijk kwaad. Het verschijnt vaak als een geperverteerd goed. Het goede wordt om-gekeerd, per-verteerd.

Daarom besteedt Sheen zoveel aandacht aan de bekoringen van Jezus in de woestijn. Hij ziet daarin niet slechts drie incidenten aan het begin van Jezus’ openbare leven. Zij bevatten volgens hem het gehele programma van het demonische. De duivel biedt Christus telkens een christendom zonder kruis aan. Maak stenen tot brood. Spring van de tempel en bewijs door een spectaculair wonder wie U bent. Aanbid mij en ontvang de koninkrijken van de wereld. Met andere woorden: geef de mens welvaart zonder bekering, wonderen zonder geloof en macht zonder offer. Het evangelie zegt dat redding komt door waarheid, bekering, offer en liefde. De verleiding zegt: het kan ook zonder.

Iedere poging het christendom aantrekkelijk te maken door het kruis eruit te verwijderen, draagt volgens Sheen uiteindelijk iets van die oorspronkelijke bekoring in zich. Een Kerk die Christus wil zonder Golgotha, barmhartigheid zonder waarheid, verrijzenis zonder Goede Vrijdag, en leerlingschap zonder zelfverloochening, houdt uiteindelijk weinig meer over dan religieus sentiment.

Naaktheid, geweld en schizofrenie

Een cultuur kan volgens Sheen demonische trekken aannemen wanneer zij systematisch datgene omkeert - perverteert - wat menselijk is. Daarom behandelt On the Demonic drie opvallende verschijnselen die hij als tekenen van demonische beïnvloeding beschouwt: 1. een obsessie met naaktheid, 2. geweld en wat hij een 3. “schizophrenic mentality” noemt.

1- Met het eerste - obsessie met naaktheid - bedoelt Sheen méér dan onzedelijkheid. Naaktheid symboliseert voor hem het verdwijnen van schaamte. Het menselijk lichaam wordt niet langer gezien als iets dat deelheeft aan de waardigheid van de persoon, maar wordt een object dat bekeken, verhandeld en geconsumeerd kan worden. Een cultuur kan voortdurend spreken over lichamelijke autonomie en tegelijkertijd het lichaam steeds sterker commercialiseren. Zij kan seksuele bevrijding beloven en tegelijk seksualiteit losmaken van trouw, huwelijk, vruchtbaarheid en verantwoordelijkheid. Sheen zou daarin geen bevrijding zien, maar fragmentatie. Het lichaam wordt losgemaakt van de persoon. Seks wordt losgemaakt van liefde. Liefde wordt losgemaakt van offer. En uiteindelijk wordt vrijheid losgemaakt van waarheid.

2- Met het tweede - geweld - denkt Sheen niet uitsluitend aan criminaliteit of oorlog. Geweld ontstaat volgens hem wanneer de mens ophoudt de ander als persoon te zien. Wanneer God uit het beeld verdwijnt, verdwijnt uiteindelijk ook het diepste fundament van de menselijke waardigheid. De mens wordt dan gemakkelijker gereduceerd tot economische eenheid, biologisch organisme, seksuele geaardheid, lid van een klasse of vertegenwoordiger van een ras. De twintigste eeuw leverde Sheen overvloedig materiaal voor deze analyse: communisme, nationaalsocialisme, wereldoorlogen en totalitaire staten. Maar zijn gedachte reikt verder. Zodra mensen categorieën belangrijker gaan vinden dan personen, ontstaat de mogelijkheid van ontmenselijking. (C.S. Lewis schreef hier al eerder over in zijn boek ‘The abolition of man’). De ander is dan niet langer iemand die men moet liefhebben of overtuigen, maar iemand die in de weg staat. Daarom ziet Sheen een innerlijke verwantschap tussen leugen en geweld. Wie de werkelijkheid niet langer kan overtuigen, probeert haar uiteindelijk te dwingen.

3-  Sheen gebruikt de term “schizophrenic mentality” niet primair als psychiatrische diagnose, maar als culturele metafoor. De moderne mens raakt volgens Sheen verdeeld in zichzelf. Hij wil vrijheid zonder verantwoordelijkheid; seksualiteit zonder consequenties; rechten zonder plichten; welvaart zonder offers; moraliteit zonder objectieve waarheid, en christendom zonder kruis. Daaruit ontstaat een merkwaardige geestelijke situatie. De mens wil tegelijkertijd twee tegengestelde dingen en weigert te erkennen dat zij met elkaar botsen. Hij wil volledig autonoom zijn en verlangt tegelijkertijd dat anderen zijn keuzes bevestigen. Hij verklaart dat waarheid relatief is maar spreekt morele oordelen uit met grote absolute zekerheid. Hij ontkent een objectieve menselijke natuur maar beroept zich voortdurend op menselijke waardigheid. Daarin ziet Sheen iets demonisch, omdat de duivel volgens de Schrift vanaf het begin de grote verdeler - diabolos - is. Het demonische maakt dus niet alleen ruzie tussen mensen. Het verdeelt de mens ook in zichzelf.

Christendom zonder Christus

Een aanzienlijk gedeelte van het boek behandelt de Antichrist en de eindtijd. De Antichrist zal niet verschijnen als iemand die openlijk zegt: “Ik ben tegen Christus.” Dat zou te eenvoudig zijn. Het demonische imiteert. Daarom zal het kwaad zich presenteren in de taal van het goede. Het zal spreken over vrede, menselijkheid, broederschap en misschien zelfs over religie — maar Christus eruit verwijderen. Dat is Sheens belangrijkste waarschuwing. De uiteindelijke verleiding van de christelijke wereld zal niet noodzakelijk atheïsme zijn. Het kan ook christendom zonder Christus zijn. Een religie van broederschap zonder Vader. Een moraal zonder waarheid. Een vrede zonder bekering. Een Koninkrijk zonder Koning.

Een van Sheens grote kwaliteiten als apologeet is dat hij begrijpt dat mensen vrijwel nooit voor kwaad kiezen omdat het kwaad is. Wij kiezen een kwaad omdat daarin iets goeds verscholen zit. Niemand verlangt naar verslaving als verslaving; men verlangt naar plezier. Niemand verlangt naar leugen omwille van de leugen; men verlangt naar voordeel, reputatie of bescherming. Niemand verlangt naar tirannie als zodanig; men verlangt naar orde, veiligheid of gelijkheid. Satan heeft daarom volgens Sheen altijd behoefte aan waarheid. Niet omdat hij de waarheid liefheeft, maar omdat een leugen alleen geloofwaardig wordt wanneer zij voldoende waarheid bevat. Een bankbiljet wordt vervalst omdat echte bankbiljetten waarde hebben. Niemand maakt een vals biljet van 12 euro omdat er geen echt biljet van 12 euro bestaat. Zo werkt ook het kwaad. Het imiteert wat werkelijk waardevol is. Daarom is onderscheiding zo belangrijk. De christelijke strijd bestaat niet slechts uit de keuze tussen iets dat duidelijk goed is en iets dat duidelijk afschuwelijk is. De keuze is vaak tussen het goede en iets wat goed lijkt.

De drie grote wapens

Daarmee komen we bij het meest verrassende deel van het boek. Na uitvoerig over het kwaad gesproken te hebben, geeft Sheen geen ingewikkelde technieken voor geestelijke oorlogsvoering. Hij keert juist terug naar het centrum van het christelijk geloof. De drie grote wapens die hij noemt zijn: de naam van Jezus, het bloed van Christus, en Maria.

Dan volgen hoofdstukken over het kruis en Holy Hour, het uur van aanbidding dat Sheen zelf gedurende tientallen jaren dagelijks onderhield. Daarmee krijgt het boek zijn juiste perspectief. De centrale figuur van On the Demonic is uiteindelijk niet Satan. Het is Christus.

Daarmee blijkt On the Demonic uiteindelijk nauwelijks een boek over merkwaardige bovennatuurlijke verschijnselen. Het is een boek over de menselijke weigering schepsel te zijn - denk aan de weigering van Adam en Eva. Satan kan christelijke woorden behouden en hun betekenis veranderen: barmhartigheid zonder bekering; naastenliefde zonder waarheid. Verlossing zonder kruis. Dat zijn niet simpelweg vergissingen. Voor Sheen behoren zij tot een fundamenteel geestelijk patroon: men wil de vruchten van het christendom behouden nadat men de wortels heeft afgesneden. Maar afgesneden bloemen blijven niet eeuwig bloeien.

Zijn boodschap is uiteindelijk bijna klassiek benedictijns: blijf dicht bij Christus, leef sacramenteel, bid, vereer de Eucharistie, neem het kruis op, wees niet bang voor offers en vertrouw op Maria. Daarom eindigt Sheens denken over het demonische waar eigenlijk al zijn denken eindigt: bij het kruis en de Eucharistie.

Dave Tomaszycki. Erzbishof Fulton J. Sheen: Uber das Dämonische Een aanrader!!

+Rob Mutsaerts

 


 

 

 

 

 

 

 

De misleidende tactiek van de Stille Revolutie

De katholieke Kerk heeft in tweeduizend jaar vrijwel alles meegemaakt wat een instituut kan overkomen: slechte pausen, corrupte bisschoppen, ketterijen, schisma’s, revoluties, vervolgingen, decadente kloosters, losbandige geestelijken en theologen die zo origineel wilden zijn dat uiteindelijk alleen zijzelf nog begrepen wat zij bedoelden.

En toch staat de Kerk er nog. Niet omdat katholieken altijd verstandig waren. Dat zou een nogal gewaagde historische hypothese zijn. De Kerk overleefde omdat er steeds opnieuw één merkwaardig verschijnsel optrad: na de rook, de ruzie en de intellectuele acrobatiek bleek de katholieke orthodoxie een buitengewoon lange adem te hebben. Arius verdween, Nicea bleef. De katharen verdwenen, het Credo bleef. Jansenisme, modernisme en tientallen andere modes kwamen op als de toekomst en eindigden als voetnoot. Het katholicisme heeft een vrij eenvoudige lakmoesproef: continuïteit. Vandaar het belang van Traditie, van het overgeleverde geloofsgoed.

Dat betekent niet dat er nooit iets mag veranderen. De liturgie heeft zich ontwikkeld, het kerkelijk recht is veranderd, kerkelijke disciplines zijn gewijzigd, theologische formuleringen zijn verfijnd. Een eik ziet er na vijfhonderd jaar anders uit dan toen hij een eikel was. Maar wanneer uit die eikel plotseling een tulp groeit, is “ontwikkeling” niet meer het juiste woord. Dáár ligt het probleem van de huidige kerkelijke crisis. Want er vindt geen spectaculaire bestorming van het Vaticaan los. Eerst blijft de leer hetzelfde. De moderne kerkelijke formule luidt ongeveer als volgt: “De leer verandert natuurlijk niet, maar onze pastorale benadering moet veranderen.” Dat klinkt geruststellend. Totdat de pastorale praktijk jarenlang precies het tegenovergestelde communiceert van de leer die zogenaamd ongewijzigd is gebleven.

Neem Duitsland. De Duitse Synodale Weg heeft niet slechts gesproken over bestuurlijke hervormingen of betere controle op bisschoppelijke macht. Op de officiële agenda stonden seksualiteit, homoseksualiteit, de positie van vrouwen in kerkelijke ambten en de structuur van het kerkelijk gezag. In 2023 nam de Synodale Weg zelfs een besluit aan waarin werd gevraagd om officiële zegenvieringen voor onder meer homoseksuele en hertrouwde stellen, compleet met te ontwikkelen liturgische vormen.

Rome zag het probleem zelf ook. De Heilige Stoel verklaarde in 2022 uitdrukkelijk dat de Duitse Synodale Weg niet bevoegd was nieuwe vormen van bestuur of nieuwe richtingen inzake leer en moraal op te leggen, omdat dit een “wond voor de kerkelijke communio” en een bedreiging voor de eenheid van de Kerk kon vormen. Dat is nogal een mededeling. Wanneer Rome een proces dat door bisschoppen wordt geleid publiekelijk moet waarschuwen dat het geen nieuwe moraal mag invoeren, spreken we kennelijk niet uitsluitend over de mistijden.

En ondertussen gaat het proces verder. In april 2025 publiceerden vertegenwoordigers van de Duitse bisschoppenconferentie en het ZdK een handreiking waarin de zegenpraktijk voor hertrouwd gescheidenen, paren van alle seksuele oriëntaties en andere niet-kerkelijk gehuwde stellen uitdrukkelijk werd aangemoedigd. En wederom “niet de oude leer is fout”, maar Wij begeleiden mensen.” Niet: “de moraal verandert.” Dit is “pastorale nabijheid.” Wie bezwaar maakt, krijgt daardoor al snel de merkwaardige rol van farizeeër toegewezen. De vernieuwer bezit de liefde; de orthodoxe katholiek bezit kennelijk slechts het wetboek. Dat is retorisch bijzonder handig.

Hetzelfde probleem werd zichtbaar rond Fiducia supplicans. Dat document uit 2023 houdt formeel uitdrukkelijk vast aan de katholieke huwelijksleer. Het zegt zelfs dat homoseksuele verbintenissen niet met het huwelijk mogen worden verward en dat de bedoelde zegeningen geen liturgische huwelijksachtige vorm mogen aannemen. Tegelijkertijd staat het toe dat paren van hetzelfde geslacht spontaan kunnen worden gezegend. Men moet wel buitengewoon naïef zijn om te denken dat symbolische handelingen geen boodschap hebben.

Een dag na de publicatie zegende de Amerikaanse jezuïet James Martin een homoseksueel getrouwd paar in New York, terwijl de pers erbij aanwezig was. Formeel kun je zeggen: er werd geen huwelijk gesloten. Materieel zag de halve wereld: twee mannen die als echtpaar leven ontvangen samen van een katholieke priester een zegen.

En daar komt het merkwaardige onderscheid weer tevoorschijn: “Wat u ziet is niet wat wij bedoelen.” Dat is op den duur een moeilijke pastorale strategie. De sacramentele taal van de Kerk bestaat immers juist uit zichtbare tekenen. Wanneer wij jarenlang leren dat gebaren betekenis hebben, kunnen wij moeilijk ineens beweren dat een kerkelijke zegen uitsluitend moet worden begrepen via de voetnoten van een Romeins document.

En dan bisschop Johan Bonny van Antwerpen. In maart 2026 verklaarde hij dat hij ernaar streeft in Antwerpen in 2028 gehuwde mannen tot priester te wijden (na een extreem korte voorbereidingsperiode; voor het priesterschap is echt de nodige jaren meer nodig). Hij formuleerde het zelfs zo dat de vraag volgens hem niet langer is of, maar wanneer het zal gebeuren. Inmiddels worden kandidaten voorbereid, terwijl voor de daadwerkelijke wijding toestemming van Rome nodig blijft. En precies dát is illustratief voor de nieuwe kerkelijke bestuursstijl. Eerst creëert men de verwachting. Dan organiseert men de praktijk. Vervolgens vraagt men Rome de inmiddels ontstane werkelijkheid te regulariseren. De vraag is niet Wat staat de Kerk toe?, maar wat kunnen wij alvast doen zodat de Kerk het later moeilijk kan terugdraaien? Dat is geen synodaliteit. Dat is fait-accompli-theologie.

En daarmee komen we bij paus Franciscus. Zijn pontificaat heeft een cultuur bevorderd waarin onduidelijkheid opvallend vaak progressief werd geïnterpreteerd. De formule was steeds ongeveer dezelfde: de leer blijft intact, maar het concrete geval is ingewikkeld; normen blijven bestaan, maar men moet onderscheiden; de doctrine is duidelijk, maar de pastorale toepassing kan verschillen. Op zichzelf is daar niets onkatholieks aan. Thomas van Aquino wist ook dat prudentia op concrete omstandigheden moet worden toegepast. Maar wanneer vrijwel iedere uitzondering dezelfde richting uitgaat, wordt het legitiem te vragen of wij nog met uitzonderingen te maken hebben.

Er is reden je hierover ongerust te maken. Waarom? Lees de kerkgeschiedenis. Kerkelijke omwentelingen zelden beginnen met de mededeling: “Vanaf maandag schaffen wij tweeduizend jaar katholieke traditie af.” Het gaat anders. Eerst wordt gezegd dat een leer verkeerd wordt “begrepen”. Daarna dat de terminologie “kwetsend” is. Vervolgens dat niemand de leer wil veranderen, maar dat er “pastorale ruimte” nodig is. Daarna ontstaan plaatselijke experimenten. De experimenten worden praktijk. De praktijk schept verwachtingen. De verwachtingen worden “geleefde werkelijkheid”. En tenslotte wordt degenen die de oorspronkelijke leer verdedigen gevraagd waarom zij zo star vasthouden aan een inmiddels achterhaalde formulering. Dat is de stille revolutie!

Niet de ontkenning van het dogma, maar zijn verdamping. Niet: “Dit is niet langer waar, maar: “Daar moeten we tegenwoordig genuanceerder over spreken.” Niet: “De zesde gebod geldt niet meer, maar: “Wij moeten vermijden mensen met regels te belasten.” Niet: “Het priesterschap verandert, maar: “De behoeften van de lokale gemeenschap vragen om nieuwe vormen.” Zo kan een leer formeel nog jarenlang in de Catechismus staan terwijl zij pastoraal steeds minder functioneert.

Soms moet de Kerk nieuwe woorden vinden om dezelfde waarheid verstaanbaar te verkondigen. Maar juist daarom is de beslissende vraag niet: verandert er iets? De vraag luidt: Is hetgeen verandert herkenbaar als organische ontwikkeling van hetgeen eraan voorafging, of is er een breuk met het voorafgaande? Daarom is continuïteit geen hobby van nostalgici. Het is een katholiek criterium. De katholieke vraag is nooit alleen: “Is dit vriendelijk?”, “Is dit inclusief?”, “Werkt dit pastoraal?” De beslissende vraag blijft: Is dit hetzelfde geloof dat wij ontvangen hebben? Het geloof van Paulus, van Augustinus, van Thomas, van Trente, van Newman, van Johannes Paulus II en Benedictus XVI.

Het meest ironische van de huidige situatie is misschien nog dat progressieve hervormingen al zestig jaar worden verkocht als noodzakelijk om de Kerk aantrekkelijker te maken voor de moderne mens. En ondertussen lopen juist in sterk geseculariseerde landen de kerken leeg. Misschien is de moderne mens toch minder onder de indruk van een Kerk die hem vertelt wat hij gisteren al in de krant heeft gelezen. Waarom zou iemand op zondagochtend vroeg opstaan om in een kerkgebouw dezelfde moraal te vernemen die hij zaterdagavond bij de talkshow gratis kreeg? Wie na enige tijd niemand meer ziet, denkt wellicht dat de profetische voorhoede is bereikt. Maar er bestaat nog een andere mogelijkheid: hij heeft een verkeerde afslag genomen.

De Kerk bezit maar één werkelijk revolutionair product: het Evangelie. En dat product is helaas niet aanpasbaar aan de marketingafdeling. Het christendom begon niet doordat twaalf apostelen besloten beter aan te sluiten bij de Romeinse tijdgeest. Zij verkondigden iets dat hun omgeving soms prachtig, soms krankzinnig en soms beledigend vond. Daarvoor werden zij niet uitgenodigd aan de synodale gesprekstafel. Ze werden ervoor gedood.

 

+Rob Mutsaerts