Religie is nodig, vooral in seculiere tijden.

Er zijn onderwerpen waarover de moderne mens met een zekere verlegenheid spreekt. Religie is daar één van. Men schuift het terzijde met het gemak waarmee men een oude kast op zolder zet: ooit nuttig, thans enigszins uit de tijd. En toch, wie goed luistert naar het geritsel van het dagelijks bestaan, hoort daaronder een hardnekkige vraag, die zich niet laat wegredeneren: waartoe zijn wij hier eigenlijk?

De mens is namelijk een merkwaardig wezen. Hij kan brood eten zonder te vragen waar het vandaan komt, maar hij kan niet leven zonder te vragen waarom hij eet. In dat waaromhuist religie. Religie is het antwoord op de verbazing dat er überhaupt iets is in plaats van niets, en dat wij daar middenin staan, vaak zonder handleiding.

Wie religie afschaft, schaft die vraag niet af. Hij maakt haar slechts woordeloos. En een woordeloze vraag is een gevaarlijk ding: zij zoekt haar uitweg in ideologie, in fanatisme, in een overdreven geloof in het eigen gelijk. De mens die zegt nergens in te geloven, gelooft doorgaans des te fanatieker in zichzelf, en dat is, historisch gezien, zelden een geruststellende ontwikkeling gebleken.

Voor de samenleving geldt iets vergelijkbaars. Men kan proberen een wereld te bouwen op louter redelijkheid en wederzijds belang, maar dat is een wankel fundament. Redelijkheid is immers rekbaar, en belang veranderlijk. Wat vandaag redelijk lijkt, is morgen verwerpelijk; wat vandaag nuttig is, blijkt morgen rampzalig. Religie heeft altijd geprobeerd daar iets tegenover te stellen: een orde die niet voortdurend meebeweegt met de waan van de dag.

Waarom dan het christendom, en niet één van de vele andere religieuze constructies die de mens heeft bedacht? Omdat het christendom, hoe men het ook bekijkt, een merkwaardige dubbelheid bezit. Het stelt eisen die bijna onmenselijk hoog zijn - heb uw vijanden lief - en ondergraaft daarmee iedere vorm van zelfgenoegzaamheid. Tegelijk biedt het een uitweg: genade. Genade betekent dat men niet uitsluitend wordt afgerekend op zijn prestaties. In een tijd waarin alles meetbaar, vergelijkbaar en optimaal moet zijn, is dat een bijna schokkende gedachte. Het christendom zegt: u faalt, onvermijdelijk, maar dat is niet het einde van het verhaal.

Bovendien heeft het christendom een hardnekkige neiging om zich te bemoeien met de zwakken, de mislukten, de randfiguren. Het verheft hen niet tot helden - daar is het te realistisch voor - maar het weigert hen af te schrijven. Dat heeft, hoe men het ook wendt of keert, zijn sporen nagelaten in de manier waarop samenlevingen omgaan met zorg, recht en medemenselijkheid. Ziekenhuizen, armenzorg en onderwijs zijn uitvindingen van de katholieke kerk. Nee, niet van de Verlichting. Dat dit ideaal voortdurend wordt geschonden, is geen weerlegging ervan, maar eerder een bevestiging van hoe lastig het is. Het is waar, de Kerk heeft zich niet altijd van haar beste kant laten zien, maar het is een merkwaardige gewoonte om een idee uitsluitend te beoordelen op haar slechtste vertegenwoordigers. Als dat de maatstaf wordt, blijft er van geen enkel menselijk streven iets over.

Het christendom, is geen keurige oplossing voor de problemen van de mens. Het is eerder een lastige spiegel. Zij laat zien wat men liever niet ziet: zijn eigen tekort, zijn eigen afhankelijkheid, zijn eigen eindigheid. Maar zij weigert tegelijk om dit het laatste woord te laten zijn. Misschien is dat de reden dat de moderne tijd het christendom - en dan met name de R.K.Kerk - haar zo graag op afstand houdt. Niet omdat zij achterhaald is, maar omdat zij iets zegt dat nog altijd ongemakkelijk dichtbij komt. De mens wil graag geloven dat hij zichzelf wel redt. Religie fluistert - soms zacht, soms onuitstaanbaar luid - dat dit wel eens een misverstand zou kunnen zijn. En dat is, alle vooruitgang ten spijt, een gedachte waar men zich nog steeds geen raad mee weet. Een seculiere wetgever kan wetten voorschrijven tot zij een ons weegt, maar zonder innerlijke overtuiging blijven zij dode letters. De mens is niet volmaakt, en pogingen om hem dat wel te laten zijn, eindigen doorgaans in teleurstelling of dwang. Het christendom lijkt dat te weten en zegt: gij zult struikelen, maar gij zijt niet verloren. Dat is geen vrijbrief voor gemakzucht, maar een uitnodiging tot voortdurende verbetering.

Bovendien heeft het christendom, historisch gesproken, een bijzondere nadruk gelegd op de waardigheid van het individu. Het idee dat ieder mens, ongeacht status of afkomst, een ziel heeft die ertoe doet, heeft diep doorgewerkt in de ontwikkeling van rechten en vrijheden.  Misschien is dat wel de kern: religie herinnert de mens eraan dat hij niet het middelpunt van alles is, maar ook niet zomaar iets. Hij bevindt zich ergens daartussen, op een plaats die tegelijk nederig en verheven is. En het is precies die paradox waarin hij, wonderlijk genoeg, het best tot zijn recht komt.

+Rob Mutsaerts