Tien jaar Amoris Laetitia: tien jaar luisteren naar iedereen, behalve naar de Stichter.

Pastoor John Rice stelt voor de hand liggende vragen die kennelijk ongemakkelijk zijn

Er was een tijd waarin de Kerk ervan werd beschuldigd op alles een antwoord te hebben. Tegenwoordig lijkt zij er steeds meer op gebrand de wereld ervan te verzekeren dat zij vooral vragen heeft. Wij zijn beland in een kerkelijk tijdperk waarin luisteren als een prestatie wordt gevierd, dialoog bijna als een sacrament wordt beschouwd en duidelijkheid soms wordt gezien als een betreurenswaardige vorm van agressie.

Men vraagt zich af wat de apostelen hiervan gevonden zouden hebben. Toen Petrus op Pinksteren voor de menigte stond, kondigde hij geen proces van gezamenlijke onderscheiding aan om te onderzoeken of de verrijzenis misschien verenigbaar was met de heersende culturele verwachtingen. Hij verkondigde dat Jezus Christus, die zij gekruisigd hadden, uit de dood was opgestaan. Zijn toehoorders werden diep in hun hart getroffen en vroegen wat zij moesten doen. Petrus gaf hun een antwoord: bekeer u en laat u dopen. Opmerkelijk genoeg groeide de Kerk.

Pastoor John Rice, parochiepriester van het bisdom Plymouth, heeft onlangs een ongemakkelijke, maar volkomen legitieme vraag gesteld over de richting waarin het hedendaagse kerkelijke denken zich beweegt. In een artikel op LifeSiteNews van 21 oktober, geschreven naar aanleiding van uitspraken tijdens een bijeenkomst in het Vaticaan ter gelegenheid van de tiende verjaardag van Amoris Laetitia, uit hij zijn bezorgdheid dat bepaalde interpretaties van synodaliteit de fundamentele zending van de Kerk op haar kop zetten. Proberen wij, in plaats van de wereld tot Christus te bekeren, het christendom tot de wereld te bekeren? Het is een vraag die een antwoord verdient. Sterker nog, tien jaar na Amoris Laetitia valt nauwelijks een noodzakelijker vraag te bedenken.

De directe aanleiding voor het artikel van pastoor John Rice is een toespraak van kardinaal Filipe Neri Ferrão, aartsbisschop van Goa en Daman, die sprak over veranderende gezinsstructuren in Azië, waaronder ongehuwd samenwonen, interreligieuze huwelijken en veranderende opvattingen over gender. Nee, de kardinaal pleitte niet voor het loslaten van de katholieke moraalleer. Zijn voornaamste zorg betrof de pastorale begeleiding, en er is op zichzelf niets verkeerds aan het aandachtig luisteren naar gezinnen die met ingewikkelde omstandigheden te maken hebben. Maar de kardinaal stelde ook de vraag wat de Heilige Geest van de Kerk zou kunnen verlangen te veranderen, niet alleen in haar pastorale activiteiten, maar ook in de manier waarop zij gezinnen tegemoet kan komen. En hier ligt een vraag van aanzienlijk theologisch gewicht. Wat moet er precies veranderen? Onze evangelisatiemethoden? Zeker, waar dat nodig is. Ons vermogen om de moeilijkheden van moderne gezinnen te begrijpen? Natuurlijk. Onze bereidheid om mensen die worstelen te begeleiden? Absoluut. Maar de waarheid over huwelijk, seksualiteit, zonde, genade en bekering? Dat is een heel andere zaak. De Kerk ontleent haar opvatting over het huwelijk niet aan sociologische ontwikkelingen. Zij ontvangt die van Christus.

Toen Jezus werd gevraagd naar zijn mening over echtscheiding, gaf Hij geen opdracht om een onderzoek in te stellen naar de huwelijksverwachtingen in het Palestina van de eerste eeuw. Hij verwees zijn toehoorders naar het begin: God schiep hen als man en vrouw, en de twee worden één vlees. Vervolgens voegde Hij daar een nogal ongemakkelijke conclusie aan toe: wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden. Het is moeilijk een uitspraak te bedenken die minder tegemoetkomt aan veranderende maatschappelijke omstandigheden. Toch heeft Jezus dit onomwonden gezegd. De Kerk moet onderscheid maken tussen het begrijpen van de wereld en het zich onderwerpen aan de wereld. Het eerste is onmisbaar voor de evangelisatie. Het tweede betekent het einde van de evangelisatie.

De belangrijkste observatie van pastoor Rice betreft de geleidelijke verdringing van bekering door begeleiding. Die twee zouden nooit tegenover elkaar mogen staan. Een goede herder begeleidt zijn schapen juist omdat hij weet waarheen zij moeten gaan. Als de herder slechts achter zijn schapen aanloopt, waarheen zij ook afdwalen, zal hij misschien buitengewoon populair zijn, maar hij is opgehouden herder te zijn. Een herder zonder bestemming is eenvoudigweg een schaap te midden van de andere schapen, zij het eentje met een herdersstaf.

Jezus verwelkomde zondaars. Hij at met hen, sprak met hen, verdedigde hen tegen huichelarij en toonde zijn barmhartigheid. Maar Hij suggereerde nooit dat hun zonden niet ernstig waren. Denk aan de vrouw die op overspel was betrapt. Jezus weigerde haar ter dood te veroordelen, maar Hij besloot de ontmoeting niet met een uitnodiging om de positieve elementen van haar irreguliere situatie te onderzoeken. Hij zei haar heen te gaan en niet meer te zondigen. In deze ene korte ontmoeting vinden wij het hele katholieke begrip van pastorale zorg: barmhartigheid en waarheid, mededogen en bekering, vergeving en een nieuw begin. Neem een van beide elementen weg en het christendom wordt onherkenbaar. Barmhartigheid zonder waarheid wordt sentimentaliteit. Waarheid zonder barmhartigheid wordt wreedheid. De katholieke Kerk heeft altijd op beide aangedrongen.

De modieuze gedachte dat het verkondigen van morele waarheid op de een of andere manier strijdig zou zijn met pastorale gevoeligheid, berust op een opmerkelijk pessimistisch mensbeeld. Zij suggereert dat mensen niet in staat zijn aan de eisen van het Evangelie te beantwoorden en daarom gerustgesteld moeten worden dat hun huidige levensomstandigheden nauwelijks een fundamentele verandering vereisen. Maar het christendom is niet gebaseerd op de veronderstelling dat de mens niet kan veranderen. Het is gebaseerd op de verbazingwekkende verkondiging dat hij dat - met Gods genade - juist wél kan.

De tien jaar Amoris Laetitia biedt niet alleen gelegenheid tot een feestelijke herdenking, maar ook tot een serieus gewetensonderzoek. De apostolische exhortatie bevat veel prachtige beschouwingen over huwelijksliefde, gezinsleven, geduld, vergeving en de opvoeding van kinderen. Die verdienen erkenning. Toch zou het intellectueel oneerlijk zijn te doen alsof de ontvangst ervan geen ernstige controverse heeft veroorzaakt. In 2016 dienden vier kardinalen hun beroemde dubia in, waarin zij om verduidelijking vroegen over het huwelijk, het geweten, intrinsiek kwade handelingen en de toegang tot de sacramenten. Hun vragen waren geen oefeningen in theologische haarkloverij. Zij betroffen de verhouding tussen de pastorale praktijk en de gevestigde katholieke leer. Kan een intrinsiek kwade handeling door omstandigheden moreel geoorloofd worden? Kan het geweten rechtmatig toestaan wat Gods geboden verbieden? Kan de sacramentele discipline in tegenspraak zijn met de leer van de Kerk over de onontbindbaarheid van het huwelijk? Het antwoord luidde immer: ‘ja’. Het antwoord laat nog steeds op zich wachten.

Dit zijn geen ondergeschikte kwesties. Zij raken aan de fundamenten van de katholieke moraaltheologie. Tien jaar later kunnen die fundamentele zorgen niet eenvoudig terzijde worden geschoven door een beroep te doen op onderscheiding, begeleiding of synodaliteit. Sterker nog, wanneer onderscheiding een middel wordt om tot conclusies te komen die strijdig zijn met de goddelijke openbaring, is zij geen onderscheiding meer in katholieke zin. Dan is het herziening. Het is godslasterlijk te beweren dat dit ingegeven zou zijn door de Heilige Geest. En wanneer de pastorale praktijk systematisch in tegenspraak is met de leer, terwijl zij formeel haar trouw daaraan blijft belijden, dreigt die leer weinig meer te worden dan een decoratieve inscriptie op de gevel van een instituut dat niet langer van plan is ernaar te leven.

De Kerk kan de waarheid niet bewaren door haar eenvoudigweg in de Catechismus te laten staan, terwijl zij haar ondertussen stilletjes uit de biechtstoel verwijdert. Paus Johannes Paulus II begreep dit gevaar. In Veritatis Splendor bevestigde hij opnieuw dat bepaalde handelingen intrinsiek kwaad zijn en niet gerechtvaardigd kunnen worden door bedoelingen of omstandigheden. Die leer is niet door Johannes Paulus II uitgevonden. Zij behoort tot de morele traditie van de Kerk. Een authentieke ontwikkeling verdiept ons begrip van de geopenbaarde waarheid. Zij verandert niet wat gisteren moreel verkeerd was in de pastorale deugd van vandaag.

Pastoor Rice is bijzonder kritisch over wat hij de hedendaagse synodale mentaliteit noemt. Synodaliteit hoeft, mits goed begrepen, op zichzelf geen probleem te zijn. De Kerk heeft altijd overleg gevoerd, geluisterd, gedebatteerd en concilies en synodes bijeengeroepen. Het concilie van Jeruzalem - zoals beschreven in de Handelingen van de Apostelen - biedt daarvan een duidelijk voorbeeld. Maar de apostelen kwamen niet bijeen om te bepalen of de goddelijke openbaring moest worden aangepast aan de voorkeuren van hun tijdgenoten. Zij kwamen bijeen om getrouw te onderscheiden wat God had geopenbaard en wat de Kerk verplicht was te onderwijzen. Dat onderscheid is beslissend. De Heilige Geest is niet aan de Kerk gegeven opdat iedere generatie een gemakkelijker christendom zou kunnen uitvinden. Hij is gegeven om haar tot de volle waarheid te leiden.

Een synodaal proces kan nuttig zijn wanneer het de Kerk helpt die waarheid doeltreffender te verkondigen. Het wordt gevaarlijk wanneer het proces zelf een groter gezag krijgt dan de geloofsschat die het geacht wordt te dienen. Soms krijgt men de indruk dat het moderne kerkelijke instituut een buitengewoon vermogen ontwikkelt om bijeenkomsten over evangelisatie te organiseren, terwijl het steeds terughoudender wordt om de waarheden te verkondigen die evangelisatie juist noodzakelijk maken. Wij houden consultaties over consultaties, discussies over dialoog en schrijven rapporten over luisteren. Ondertussen zou de gewone katholiek heel redelijk een eenvoudige vraag kunnen stellen: wat gelooft de Kerk nu eigenlijk? Hij verdient een antwoord. Geen werkdocument.

Rice waarschuwt ook voor een tendens naar religieus universalisme: de gedachte dat het heil uiteindelijk voor iedereen verzekerd is, ongeacht geloof, berouw of bekering. Als iedereen automatisch wordt gered, wordt evangelisatie een facultatieve activiteit. Het kruis wordt dan een dramatische illustratie in plaats van de beslissende verlossingsdaad. Berouw wordt overbodig. De missie verliest haar urgentie. Een christendom dat niet langer gelooft dat de mensheid gered moet worden, zal uiteindelijk ophouden te proberen iemand te redden. En een Kerk die mensen niet langer tot bekering oproept, zou wel eens kunnen ontdekken dat zij weinig anders meer te bieden heeft dan een religieuze goedkeuring van de heersende cultuur. Dat is een tragedie vermomd als pastorale vooruitgang.

Het is mogelijk hoffelijk te zijn zonder dubbelzinnig te worden, meelevend zonder toegeeflijk te zijn, en pastoraal zonder leerstellige vragen te ontwijken. Sterker nog, juist omdat wij van mensen houden, zijn wij hun de waarheid verschuldigd. De grootste daad van naastenliefde die de Kerk kan stellen, is niet de wereld geruststellen dat zij al volmaakt is zoals zij is. Er is niets bijzonder moedigs aan een Kerk die het eens is met de heersende cultuur. Integendeel, het is zelfs buitengewoon laf. De wereld heeft al genoeg instellingen die daartoe bereid zijn. Wat zij nodig heeft, is een Kerk die bereid is zichzelf te zijn: een Kerk die het huwelijk onderwijst zoals Christus het heeft onderwezen; een Kerk die de zonde bij haar naam noemt zonder ooit op te houden de zondaar lief te hebben; een Kerk die in berouw en bekering gelooft omdat zij in vergeving gelooft; een Kerk die het eeuwige leven verkondigt omdat zij de mogelijkheid van het eeuwige verlies serieus neemt. Bovenal een Kerk die zich herinnert dat het niet haar taak is het Evangelie tot elke prijs aanvaardbaar te maken voor de wereld, maar Christus aan de wereld bekend te maken, wat het ook moge kosten!

Tien jaar na Amoris Laetitia zou het ons toch toegestaan moeten zijn de vraag te stellen of het overheersende pastorale taalgebruik werkelijk altijd heeft geleid tot grotere duidelijkheid, sterkere huwelijken, meer bekeringen en een diepere trouw aan de katholieke leer. Dat zijn vragen die om bewijzen vragen, niet om slogans. Pastoor Rice heeft de Kerk een dienst bewezen door erop aan te dringen dat zij niet eenvoudig terzijde kunnen worden geschoven. Men kan kritiek hebben op zijn toon, men kan bepaalde interpretaties van hem ter discussie stellen, maar de wezenlijke vraag blijft onbeantwoord zolang oproepen tot dialoog worden gebruikt om de eisen van het Evangelie te ontwijken. Er schuilt tenslotte een zekere ironie in een Kerk die er voortdurend op hamert dat naar iedereen geluisterd moet worden, maar die zich soms bijzonder ongemakkelijk lijkt te voelen wanneer iemand een eenvoudige theologische vraag stelt. Misschien zou de volgende fase van de synodale weg eens iets werkelijk revolutionairs moeten inhouden: in plaats van eindeloos te vragen wat de wereld van de Kerk verwacht, zouden wij opnieuw kunnen beginnen te luisteren naar wat Christus al heeft gezegd. En dat vervolgens, met alle naastenliefde, moed en duidelijkheid die wij kunnen opbrengen, ook daadwerkelijk verkondigen.

+Rob Mutsaerts

Over Halloween, Allerheiligen en de merkwaardige gewoonte om spoken te verkiezen boven heiligen

Er zijn weinig dingen zo merkwaardig als een beschaving die niet meer in het eeuwige leven gelooft, maar wel een buitengewone belangstelling heeft ontwikkeld voor de doden. De moderne mens heeft God begraven, de hemel afgeschaft en de hel tot een middeleeuws misverstand verklaard. Vervolgens heeft hij zijn huis versierd met schedels, skeletten, grafstenen en spoken. Het is een prestatie van formaat: eerst het hiernamaals ontkennen en vervolgens de woonkamer ermee volzetten.

Oorspronkelijk was Halloween niets anders dan All Hallows’ Eve, de avond vóór Allerheiligen. De Kerk vierde op 1 november de overwinning van het leven op de dood. De heiligen waren immers geen doden die wij moesten vrezen, maar levenden met wie wij ons mochten verheugen. Zij hadden de eindstreep bereikt en wachtten ons op. De dood was niet het laatste woord. Dat woord was reeds gesproken, op Paasmorgen, en het luidde: leven.

Maar de moderne wereld heeft een merkwaardige omkering tot stand gebracht. Zij heeft de heiligen de deur uitgedaan en de spoken binnengelaten. Zij heeft de hemel ingeruild voor een spookhuis: zombies zonder ziel. En omdat zij niet langer weet wat zij met de dood aan moet, heeft zij besloten er maar een feestje van te maken. Op zichzelf is daar weinig tegen in te brengen. Een kind dat verkleed als skelet langs de deuren trekt en om snoep vraagt, is niet onmiddellijk een handlanger van de duivel (men kan het kwaad ook een iets te hoge dunk van zichzelf geven). Een uitgeholde pompoen is nog geen toegangspoort tot de hel, en een plastic heksenhoed is doorgaans niet gevaarlijker dan de harde kern van een voetbalclub.

Toch schuilt er achter dit onschuldige vermaak een merkwaardige geestelijke ontwikkeling. Onze samenleving is namelijk niet alleen de hemel kwijtgeraakt, maar ook haar vertrouwdheid met de dood. Vroeger wist men dat men zou sterven. Dat klinkt als een tamelijk vanzelfsprekende constatering, maar tegenwoordig wordt de dood uit het dagelijks leven verbannen. Men spreekt liever van, ‘inslapen’ of ‘een sterretje worden’. Begrafenissen worden vieringen van het leven, waarbij men zorgvuldig vermijdt te spreken over wat er ná dat leven komt. De overledene is ‘altijd in ons hart’. Men heeft de bestemming afgeschaft.

En dan is daar plotseling Halloween. Eén avond per jaar mag de dood terugkeren, zij het uitsluitend vermomd als entertainment. Wat men de rest van het jaar uit het zicht houdt, hangt nu aan de voordeur. De schedel, die ons ooit herinnerde aan onze sterfelijkheid (memento mori), dient nu als decoratie op de voordeur. Het is een beetje alsof iemand alle spiegels uit zijn huis verwijdert omdat hij zijn eigen gezicht niet wil zien, om vervolgens een lachspiegel aan te schaffen.

Maar er is ook een ernstiger kant. Want waar de dood zijn christelijke betekenis verliest, ontstaat soms een ongezonde nieuwsgierigheid naar het duister. Niet iedereen stelt zich tevreden met een pompoen en een zak snoep. Er zijn mensen die via spiritistische séances, ouijaborden of andere occulte praktijken contact zoeken met de overledenen. De gedachte is kennelijk dat men de hemel kan afschaffen, maar toch graag even met de bewoners ervan wil telefoneren.

De Kerk heeft daar altijd voor gewaarschuwd. Niet omdat zij bang is voor de bovennatuurlijke werkelijkheid, maar juist omdat zij die serieus neemt. De katholieke leer verbiedt het oproepen van geesten en het raadplegen van doden. Niet iedere duistere ervaring is daarmee werkelijk bovennatuurlijk, en veel van wat als occult wordt gepresenteerd, is bedrog, suggestie of fantasie. Maar dat maakt het doelbewust zoeken naar zulke contacten niet verstandig. Nachtmerries zijn nog maar het minst erge gevolg hiervan.

Het merkwaardige is dat de moderne mens enerzijds volhoudt dat er niets bovennatuurlijks bestaat, maar anderzijds buitengewoon gefascineerd is door alles wat occult heet. Hij lacht om engelen, maar neemt demonen opvallend serieus. Hij vindt het geloof in de hemel kinderachtig, maar een avondje geesten oproepen spannend. Blijkbaar is het bovennatuurlijke alleen aanvaardbaar zolang het griezelig genoeg is. Hier raakt Halloween aan iets diepers. Een samenleving die het licht verliest, hoeft niet noodzakelijk in de duisternis te gaan geloven. Maar zij kan er wel een ongezonde fascinatie voor ontwikkelen.

En juist hier verschijnt Allerheiligen als een verademing. Want op Allerheiligen viert de Kerk precies het tegenovergestelde van de angst voor de dood. Zij viert de mensen die de dood hebben overwonnen, niet door eigen kracht, maar door de genade van Christus. De heiligen zijn niet de spoken uit ons verleden, maar de vrienden van onze toekomst. Zij zijn geen schimmen die ronddolen tussen twee werelden, maar mensen die eindelijk thuisgekomen zijn. Dat is een buitengewoon vrolijke gedachte. De katholieke hemel is immers geen eindeloos verzorgingstehuis voor brave zielen, waar men eeuwig op een wolkje zit en zich verveelt bij harpconcerten. Het is de vervulling van alles waarnaar het menselijk hart verlangt: waarheid, schoonheid, liefde en vreugde.

De heiligen zijn bepaald niet allemaal saaie figuren. Onder hen bevinden zich koningen en bedelaars, geleerden en eenvoudige boeren, mystici en moeders, martelaren en voormalige zondaars. Er zijn heiligen die hun hele leven hebben gezwegen en heiligen die nauwelijks hun mond konden houden. Zelfs voor een journalist, politicus en advocaat hoeft de hemel dus niet bij voorbaat uitgesloten te worden.

Het katholicisme is in dat opzicht wonderlijk ruimhartig. Het houdt niet alleen rekening met de levenden op aarde, maar ook met de levenden in de hemel en de zielen in het vagevuur die nog gezuiverd worden. De Kerk houdt niet op bij het kerkhof. De gemeenschap der heiligen is groter dan de wereld die wij kunnen zien. Daarom volgt op Allerheiligen ook Allerzielen. Op 2 november bidt de Kerk voor haar overledenen. Niet omdat zij hen als spoken terugverwacht, maar omdat de liefde niet ophoudt bij het graf. Het christendom kent geen definitieve scheiding tussen hen die in Christus gestorven zijn en hen die nog onderweg zijn. Het graf is geen muur, maar een grens waarover het gebed reikt.

En zo staan twee werelden tegenover elkaar. De ene wereld haalt de dood in huis om zich een avondje te laten schrikken; de andere gaat naar de kerk om te horen dat de dood overwonnen is. De ene zet een skelet in de tuin, de andere zet bloemen op een graf. De ene roept geesten op; de andere roept de heiligen aan. De ene zoekt spanning in de duisternis, de andere steekt een kaars aan en bidt. Het verschil is niet dat de katholiek de dood minder ernstig neemt. Integendeel. Hij neemt hem zo ernstig dat hij weigert hem het laatste woord te geven. Dat is misschien wel de grootste paradox. De moderne mens wil niet over de dood nadenken en is er voortdurend door gefascineerd. De katholiek denkt wél over de dood na en hoeft er juist daarom niet voortdurend bang voor te zijn. Halloween zegt: de doden komen terug; Allerheiligen zegt: de doden zijn niet dood. En Allerzielen voegt daaraan toe: wij zijn hen niet vergeten.

Misschien moeten wij de kinderen dus gerust hun snoep laten ophalen. Maar laten wij hen ook vertellen waarom die avond ooit zo heette. En laten wij hun vooral de heiligen leren kennen. Want een kind dat weet dat het voor de hemel bestemd is, heeft meer gekregen dan een emmer vol snoepgoed.

De wereld biedt ons een uitgeholde pompoen met een kaarsje erin; de Kerk biedt ons het eeuwige licht. Het zou toch jammer zijn als wij, bij gebrek aan belangstelling voor de hemel, genoegen namen met een pompoen.

 

+Rob Mutsaerts

Dreigende taal van kardinaal Roche: Ga niet naar TLM! Maar waarom? De Kerk hoeft haar verleden niet te verbieden om haar toekomst veilig te stellen.

De katholieke Kerk beroemt zich op haar universaliteit, koestert een indrukwekkende verscheidenheid aan liturgische tradities en beschouwt die verscheidenheid als een uitdrukking van haar rijkdom. Een katholiek kan de goddelijke liturgie bijwonen volgens de Byzantijnse traditie, de Maronitische traditie, de Armeense traditie of de Chaldeeuwse traditie. Niemand vindt dat op zichzelf een bedreiging voor de kerkelijke eenheid. Maar zodra een katholiek de Mis wil bijwonen zoals die eeuwenlang in Rome, Parijs, Amsterdam en vrijwel de gehele Latijnse Kerk werd gevierd, beginnen sommige kerkelijke autoriteiten in Rome zich zorgen te maken.

Plotseling wordt liturgische verscheidenheid een probleem. Plotseling wordt gehechtheid aan de traditie verdacht. En plotseling moet de eenheid van de Kerk worden beschermd tegen mensen die willen bidden zoals hun voorouders dat deden. Dat roept een vraag op die beslist niet onredelijk is: waarom is vrijwel iedere oude katholieke liturgische traditie een rijkdom, behalve de oude Romeinse liturgie?

Kardinaal Roche stelde onlangs in een interview met AdVaticanum, gepubliceerd op 13 oktober 2026, dat traditionalistische groepen de vroegere liturgie soms gebruiken om zich te verzetten tegen de liturgische hervorming van het Tweede Vaticaans Concilie. Volgens de kardinaal kan een dergelijke houding de kerkelijke eenheid aantasten. Hij waarschuwde dat wie het Concilie verwerpt, zich verwijdert van het centrum van het katholicisme. Bovendien zei hij dat katholieken volgens hem niet uitsluitend de oude Mis zouden moeten bezoeken. Hier is een belangrijk onderscheid noodzakelijk.

Wie de geldigheid van de nieuwe Mis principieel ontkent, de pauselijke autoriteit verwerpt of beweert dat de katholieke Kerk na Vaticanum II niet langer de katholieke Kerk is, neemt inderdaad een problematische positie in. Maar wie de traditionele Mis liefheeft, daarmee zijn geloof verdiept, de katholieke leer aanvaardt en trouw blijft aan de paus, kan niet zonder meer van hetzelfde worden beschuldigd. Gehechtheid aan een liturgische traditie is niet hetzelfde als afwijzing van het leergezag. Precies dit onderscheid dreigt in de huidige discussie verloren te gaan.

De katholieke Kerk omvat 24 Kerken sui iuris: de Latijnse Kerk en 23 oosters-katholieke Kerken. Zij kennen verschillende liturgische tradities. Denk aan de Byzantijnse, Alexandrijnse, Antiochische, Armeense en Oost-Syrische tradities. Ook binnen de westerse katholieke wereld bestaan bijzondere liturgische gebruiken, waaronder de Ambrosiaanse ritus in Milaan. En niemand hoeft voor de eenheid van de Kerk te vrezen wanneer een Byzantijns-katholieke priester zich voor de iconostase bevindt, de wierook rijkelijk opstijgt en de gelovigen een liturgie meemaken die op allerlei punten verschilt van de gebruikelijke Romeinse Mis. Want katholieke eenheid is nooit hetzelfde geweest als liturgische uniformiteit. Sterker nog, het Tweede Vaticaans Concilie zegt in Sacrosanctum Concilium uitdrukkelijk dat alle wettig erkende riten gelijkwaardig zijn en dat de Kerk ze wil bewaren en bevorderen. Dat is een opmerkelijke uitspraak in het licht van de uitspraken van kardinaal Roche. Als liturgische verscheidenheid de eenheid van de Kerk niet noodzakelijk schaadt, waarom zou de eeuwenoude Romeinse liturgie dat dan wel doen? Het katholieke geloof is immers geen verzameling gebruiken waarvan de houdbaarheidsdatum door een kerkelijke commissie wordt vastgesteld.

De naoorlogse liturgische praktijk heeft een verschuiving heeft laten zien van Gods transcendentie naar de gemeenschap als middelpunt. Wanneer de eucharistie steeds meer lijkt op een gezamenlijke maaltijd, een viering van menselijke verbondenheid of een gelegenheid voor pastorale creativiteit, dreigt de offerdimensie naar de achtergrond te verdwijnen. Juist daartegen vormt de traditionele liturgie, met haar consequente gerichtheid op God, een zichtbaar tegenwicht. En misschien ligt dáár een deel van het ongemak: de TLM blijft iets ouds verkondigen dat men tegenwoordig gemakkelijk vergeet. Paus Benedictus begreep iets wezenlijks: de Kerk kan niet geloofwaardig beweren dat hetgeen zij gisteren heilig achtte vandaag als een gevaar zou moeten beschouwen.

Wordt het Tweede Vaticaans Concilie gebruikt als breekpunt? Hier raakt de discussie aan een dieper probleem. Een concilie staat binnen die Traditie. Het begint geen nieuwe Kerk. Vaticanum II voorzag in een hervorming van de liturgie, maar bepaalde tegelijkertijd dat het Latijn in de Latijnse riten behouden moest blijven en dat het gregoriaans een voorrangspositie heeft. Veel van wat vandaag als typisch traditionalistisch wordt beschouwd, was dus voor de concilievaders volstrekt vanzelfsprekend. Daarom is het merkwaardig wanneer de gehechtheid aan de oudere liturgie wordt voorgesteld als een verzet tegen het Concilie zelf.

Kritiek op bepaalde aspecten van de na-conciliaire liturgische hervorming is immers niet automatisch hetzelfde als een verwerping van het Tweede Vaticaans Concilie. De liturgische hervorming werd grotendeels ná het Concilie uitgewerkt en ingevoerd. Dat betekent niet dat alle kritiek juist is. Het betekent slechts dat een dergelijke discussie legitiem kan zijn.

Wanneer een concilie feitelijk wordt behandeld als een absolute waterscheiding tussen een oude en een nieuwe Kerk, ontstaat precies de breuk die men zegt te willen vermijden. De katholieke Kerk is geen instelling die in 1965 opnieuw is opgericht. Zij is dezelfde Kerk die de apostelen heeft ontvangen, de kerkvaders heeft voortgebracht, de middeleeuwse kathedralen heeft gebouwd, het Concilie van Trente heeft gehouden en het Tweede Vaticaans Concilie heeft bijeengeroepen. Wie werkelijk gelooft in de continuïteit van de Kerk, hoeft voor haar verleden niet bang te zijn.

Kardinaal Roche beroept zich voortdurend op de eenheid van de Kerk. Dat is op zichzelf volkomen terecht. Eenheid is geen bijkomstige eigenschap van de Kerk, maar behoort tot haar wezen. De vraag is alleen wat we onder eenheid verstaan. Eenheid in het katholieke geloof, in de sacramenten en in de gemeenschap met de opvolger van Petrus is iets anders dan uniformiteit in rituele uitdrukking. De officiële redenering is dat de TLM, anders dan de oosterse liturgieën, voor sommige groepen een symbool is geworden van verzet tegen de hervorming en het gezag van de Kerk. Dat argument verdient serieuze aandacht. Maar het probleem met die redenering is dat zij gemakkelijk van een oordeel over bepaalde misstanden verandert in een algemeen oordeel over een hele liturgische gemeenschap. Waarom zouden gezinnen, jongeren, priesters en religieuzen die niets anders verlangen dan de traditionele liturgie in volledige kerkelijke gemeenschap te vieren, daarvan de gevolgen moeten dragen?

Een vader die zijn kinderen meeneemt naar de oude Mis omdat hij daar de heiligheid van de eucharistie bijzonder sterk ervaart, bedrijft daarmee geen kerkpolitiek. Hij gaat gewoon naar de Mis.

De geschiedenis van de Kerk wordt niet alleen gekenmerkt door vernieuwing, maar ook door bewaren. Traditio betekent overlevering: ontvangen wat men zelf niet heeft uitgevonden en het doorgeven aan de volgende generatie. Juist daarom is het opmerkelijk dat in een tijd waarin voortdurend wordt gesproken over het luisteren naar de gelovigen, de verlangens van traditioneel georiënteerde katholieken soms zo weinig begrip ontmoeten. Een Kerk die naar de wereld wil luisteren, zou ook naar haar eigen kinderen moeten luisteren (of betekent synodaliteit iets anders?). Zeker wanneer die kinderen niet om minder katholieke leer vragen, maar juist om de onverkorte verkondiging ervan. Of ligt daar het probleem?

Een verstandige benadering zou ruimte bieden aan de oudere liturgie waar zij oprecht wordt verlangd, tegelijk trouw aan de kerkelijke gemeenschap vragen en misbruiken in álle liturgische vormen corrigeren. Want ook dat laatste verdient aandacht. Wie de oude Mis strikt reguleert vanuit zorg voor de heiligheid en eenheid van de liturgie, moet met dezelfde ernst optreden tegen misbruiken in de nieuwe Mis.

Misschien is het meest opmerkelijke verschijnsel dat de traditionele Latijnse Mis niet uitsluitend een aantrekkingskracht uitoefent op mensen die vóór het Concilie zijn opgegroeid. Ook jonge katholieken voelen zich ertoe aangetrokken. Wanneer jongeren bewust kiezen voor stilte, gregoriaans, rituele precisie en een liturgie die nauwelijks tegemoetkomt aan de hedendaagse voorkeur voor spontaniteit en onmiddellijke begrijpelijkheid, dan zegt dat iets. Het suggereert dat modernisering niet altijd de beste weg naar evangelisatie is. Misschien verlangt de moderne mens soms juist naar datgene wat niet modern is. Misschien zoekt hij geen liturgie die zoveel mogelijk lijkt op de wereld waarin hij dagelijks leeft en hem niets te bieden heeft, maar een liturgie die hem helpt boven die wereld uit te stijgen. Dit is geen argument tegen de nieuwe Mis. Het is een argument tegen de gedachte dat liturgische vernieuwing noodzakelijk samenvalt met aanpassing aan de tijdgeest.

Het zou jammer zijn wanneer de traditionele Latijnse Mis uiteindelijk het slachtoffer werd van een kerkelijke strijd waarin het niet langer werkelijk over de eredienst gaat, maar over de interpretatie van de afgelopen zestig jaar. Want dan wordt een liturgie die eeuwenlang heiligen heeft gevormd en ontelbare gelovigen heeft geheiligd, behandeld als een probleem dat moet worden opgelost. Minder achterdocht, meer historische eerlijkheid, meer theologische diepgang en vooral meer pastorale grootmoedigheid zou hier wenselijk zijn.

Het katholieke et-et, het befaamde katholieke principe en-en, zou ook hier een vruchtbaar uitgangspunt kunnen zijn. Traditie én legitieme ontwikkeling. Eenheid én verscheidenheid. Trouw aan het Concilie én eerbied voor de eeuwen die eraan voorafgingen. De nieuwe Mis én ruimte voor de overgeleverde Romeinse liturgie, binnen de gemeenschap van de Kerk.

Eminentie, de Kerk hoeft haar verleden niet te verbieden om haar toekomst veilig te stellen. Een Kerk die werkelijk vertrouwt op de levende Traditie, kan het zich veroorloven haar eigen geschiedenis lief te hebben. Een Kerk die een Byzantijnse, Maronitische en Armeense liturgie met vreugde in haar midden ontvangt, zou zich ook niet al te bedreigd moeten voelen door een Romeinse Mis die haar eeuwenlang zo dierbaar was. De traditionele Latijnse Mis is tenslotte geen buitenlandse indringer in de katholieke Kerk; zij komt uit haar eigen huis. En een moederkerk zou haar eigen kinderen niet als vreemdelingen moeten behandelen omdat zij graag in de taal van hun grootouders bidden.

+Rob Mutsaerts

Brood voor de vogels?

Protestanten ergeren er zich behoorlijk aan dat zij in een katholieke kerk niet ter communie mogen gaan (ND 20/10). De ergernis is begrijpelijk, maar berust op een misverstand. Een nogal fundamenteel misverstand zelfs. Want de vraag is niet wie er aan tafel mag, maar wat er op tafel ligt. Voor veel protestanten is het Avondmaal in de eerste plaats een gedachtenismaaltijd. Men herdenkt het Laatste Avondmaal, men verkondigt de dood van Christus en men beleeft de gemeenschap van de gelovigen.

De katholieke Kerk daarentegen gelooft niet dat de eucharistie een maaltijd is in de vorm van een offer, maar dat zij een offer is in de vorm van een maaltijd. Dat lijkt een subtiel verschil, maar in werkelijkheid is het een wereld van verschil. Bij het Laatste Avondmaal zei Jezus niet: ‘Dit brood symboliseert mijn lichaam.’ Hij zei: ‘Dit is mijn Lichaam.’ En over de kelk zei Hij niet: ‘Deze wijn herinnert aan mijn bloed.’ Hij zei: ‘Dit is mijn Bloed.’ Dat zijn nogal opmerkelijke woorden voor iemand die alleen maar een symbolische maaltijd zou hebben willen instellen. En in Johannes 6 wordt het nog duidelijker. Wanneer Jezus zegt dat zijn vlees werkelijk voedsel is en zijn bloed werkelijk drank, ontstaat er grote opschudding. Zijn toehoorders vinden het onverteerbaar. Verschillende leerlingen verlaten Hem zelfs. Een uitstekend moment, zou je zeggen, om het misverstand recht te zetten. Om te zeggen: ‘Mensen, zo letterlijk moet je het natuurlijk niet nemen. Het is slechts beeldspraak.’ Maar Jezus doet niets van dat alles: Wilt ook gij soms heengaan. Blijkbaar stond er iets wezenlijks op het spel.

Soms wordt tegengeworpen dat het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie pas in de vierde eeuw zou zijn ontstaan. De oorspronkelijke christenen zouden slechts een eenvoudige broederlijke maaltijd hebben gekend. Pas later zou de Kerk daar ingewikkelde theologie van hebben gemaakt. Werkelijk?  Neem Ignatius van Antiochië. Hij leefde aan het begin van de tweede eeuw, dus niet lang na de apostelen. Hij schreef dat bepaalde dwaalleraars zich van de eucharistie onthielden omdat zij niet erkenden dat de eucharistie het vlees is van onze Verlosser Jezus Christus. Dat is geen vierde-eeuwse theologie. Dat is rond het jaar 110. Of neem Justinus de Martelaar, die rond het midden van de tweede eeuw uitdrukkelijk schrijft dat christenen de eucharistische gaven niet als gewoon brood en gewone drank ontvangen, maar als het vlees en bloed van de mensgeworden Christus.

Wie beweert dat het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid pas eeuwen later is ontstaan, moet wel een bijzonder selectieve belangstelling voor de eerste christenen hebben. Natuurlijk werd de leer later nauwkeuriger geformuleerd. Het begrip transsubstantiatie kreeg pas veel later zijn theologische precisie. Maar de Kerk heeft niet eeuwenlang gewoon brood uitgedeeld om vervolgens plotseling te besluiten dat het Jezus zelf was. De theologische woordenschat ontwikkelde zich; het geloof dat ermee werd uitgedrukt, was veel ouder.

En daarmee komen we bij een ander opmerkelijk verschil.

Na de katholieke Mis worden de geconsacreerde hosties die overblijven met grote eerbied bewaard in het tabernakel. Waarom? Omdat Christus niet ophoudt aanwezig te zijn zodra de plechtigheid voorbij is. De hostie is niet na afloop weer gewoon brood geworden. Daarom knielt de katholiek voor het tabernakel. Daarom kennen wij de aanbidding van het Allerheiligste. In protestantse kerken waar het Avondmaal uitsluitend symbolisch wordt opgevat, ligt dat vanzelfsprekend anders. Wat na de viering overblijft, is daar gewoon brood, en het is om die reden niet problematisch om de restanten aan de vogels te geven, iets wat voor katholieken ondenkbaar is.

Het merkwaardige is dat juist katholieken vaak het verwijt krijgen dat zij onvoldoende oecumenisch zijn. Protestanten laten katholieken doorgaans wel toe tot hun Avondmaal, zo wordt gezegd, terwijl katholieken andersom de deur gesloten houden. Maar gastvrijheid kan nooit betekenen dat men doet alsof wezenlijke verschillen niet bestaan. Wanneer een protestant een katholiek uitnodigt aan het Avondmaal, gebeurt dat vanuit zijn eigen opvatting over wat daar plaatsvindt. Wanneer een katholiek een protestant niet zonder meer ter communie toelaat, gebeurt dat eveneens vanuit zijn geloof in wat daar plaatsvindt.

Daar komt nog iets bij. Volgens de katholieke geloofsleer is de eucharistie niet slechts een persoonlijke ontmoeting met Christus, maar ook het sacrament van de eenheid van de Kerk. Wie communiceert, zegt daarmee niet alleen ‘amen’ tegen Christus, maar ook tegen het geloof van de Kerk die deze eucharistie viert. Men kan moeilijk sacramenteel een eenheid uitdrukken die op wezenlijke geloofspunten nog niet bestaat. De katholieke Kerk kent in bijzondere omstandigheden uitzonderingen, maar dat verandert niets aan het uitgangspunt. De communie is niet het middel waarmee men bestaande geloofsverschillen eenvoudig wegpoetst. Zij is de hoogste uitdrukking van een eenheid in geloof die werkelijk aanwezig moet zijn. Dat is geen gebrek aan liefde. Het is een kwestie van waarheid.

Er is nog een reden waarom de katholieke Kerk hier niet lichtvaardig mee kan omgaan. De heilige Mis is niet slechts een herinnering aan Golgotha. Het ene offer van Christus aan het kruis wordt er op sacramentele wijze tegenwoordig gesteld. Jezus wordt niet opnieuw gekruisigd. Zijn offer wordt niet herhaald. Het is hetzelfde offer, dezelfde Hogepriester, hetzelfde Offerlam, maar op onbloedige wijze tegenwoordig gesteld. Dat is de kern van de katholieke eredienst. Op Calvarië gaf Christus zichzelf aan de Vader voor het heil van de wereld. In de eucharistie wordt diezelfde zelfgave sacramenteel tegenwoordig. En vervolgens ontvangen wij Hem die zich voor ons heeft geofferd als voedsel voor onze ziel. Eerst het offer, dan de maaltijd. Of beter gezegd: de maaltijd is de sacramentele deelname aan het offer.

De heilige Mis is geen religieuze bijeenkomst met wat brood en wijn als sfeervolle afsluiting.

De Mis is Golgotha, sacramenteel tegenwoordig onder ons. Daarom staat in het centrum van een katholieke kerk niet zomaar een eettafel, maar een altaar, en richten priester en gelovigen zich bij voorkeur in dezelfde richting.

De oplossing voor de verdeeldheid tussen katholieken en protestanten is dus niet dat we elkaar voortaan overal uitnodigen en de verschillen vriendelijk onder het tapijt vegen. Dat is geen oecumene. Dat is theologische onverschilligheid met een vriendelijk gebaar. Werkelijke eenheid ontstaat niet door de waarheid tussen haakjes te plaatsen, maar door haar samen te zoeken. De katholieke Kerk weigert de communie niet omdat zij haar protestantse broeders en zusters Christus niet gunt. Integendeel. Zij neemt Christus juist zo serieus dat zij niet kan doen alsof zijn werkelijke tegenwoordigheid, zijn offer en zijn Kerk bijkomstigheden zijn.

Uiteindelijk gaat het om één vraag: wat ligt er op het altaar? Is het brood dat naar Christus verwijst? Of is het Christus zelf onder de gedaante van brood? Als het eerste waar is, valt over open tafelgemeenschap best te praten. Maar als het tweede waar is, verandert alles.

Dan hebben we het niet langer over gastvrijheid, maar over aanbidding. En dan is het tabernakel geen broodtrommel. En de geconsacreerde hostie al helemaal geen voer voor de vogels.

+Rob Mutsaerts 

Over een dode man, een onschuldige tijger en een beschaving die haar medemens is vergeten

Er was eens een tijd waarin de dood van een mens aanleiding gaf tot stilte. Tegenwoordig geeft hij aanleiding tot commentaar. En als de dood spectaculair genoeg is, zelfs tot applaus. In het Yorkshire Wildlife Park in Engeland klom een 23-jarige man, William Chapman, over de omheining van een verblijf met een Siberische tijger. Het dier deed wat tijgers nu eenmaal doen. Het viel aan. De man overleed.

De gebeurtenis vond plaats op 10 oktober. Zijn familie is ontroostbaar. En op sociale media? Daar lijkt de tijger op aanzienlijk meer sympathie te kunnen rekenen dan zijn slachtoffer. De tijger had groot gelijk, vinden velen. De man was immers zelf het verblijf binnengegaan. Eigen schuld, dikke bult. De natuur had gesproken. En de natuur, zo weten wij tegenwoordig, heeft altijd gelijk.

Het merkwaardige is dat ik het met het eerste deel nog eens kan zijn ook. De tijger valt inderdaad niets te verwijten. Een tijger is een tijger. Hij heeft geen catechismus gelezen, geen morele verplichtingen onderschreven en vermoedelijk ook geen enkele behoefte aan een cursus geweldloze communicatie. Hij handelt overeenkomstig zijn natuur. Maar dat verklaart nog niet waarom een mens die door een tijger wordt gedood, minder medelijden zou verdienen dan de tijger die hem doodt.

Hier begint het moderne raadsel. Wij leven in een tijd waarin de mensheid haar morele gevoeligheid tot ongekende hoogte meent te hebben ontwikkeld. Wij bekommeren ons om bedreigde diersoorten, gekwetste gevoelens, smeltende ijskappen en de psychologische gesteldheid van huisdieren. Een hond die eenzaam thuiszit, kan rekenen op een maatschappelijk debat. Een ijsbeer op een smeltende ijsschots krijgt een eigen documentaire. Een tijger die een mens doodt, krijgt duizenden sympathiebetuigingen. Maar de dode man? Die had beter moeten weten. Het is een merkwaardige beschaving die steeds gevoeliger wordt voor het lijden van dieren en tegelijkertijd steeds ongevoeliger voor het lijden van mensen.

Natuurlijk is de liefde voor dieren op zichzelf een goede zaak. De christelijke traditie heeft nooit geleerd dat men dieren naar believen mag mishandelen. Franciscus van Assisi sprak zelfs over broeder wolf. Maar hij zou er vermoedelijk van hebben opgekeken wanneer zijn bewonderaars de wolf waren gaan feliciteren met het verslinden van een verdwaalde wandelaar. Het probleem is niet dat wij te veel om dieren geven. Het probleem is dat wij steeds minder lijken te begrijpen wat een mens is. De klassieke christelijke beschaving begon bij een opvatting die tegenwoordig haast revolutionair klinkt: ieder mens bezit een waardigheid die hem niet door anderen wordt verleend en dus ook niet door anderen kan worden afgenomen. Niet omdat hij verstandig is. Niet omdat hij sympathiek is. Niet omdat hij verstandige beslissingen neemt. Niet omdat hij maatschappelijk nuttig is. Maar omdat hij mens is. Dat geldt voor de professor en de dwaas. Voor de heilige en de zondaar. Voor de verstandige huisvader en de jongeman die in een ogenblik van onbegrijpelijke verwarring een tijgerverblijf binnenklimt.

De moderne wereld vindt dit een merkwaardige gedachte. Zij spreekt graag over menselijke waardigheid, maar lijkt haar steeds vaker afhankelijk te maken van menselijk gedrag.

Wie verstandig leeft, gezond is, succesvol functioneert en de juiste opvattingen koestert, mag op respect rekenen. Wie faalt, zich onverstandig gedraagt of niet langer voldoet aan onze verwachtingen, ontdekt soms hoe voorwaardelijk onze compassie is geworden. De menswaardigheid wordt dan geen uitgangspunt meer, maar een beloning voor goed gedrag. Een uiterst dubieuze ontwikkeling, want zodra menselijke waardigheid afhankelijk wordt van verstandige beslissingen, rijst onvermijdelijk de vraag wie eigenlijk verstandig genoeg is om haar te verdienen. De dementerende bejaarde? De verslaafde? De psychiatrische patiënt? Het ongeboren kind? De man die zijn leven volkomen heeft geruïneerd?

Het christendom heeft op deze vraag een buitengewoon praktisch antwoord: allemaal. Het weigert de mens op te geven, zelfs wanneer die zichzelf heeft opgegeven. Het maakt bovendien een onderscheid dat onze tijd bijna vergeten lijkt: het verschil tussen een daad beoordelen en een mens veroordelen. ‘Haat de zonde, houd van de zondaar’ is een typisch christelijke uitspraak. Het was onverstandig om het verblijf van een tijger binnen te gaan. Daarover valt weinig te discussiëren. Maar uit die vaststelling volgt niet dat de dood van de betrokkene een goede afloop was.

De natuur is schitterend, maar zij is niet moreel. Een aardbeving maakt geen onderscheid tussen een misdadiger en een kind. Een virus raadpleegt geen strafblad. Een tijger onderzoekt niet eerst of zijn slachtoffer zich aan de parkvoorschriften heeft gehouden. Juist daarom heeft de mens een geweten gekregen. Niet om de natuur te imiteren, maar om er iets aan toe te voegen wat de natuur zelf niet bezit: barmhartigheid. En hier openbaart zich een van de merkwaardigste paradoxen van onze tijd. De moderne mens heeft zich van God bevrijd omdat hij zelfstandig wilde bepalen wat goed en kwaad is. Vervolgens kijkt hij naar een tijger die een mens doodt en verklaart dat de natuur haar recht heeft laten gelden. Dat lijkt mij geen verbetering.

Wat het verhaal nog pijnlijker maakt, is dat William Chapman geen hypothetische figuur was in een filosofisch debat. Hij was een zoon. Een jonge man met een geschiedenis, met mensen die van hem hielden, en met psychische problemen waarvan de precieze betekenis voor deze tragedie nog wordt onderzocht. Zijn familie heeft het publiek inmiddels opgeroepen te stoppen met het verspreiden van kwetsende beelden. Zelfs de laatste ogenblikken van hun zoon zijn kennelijk niet veilig voor de moderne behoefte aan vermaak. Een mens is gestorven. En zijn dood is content geworden. Misschien is dat wel het meest onthullende woord van onze tijd: content. Het maakt nauwelijks meer uit waarvan. Een dansend katje, een vallende fietser, een huilend kind, een stervende jongeman. Alles wordt opgenomen in dezelfde eindeloze stroom van beelden die onze aandacht opeist, onze emoties prikkelt en vervolgens onmiddellijk plaatsmaakt voor het volgende spektakel.

Wij weten steeds meer over wat er overal ter wereld gebeurt, maar schijnen steeds minder te beseffen wat het betekent.

Een beschaving hoeft niet ten onder hoeft te gaan doordat zij haar verstand verliest. Het kan ook gebeuren doordat zij haar vanzelfsprekendheden vergeet. Dat een kind bescherming verdient. Dat zwakheid geen misdaad is. Dat een dwaas nog altijd onze naaste is. En dat de dood van een mens geen aanleiding vormt voor gejuich. Het meest verontrustende aan de reacties op deze tragedie is daarom niet dat mensen sympathie voelen voor de tijger. Dat mag. Het dier treft inderdaad geen blaam. Het verontrustende is dat sommigen kennelijk menen te moeten kiezen tussen medelijden met de mens en sympathie voor het dier. Je behoort beide te zijn. Dat is geen tegenspraak. Dat is beschaving.

Misschien moeten we daarom weer eens beginnen met een eenvoudige gedachte. Niet ieder mens handelt verstandig. Niet ieder mens handelt goed. Niet ieder mens maakt zijn leven tot een succes. Maar ieder mens blijft een mens. En wie dat onderscheid niet meer kan maken, heeft misschien heel veel geleerd over de rechten van dieren, maar iets wezenlijks vergeten over de waardigheid van mensen. De tijger wist niet beter. Hij handelde naar zijn natuur. De vraag is waarom zoveel mensen, die wél beter kunnen weten, hun eigen natuur lijken te vergeten. Het bijzondere aan de mens is dat hij medelijden kan hebben met degene die zwakker is dan hijzelf. Zelfs met iemand die een verschrikkelijke vergissing heeft begaan. En vooral met iemand die er niet meer is om zichzelf te verdedigen.

+Rob Mutsaerts


Er ligt een kind. Het leeft. Wat nu? Zoals we gewend zijn kijkt het CDA dan liever weg.

Er zijn vragen waarover een mens moet nadenken. En er zijn vragen waarop een mens niet hoeft na te denken omdat het antwoord vanzelfsprekend is.  Zo'n vraag stelde SGP-Kamerlid Diederik van Dijk aan CDA'er André Poortman. Wat moet een ziekenhuismedewerker doen wanneer bij een late zwangerschapsafbreking een kind levend ter wereld komt?

Een buitengewoon eenvoudige vraag. Er ligt een kind. Het leeft. Wat nu? Het antwoord van Poortman was onthutsend: "Ik wil eigenlijk geen antwoord geven op deze vraag." Dat is een opmerkelijk antwoord voor een volksvertegenwoordiger. Het is een nog opmerkelijker antwoord voor een volksvertegenwoordiger van een partij die de C van christelijk in haar naam draagt. Men zou immers mogen verwachten dat een christendemocraat, geconfronteerd met een levend kind, ten minste weet dat het kind leeft en dat dit gegeven consequenties heeft. Maar blijkbaar is zelfs dat tegenwoordig een ingewikkelde kwestie voor een CDA-er.

Poortman wilde het debat liever op een later moment, in alle rust, voortzetten. Hij wees op de tragiek waarmee een late abortus gepaard kan gaan. Dat laatste is natuurlijk waar. Maar tragiek is geen argument tegen het beschermen van een mensenleven. Integendeel, juist in tragische omstandigheden blijkt of onze principes werkelijk principes zijn, of slechts aangename versieringen voor wanneer het leven gemakkelijk is. Het CDA lijkt inmiddels een bijzondere vorm van christendemocratie te hebben ontwikkeld: het christelijke beginsel wordt hooggehouden zolang niemand vraagt wat het in de praktijk betekent. Zodra zich in de praktijk een geval voordoet, wordt er een commissiedebat georganiseerd. Eerst kijken, dan denken, dan wegkijken. Je zou ook iets anders kunnen doen: kijk gewoon, vertrouw op je zintuigen, gebruik je ogen.

Voordat wij een ethische commissie bijeenroepen, voordat wij deskundigen raadplegen, voordat wij een beleidsnotitie schrijven over de spanning tussen zelfbeschikking en beschermwaardigheid, zouden wij iets heel eenvoudigs kunnen doen. Kijken. Wat zien we? We zien een kind. Niet een mogelijke toekomstige mens, niet een verzameling cellen die wellicht ooit tot een mens zou kunnen uitgroeien, niet een abstract juridisch probleem. Wij zien een menselijk wezen met armen, benen, een gezichtje en een kloppend hartje. Bij sommige vormen van instrumentele abortus worden instrumenten gebruikt waarmee ledematen van het lichaam van het ongeboren kind worden afgerukt met een tang. Dit roept een vraag op die geen geleerde verhandeling nodig heeft: wat gebeurt hier? Een levend kind wordt het leven ontnomen. Men kan er allerlei moeilijke woorden voor bedenken. Men kan spreken over reproductieve gezondheidszorg, vrouwenrechten, medische interventies en zwangerschapsonderbreking. Men kan zelfs proberen het kind uit de beschrijving te laten verdwijnen. Maar het kind verdwijnt niet omdat wij een ander woord gebruiken. Een mens kan de werkelijkheid niet veranderen door zijn woordenboek aan te passen.

Zoals wel vaker als het om morele kwesties gaat doet men enorm zijn best om iets heel eenvoudigs niet te begrijpen. Hij kan uitvoerig uiteenzetten waarom twee plus twee in bepaalde maatschappelijke omstandigheden misschien toch vijf zou kunnen zijn, maar een kind dat nog maar nauwelijks kan tellen, weet beter. Hetzelfde geldt hier. Om te begrijpen dat een hulpeloos kind bescherming verdient, heeft men geen universitaire studie ethiek nodig. Men heeft ogen nodig, een geweten en een minimum aan gezond verstand. En misschien is dat laatste tegenwoordig wel de zeldzaamste van de drie.

De Bijbel is overigens niet nodig om te beseffen dat het hier om een kind gaat. Er wordt weleens gedaan alsof verzet tegen abortus uitsluitend een religieuze aangelegenheid is. Alsof men eerst in God moet geloven om te begrijpen dat het doden van onschuldig menselijk leven een moreel probleem vormt. Dat is een merkwaardige gedachte. Ik heb de Bijbel niet nodig om te weten dat een pasgeboren kind een mens is. Ik hoef het boek Genesis niet open te slaan om vast te stellen dat een kind in de baarmoeder tot dezelfde menselijke soort behoort als een kind daarbuiten. En ik hoef niet eerst het vijfde gebod te citeren om te begrijpen dat het opzettelijk vernietigen van weerloos menselijk leven een morele rechtvaardiging vereist.

De Bijbel verdiept ons inzicht in de waardigheid van het menselijk leven. Hij leert ons dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. Dat is een buitengewoon verheven waarheid. Maar zelfs wie daar niets van gelooft, kan begrijpen dat een mens geen ding is. Dat is nu juist de kracht van het natuurrecht, zoals Thomas van Aquino dat verstond. Goed en kwaad zijn niet uitsluitend te kennen via de openbaring. De menselijke rede kan wezenlijke morele waarheden ontdekken omdat zij in staat is de menselijke natuur te begrijpen. Het christendom heeft het morele besef niet uitgevonden. Het heeft het verdiept, gezuiverd en vervolmaakt. Men hoeft niet katholiek te zijn om tegen slavernij te zijn. Men hoeft niet protestants te zijn om marteling af te keuren. En men hoeft niet christelijk te zijn om te begrijpen dat een hulpeloos kind geen toestemming van de meerderheid nodig heeft om te mogen leven.

Sterker nog: wanneer een christelijke politicus aarzelt waar een ongelovige eenvoudigweg zou zeggen dat een levend geboren kind beschermd moet worden, dan is er iets merkwaardigs aan de hand. Dan is niet het christendom te ver gegaan, maar de christendemocraat niet ver genoeg. Er schuilt bovendien een wonderlijke tegenstrijdigheid in de manier waarop wij over ongeboren kinderen spreken. Een kind dat te vroeg geboren wordt en voor zijn leven vecht, kan rekenen op de inzet van een heel medisch team. Artsen, verpleegkundigen, couveuses en gespecialiseerde apparatuur worden ingezet om dat kleine leven te redden. Terecht. Maar wanneer een kind van vergelijkbare zwangerschapsduur levend ter wereld komt na een zwangerschapsafbreking, ontstaat kennelijk een ingewikkeld ethisch probleem.

Wat is er veranderd? Niet het wezen van het kind. Niet zijn kwetsbaarheid. Niet zijn vermogen om pijn te ervaren. Niet zijn afhankelijkheid van anderen. Wat is veranderd, is de bedoeling waarmee de zwangerschap eindigde. En daar ligt de morele absurditeit. Het ene kind moest worden gered. Het andere was niet bedoeld om te blijven leven. Maar sinds wanneer wordt de waarde van een mens bepaald door de bedoelingen van een ander? Als menselijke waardigheid werkelijk inherent is aan het mens-zijn, kan zij niet afhankelijk zijn van de vraag of iemand gewenst is. Anders spreken wij niet meer over mensenrechten, maar over gunsten die de ene mens aan de andere verleent.

Een kind is geen kind omdat het gewenst is.

En de rechten van de vrouw? Natuurlijk zal iemand nu tegenwerpen dat wij de rechten van de vrouw niet mogen vergeten. Haar gezondheid, haar vrijheid, haar angsten en haar soms onvoorstelbare verdriet verdienen het uiterste respect. Maar dat beantwoordt de vraag van Van Dijk niet. Hij vroeg niet of de overheid een zorgmedewerker tot een bepaalde ‘medische behandeling’ mag overgaan. Hij vroeg wat een zorgmedewerker behoort te doen wanneer er een levend geboren kind voor hem ligt. Dat kind bevindt zich inmiddels buiten het lichaam van de moeder. Het is een afzonderlijke patiënt. Welke rechten van de vrouw zouden ermee worden geschonden wanneer een verpleegkundige dat kind warmte, verzorging en medisch passende hulp biedt?

Wat mij in deze kwestie misschien nog het meest verbaast, is niet dat een christendemocraat een moeilijke vraag krijgt voorgelegd. Dat hoort bij zijn vak. Wat mij verbaast, is dat hij weigert een antwoord te geven op een vraag die de kern raakt van de christelijke mensvisie. Het CDA beroept zich graag op menselijke waardigheid, solidariteit en gespreide verantwoordelijkheid. Prachtige woorden. Alleen hebben woorden de hinderlijke eigenschap dat zij soms iets betekenen.

Solidariteit betekent bijvoorbeeld dat wij ons het lot aantrekken van degene die zichzelf niet kan verdedigen. Menselijke waardigheid betekent dat iemand waarde heeft vóórdat wij een oordeel over hem uitspreken. En verantwoordelijkheid betekent dat wij juist handelen wanneer handelen iets kost.

Een partij die deze beginselen werkelijk serieus neemt, zou toch minstens één ding met overtuiging moeten kunnen zeggen: een levend geboren kind verdient bescherming, ongeacht de omstandigheden waaronder het ter wereld is gekomen. Dat betekent niet dat iedere medische casus eenvoudig is. Het betekent dat de morele uitgangspositie helder moet zijn. Maar juist daar lijkt het CDA een bijzondere moeite mee te hebben. De partij beschikt over een bewonderenswaardig vermogen om principiële kwesties te veranderen in bestuurlijke vraagstukken. Zodra een moreel beginsel ongemakkelijk wordt, verschijnt er een afwegingskader. Zodra een duidelijke uitspraak nodig is, ontstaat er behoefte aan nadere beraadslaging. Men zou haast denken dat de C in CDA tegenwoordig staat voor Commissie. Het christendemocratische gedachtegoed wordt dan een soort antiek familiestuk. Men is er trots op, men vertelt graag hoe waardevol het is en men laat het bij bijzondere gelegenheden zien. Maar zodra iemand voorstelt het daadwerkelijk te gebruiken, wordt men nerveus. En zo wordt voorzichtigheid langzamerhand een dekmantel voor beginselloosheid.

Een beschaving wordt beoordeeld aan haar zwaksten.

De werkelijke toetssteen van een beschaving is niet hoe zij omgaat met succesvolle, gezonde en onafhankelijke mensen. Die redden zich meestal wel. De toetssteen is hoe zij omgaat met degenen die niets hebben om mee te onderhandelen. Met de ernstig gehandicapte, de stervende, de dementerende, de pasgeborene. Een kind kan geen verkiezingen winnen. Het kan geen demonstratie organiseren. Het kan geen opiniestuk schrijven. Het kan geen rechten opeisen en geen beroep doen op de publieke opinie. Een baby is niet minder mens dan een hoogleraar omdat de hoogleraar meer weet. Een gehandicapte is niet minder mens dan een atleet omdat de atleet meer kan. En een ongewenst kind is niet minder mens dan een gewenst kind omdat de omgeving anders over hem denkt. Dit is eenvoudig de consequentie van het gelijkheidsbeginsel.

Laten wij daarom terugkeren naar het begin. Een kind komt levend ter wereld. Het ademt. Het beweegt. Misschien huilt het. Misschien is het ernstig ziek. Misschien is zijn levensverwachting bijzonder kort. Wat moet een ziekenhuismedewerker doen? Ervoor zorgen. Punt. Niet noodzakelijkerwijs alles doen wat technisch mogelijk is. Wel alles wat medisch verantwoord en menselijk geboden is. Het kind behandelen als mens, als patiënt, als iemand die niet minder bescherming verdient omdat zijn komst niet was voorzien of gewenst. Dat is het antwoord.

Geen ingewikkelde theologie. Geen uitvoerige exegese. Geen drie commissievergaderingen, een studiegroep en een beleidsnotitie. Gewoon het antwoord dat iedere behoorlijke beschaving zou moeten kennen.

 

+Rob Mutsaerts