Pastoor John Rice stelt voor de hand liggende vragen die kennelijk ongemakkelijk zijn
Er was een tijd waarin de Kerk ervan werd beschuldigd op alles een antwoord te hebben. Tegenwoordig lijkt zij er steeds meer op gebrand de wereld ervan te verzekeren dat zij vooral vragen heeft. Wij zijn beland in een kerkelijk tijdperk waarin luisteren als een prestatie wordt gevierd, dialoog bijna als een sacrament wordt beschouwd en duidelijkheid soms wordt gezien als een betreurenswaardige vorm van agressie.
Men vraagt zich af wat de apostelen hiervan gevonden zouden hebben. Toen Petrus op Pinksteren voor de menigte stond, kondigde hij geen proces van gezamenlijke onderscheiding aan om te onderzoeken of de verrijzenis misschien verenigbaar was met de heersende culturele verwachtingen. Hij verkondigde dat Jezus Christus, die zij gekruisigd hadden, uit de dood was opgestaan. Zijn toehoorders werden diep in hun hart getroffen en vroegen wat zij moesten doen. Petrus gaf hun een antwoord: bekeer u en laat u dopen. Opmerkelijk genoeg groeide de Kerk.
Pastoor John Rice, parochiepriester van het bisdom Plymouth, heeft onlangs een ongemakkelijke, maar volkomen legitieme vraag gesteld over de richting waarin het hedendaagse kerkelijke denken zich beweegt. In een artikel op LifeSiteNews van 21 oktober, geschreven naar aanleiding van uitspraken tijdens een bijeenkomst in het Vaticaan ter gelegenheid van de tiende verjaardag van Amoris Laetitia, uit hij zijn bezorgdheid dat bepaalde interpretaties van synodaliteit de fundamentele zending van de Kerk op haar kop zetten. Proberen wij, in plaats van de wereld tot Christus te bekeren, het christendom tot de wereld te bekeren? Het is een vraag die een antwoord verdient. Sterker nog, tien jaar na Amoris Laetitia valt nauwelijks een noodzakelijker vraag te bedenken.
De directe aanleiding voor het artikel van pastoor John Rice is een toespraak van kardinaal Filipe Neri Ferrão, aartsbisschop van Goa en Daman, die sprak over veranderende gezinsstructuren in Azië, waaronder ongehuwd samenwonen, interreligieuze huwelijken en veranderende opvattingen over gender. Nee, de kardinaal pleitte niet voor het loslaten van de katholieke moraalleer. Zijn voornaamste zorg betrof de pastorale begeleiding, en er is op zichzelf niets verkeerds aan het aandachtig luisteren naar gezinnen die met ingewikkelde omstandigheden te maken hebben. Maar de kardinaal stelde ook de vraag wat de Heilige Geest van de Kerk zou kunnen verlangen te veranderen, niet alleen in haar pastorale activiteiten, maar ook in de manier waarop zij gezinnen tegemoet kan komen. En hier ligt een vraag van aanzienlijk theologisch gewicht. Wat moet er precies veranderen? Onze evangelisatiemethoden? Zeker, waar dat nodig is. Ons vermogen om de moeilijkheden van moderne gezinnen te begrijpen? Natuurlijk. Onze bereidheid om mensen die worstelen te begeleiden? Absoluut. Maar de waarheid over huwelijk, seksualiteit, zonde, genade en bekering? Dat is een heel andere zaak. De Kerk ontleent haar opvatting over het huwelijk niet aan sociologische ontwikkelingen. Zij ontvangt die van Christus.
Toen Jezus werd gevraagd naar zijn mening over echtscheiding, gaf Hij geen opdracht om een onderzoek in te stellen naar de huwelijksverwachtingen in het Palestina van de eerste eeuw. Hij verwees zijn toehoorders naar het begin: God schiep hen als man en vrouw, en de twee worden één vlees. Vervolgens voegde Hij daar een nogal ongemakkelijke conclusie aan toe: wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden. Het is moeilijk een uitspraak te bedenken die minder tegemoetkomt aan veranderende maatschappelijke omstandigheden. Toch heeft Jezus dit onomwonden gezegd. De Kerk moet onderscheid maken tussen het begrijpen van de wereld en het zich onderwerpen aan de wereld. Het eerste is onmisbaar voor de evangelisatie. Het tweede betekent het einde van de evangelisatie.
De belangrijkste observatie van pastoor Rice betreft de geleidelijke verdringing van bekering door begeleiding. Die twee zouden nooit tegenover elkaar mogen staan. Een goede herder begeleidt zijn schapen juist omdat hij weet waarheen zij moeten gaan. Als de herder slechts achter zijn schapen aanloopt, waarheen zij ook afdwalen, zal hij misschien buitengewoon populair zijn, maar hij is opgehouden herder te zijn. Een herder zonder bestemming is eenvoudigweg een schaap te midden van de andere schapen, zij het eentje met een herdersstaf.
De modieuze gedachte dat het verkondigen van morele waarheid op de een of andere manier strijdig zou zijn met pastorale gevoeligheid, berust op een opmerkelijk pessimistisch mensbeeld. Zij suggereert dat mensen niet in staat zijn aan de eisen van het Evangelie te beantwoorden en daarom gerustgesteld moeten worden dat hun huidige levensomstandigheden nauwelijks een fundamentele verandering vereisen. Maar het christendom is niet gebaseerd op de veronderstelling dat de mens niet kan veranderen. Het is gebaseerd op de verbazingwekkende verkondiging dat hij dat - met Gods genade - juist wél kan.
De tien jaar Amoris Laetitia biedt niet alleen gelegenheid tot een feestelijke herdenking, maar ook tot een serieus gewetensonderzoek. De apostolische exhortatie bevat veel prachtige beschouwingen over huwelijksliefde, gezinsleven, geduld, vergeving en de opvoeding van kinderen. Die verdienen erkenning. Toch zou het intellectueel oneerlijk zijn te doen alsof de ontvangst ervan geen ernstige controverse heeft veroorzaakt. In 2016 dienden vier kardinalen hun beroemde dubia in, waarin zij om verduidelijking vroegen over het huwelijk, het geweten, intrinsiek kwade handelingen en de toegang tot de sacramenten. Hun vragen waren geen oefeningen in theologische haarkloverij. Zij betroffen de verhouding tussen de pastorale praktijk en de gevestigde katholieke leer. Kan een intrinsiek kwade handeling door omstandigheden moreel geoorloofd worden? Kan het geweten rechtmatig toestaan wat Gods geboden verbieden? Kan de sacramentele discipline in tegenspraak zijn met de leer van de Kerk over de onontbindbaarheid van het huwelijk? Het antwoord luidde immer: ‘ja’. Het antwoord laat nog steeds op zich wachten.
Dit zijn geen ondergeschikte kwesties. Zij raken aan de fundamenten van de katholieke moraaltheologie. Tien jaar later kunnen die fundamentele zorgen niet eenvoudig terzijde worden geschoven door een beroep te doen op onderscheiding, begeleiding of synodaliteit. Sterker nog, wanneer onderscheiding een middel wordt om tot conclusies te komen die strijdig zijn met de goddelijke openbaring, is zij geen onderscheiding meer in katholieke zin. Dan is het herziening. Het is godslasterlijk te beweren dat dit ingegeven zou zijn door de Heilige Geest. En wanneer de pastorale praktijk systematisch in tegenspraak is met de leer, terwijl zij formeel haar trouw daaraan blijft belijden, dreigt die leer weinig meer te worden dan een decoratieve inscriptie op de gevel van een instituut dat niet langer van plan is ernaar te leven.
De Kerk kan de waarheid niet bewaren door haar eenvoudigweg in de Catechismus te laten staan, terwijl zij haar ondertussen stilletjes uit de biechtstoel verwijdert. Paus Johannes Paulus II begreep dit gevaar. In Veritatis Splendor bevestigde hij opnieuw dat bepaalde handelingen intrinsiek kwaad zijn en niet gerechtvaardigd kunnen worden door bedoelingen of omstandigheden. Die leer is niet door Johannes Paulus II uitgevonden. Zij behoort tot de morele traditie van de Kerk. Een authentieke ontwikkeling verdiept ons begrip van de geopenbaarde waarheid. Zij verandert niet wat gisteren moreel verkeerd was in de pastorale deugd van vandaag.
Pastoor Rice is bijzonder kritisch over wat hij de hedendaagse synodale mentaliteit noemt. Synodaliteit hoeft, mits goed begrepen, op zichzelf geen probleem te zijn. De Kerk heeft altijd overleg gevoerd, geluisterd, gedebatteerd en concilies en synodes bijeengeroepen. Het concilie van Jeruzalem - zoals beschreven in de Handelingen van de Apostelen - biedt daarvan een duidelijk voorbeeld. Maar de apostelen kwamen niet bijeen om te bepalen of de goddelijke openbaring moest worden aangepast aan de voorkeuren van hun tijdgenoten. Zij kwamen bijeen om getrouw te onderscheiden wat God had geopenbaard en wat de Kerk verplicht was te onderwijzen. Dat onderscheid is beslissend. De Heilige Geest is niet aan de Kerk gegeven opdat iedere generatie een gemakkelijker christendom zou kunnen uitvinden. Hij is gegeven om haar tot de volle waarheid te leiden.
Een synodaal proces kan nuttig zijn wanneer het de Kerk helpt die waarheid doeltreffender te verkondigen. Het wordt gevaarlijk wanneer het proces zelf een groter gezag krijgt dan de geloofsschat die het geacht wordt te dienen. Soms krijgt men de indruk dat het moderne kerkelijke instituut een buitengewoon vermogen ontwikkelt om bijeenkomsten over evangelisatie te organiseren, terwijl het steeds terughoudender wordt om de waarheden te verkondigen die evangelisatie juist noodzakelijk maken. Wij houden consultaties over consultaties, discussies over dialoog en schrijven rapporten over luisteren. Ondertussen zou de gewone katholiek heel redelijk een eenvoudige vraag kunnen stellen: wat gelooft de Kerk nu eigenlijk? Hij verdient een antwoord. Geen werkdocument.
Rice waarschuwt ook voor een tendens naar religieus universalisme: de gedachte dat het heil uiteindelijk voor iedereen verzekerd is, ongeacht geloof, berouw of bekering. Als iedereen automatisch wordt gered, wordt evangelisatie een facultatieve activiteit. Het kruis wordt dan een dramatische illustratie in plaats van de beslissende verlossingsdaad. Berouw wordt overbodig. De missie verliest haar urgentie. Een christendom dat niet langer gelooft dat de mensheid gered moet worden, zal uiteindelijk ophouden te proberen iemand te redden. En een Kerk die mensen niet langer tot bekering oproept, zou wel eens kunnen ontdekken dat zij weinig anders meer te bieden heeft dan een religieuze goedkeuring van de heersende cultuur. Dat is een tragedie vermomd als pastorale vooruitgang.
Het is mogelijk hoffelijk te zijn zonder dubbelzinnig te worden, meelevend zonder toegeeflijk te zijn, en pastoraal zonder leerstellige vragen te ontwijken. Sterker nog, juist omdat wij van mensen houden, zijn wij hun de waarheid verschuldigd. De grootste daad van naastenliefde die de Kerk kan stellen, is niet de wereld geruststellen dat zij al volmaakt is zoals zij is. Er is niets bijzonder moedigs aan een Kerk die het eens is met de heersende cultuur. Integendeel, het is zelfs buitengewoon laf. De wereld heeft al genoeg instellingen die daartoe bereid zijn. Wat zij nodig heeft, is een Kerk die bereid is zichzelf te zijn: een Kerk die het huwelijk onderwijst zoals Christus het heeft onderwezen; een Kerk die de zonde bij haar naam noemt zonder ooit op te houden de zondaar lief te hebben; een Kerk die in berouw en bekering gelooft omdat zij in vergeving gelooft; een Kerk die het eeuwige leven verkondigt omdat zij de mogelijkheid van het eeuwige verlies serieus neemt. Bovenal een Kerk die zich herinnert dat het niet haar taak is het Evangelie tot elke prijs aanvaardbaar te maken voor de wereld, maar Christus aan de wereld bekend te maken, wat het ook moge kosten!
Tien jaar na Amoris Laetitia zou het ons toch toegestaan moeten zijn de vraag te stellen of het overheersende pastorale taalgebruik werkelijk altijd heeft geleid tot grotere duidelijkheid, sterkere huwelijken, meer bekeringen en een diepere trouw aan de katholieke leer. Dat zijn vragen die om bewijzen vragen, niet om slogans. Pastoor Rice heeft de Kerk een dienst bewezen door erop aan te dringen dat zij niet eenvoudig terzijde kunnen worden geschoven. Men kan kritiek hebben op zijn toon, men kan bepaalde interpretaties van hem ter discussie stellen, maar de wezenlijke vraag blijft onbeantwoord zolang oproepen tot dialoog worden gebruikt om de eisen van het Evangelie te ontwijken. Er schuilt tenslotte een zekere ironie in een Kerk die er voortdurend op hamert dat naar iedereen geluisterd moet worden, maar die zich soms bijzonder ongemakkelijk lijkt te voelen wanneer iemand een eenvoudige theologische vraag stelt. Misschien zou de volgende fase van de synodale weg eens iets werkelijk revolutionairs moeten inhouden: in plaats van eindeloos te vragen wat de wereld van de Kerk verwacht, zouden wij opnieuw kunnen beginnen te luisteren naar wat Christus al heeft gezegd. En dat vervolgens, met alle naastenliefde, moed en duidelijkheid die wij kunnen opbrengen, ook daadwerkelijk verkondigen.
+Rob Mutsaerts
