Boys will be boys.

Het is een van die waarnemingen die bijna universeel lijkt te zijn: in alle culturen en in alle tijden voelen jongens zich vaak aangetrokken tot stoeien, competitie, avontuur, grappen, risicos nemen en het opzoeken van grenzen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar het patroon is opmerkelijk constant. Dat is zowel een biologisch als een cultureel gegeven: het is van alle tijden en culturen.

Vanuit biologisch perspectief worden jongens gemiddeld vóór de geboorte en opnieuw tijdens de puberteit blootgesteld aan hogere niveaus van testosteron. Dat beïnvloedt hun neiging tot lichamelijke activiteit, het zoeken naar spanning en competitief gedrag. Ontwikkelingspsychologen hebben bovendien vastgesteld dat jongens gemiddeld vaker deelnemen aan zogenoemd ruw spel. Dat helpt hen waarschijnlijk om zelfbeheersing te ontwikkelen, sociale verhoudingen te leren kennen en de juiste balans te vinden tussen kracht en beheersing. Contactsporten zoals voetbal en rugby passen prima bij deze aangeboren neigingen.

De evolutionaire psychologie biedt een aanvullende verklaring. Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis vervulden mannen vaak taken als jagen, verdedigen van de gemeenschap en wedijveren om status. Eigenschappen als nieuwsgierigheid, durf, competitie en samenwerking binnen groepen kunnen daardoor gedurende vele generaties zijn bevorderd. Niet iedere evolutionaire verklaring staat onomstotelijk vast, maar zij helpt wel te begrijpen waarom bepaalde verschillen tussen mannen en vrouwen in vrijwel alle samenlevingen terugkeren.

Vervolgens vormt de cultuur deze natuurlijke aanleg. Iedere samenleving heeft verwachtingen over wat het betekent om jongen of man te zijn. Jongens leren van hun vaders, vrienden, sport, verhalen en de media. Die invloeden kunnen hun aangeboren neigingen versterken, afzwakken of in goede banen leiden. Een cultuur die discipline hoog in het vaandel voert zal de competitieve geest van jongens misschien richten op krijgskunst of muziek; een andere cultuur op sport of ondernemerschap. De onderliggende energie blijft vaak dezelfde, maar krijgt een andere vorm. Daarbij past een belangrijke nuance: dit zijn gemiddelden, geen wetten. Er zijn genoeg meisjes die graag klimmen, ravotten en concurreren, en veel jongens die juist de voorkeur geven aan boeken, muziek of rustige bezigheden, maar dat doet niets af aan hun aangeboren natuur als jongen en meisje.

Wanneer mensen zeggen: boys will be boys”, wijzen zij meestal op terugkerende patronen die voortkomen uit de wisselwerking tussen biologie en cultuur. Dit verwijst naar normale ontwikkelingskenmerken zoals uitbundigheid, avontuur, speelsheid en het aftasten van grenzen. Het wordt problematisch wanneer het wordt gebruikt als excuus voor gedrag dat gecorrigeerd moet worden, zoals pesten, agressie of respectloosheid. Jongens blijven jongens omdat de menselijke natuur opmerkelijk stabiel is. De opdracht van iedere gezonde samenleving is niet om die natuurlijke energie te ontkennen, maar haar te vormen tot moed, verantwoordelijkheid en deugd.

 

Als het in de natuur van de mens ligt: wat betekent dat voor het transgenderdebat?

Er bestaat een lange filosofische en religieuze traditie die stelt dat de mens een gegeven natuur bezit: mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn niet slechts sociale rollen, maar behoren zij tot het wezen van de persoon. Binnen het katholieke denkkader worden de verschillende ontwikkelingspatronen van jongens en meisjes gezien als aanwijzingen dat het biologische geslacht een fundamenteel onderdeel van de menselijke identiteit is.

Vooral binnen de katholieke traditie wordt benadrukt dat het lichaam niet losstaat van de persoon, maar juist uitdrukt wie de persoon is. Het lichaam is geen toevallig omhulsel; het behoort wezenlijk tot de menselijke persoon. Daarom kan men het eigen geslacht niet werkelijk veranderen, ook al kunnen gevoelens een andere richting in wijzen. Medische ingrepen veranderen de menselijke identiteit niet.

Als de menselijke natuur objectief is en niet door onszelf wordt gecreëerd, dan ligt werkelijk menselijk geluk in het leven overeenkomstig die natuur. Als het mannelijk of vrouwelijk zijn een wezenlijk onderdeel van die natuur vormt, dan kan dit niet worden veranderd door gevoelens, maatschappelijke erkenning of medische behandeling. Wanneer iemand wordt aangemoedigd te geloven dat hij of zij werkelijk tot het andere geslacht kan gaan behoren, botst deze overtuiging met de biologische werkelijkheid (bijvoorbeeld op het gebied van voortplanting, lichamelijke ontwikkeling of de noodzaak van levenslange medische behandeling).  Vanuit katholieke visie is de grootste zorg niet een moreel oordeel, maar juist mededogen: de vrees dat iemand die oprecht naar innerlijke vrede zoekt, uiteindelijk teleurgesteld raakt wanneer het fundamentele conflict niet wordt opgelost. Voor spijtoptanten is er geen weg terug, daar de medische ingrepen doorgaans onomkeerbaar zijn. Feitelijk is er sprake van verminking van het lichaam. Dat artsen hieraan meewerken blijft voor mij een raadsel.

Indien de menselijke natuur wezenlijk mannelijk of vrouwelijk is en het lichaam een betekenisvolle uitdrukking vormt van de persoon, dan brengt het streven om als het andere geslacht te leven het risico met zich mee van een blijvende spanning tussen de subjectieve beleving en de objectieve werkelijkheid. Volgens de natuurrechtelijke traditie ligt ware barmhartigheid daarom niet in het aanpassen van het lichaam aan de beleving, maar in het zoeken naar verzoening met de eigen door God geschapen natuur.

 

Eed van Hypocrates

De geneeskunde is van oudsher gericht op het herstellen of behouden van de lichamelijke gezondheid. Een arts is een heelmeester: hij geneest wat ziek is, herstelt wat beschadigd is en verlicht waar genezing niet mogelijk is. Gezonde organen of lichaamsdelen verwijderen zonder dat zij zelf ziek zijn, is vanuit dit uitgangspunt in strijd met het wezen van de geneeskunde.

Daarom spreken we van verminking. In de katholieke moraal is amputatie of verwijdering van een lichaamsdeel alleen geoorloofd wanneer dat noodzakelijk is om een ernstiger kwaad af te wenden, bijvoorbeeld het amputeren van een been vanwege een kwaadaardige tumor of het verwijderen van een ontstoken blindedarm. Dit berust op het therapeutisch principe: een deel van het lichaam mag worden opgeofferd ten behoeve van het welzijn van het geheel.

Bij geslachtsbevestigende operaties is de situatie anders. De geslachtsorganen zijn in de regel anatomisch gezond. De ingreep heeft niet tot doel een lichamelijke ziekte te behandelen. Juist daarom zijn deze operaties niet therapeutisch: een gezond lichaam wordt aangepast aan een psychische beleving, terwijl de geneeskunde juist de psychische beleving zou moeten helpen zich met de lichamelijke werkelijkheid te verzoenen.

Hoe verhoudt zich dit tot de eed van Hippocrates? De oorspronkelijke eed bevat geen expliciete uitspraak over dergelijke operaties. Wel staat zij geheel in het teken van twee fundamentele principes: 1. handelen ten bate van de patiënt; 2. geen schade toebrengen (primum non nocere – “allereerst geen schade berokkenen”). Hoewel deze beroemde formulering niet letterlijk in de oorspronkelijke eed voorkomt, is zij wel een klassiek uitgangspunt van de medische ethiek.

Hier ligt precies de kern.  Het verwijderen van gezonde organen, met onomkeerbare gevolgen zoals onvruchtbaarheid, verlies van seksuele functies en levenslange afhankelijkheid van medische zorg, is een ernstige vorm van schade is. Documenten als de instructie Dignitas Infinita (2024) stellen dat het menselijk lichaam een gave is die met respect moet worden ontvangen en dat pogingen om het geslacht door medische ingrepen te veranderen niet stroken met de waardigheid van de menselijke persoon. Vanuit deze visie wordt het opzettelijk onvruchtbaar maken of blijvend veranderen van gezonde geslachtsorganen gezien als moreel ongeoorloofd, juist omdat het gezonde functies van het lichaam opoffert zonder dat er sprake is van een lichamelijke aandoening van die organen.

+Rob Mutsaerts


Synodaal proces: een doodlopende weg

De zogenoemde Synode over Synodaliteit, die van 2021 tot 2024 plaatsvond onder het pontificaat van paus Franciscus, werd gepresenteerd als een proces van communio, participatie en missie”. Het ging daarbij niet uitsluitend om een vergadering van bisschoppen over een bepaald pastoraal vraagstuk. De inzet was fundamenteler: de gehele Kerk moest leren synodaal” te worden. Synodaliteit werd omschreven als een bepaalde stijl, houding en werkwijze waarbij gelovigen samen luisteren, onderscheiden en verantwoordelijkheid dragen. Paus Franciscus noemde synodaliteit zelfs het geschikte interpretatiekader om het hiërarchische ambt te begrijpen.

Juist deze brede ambitie vormt een gevaar. Niet omdat overleg, luisteren of samenwerking onkatholiek zouden zijn, maar omdat het begrip synodaliteit niet gedefinieerd is. Het kan tegelijk verwijzen naar spiritualiteit, consultatie, kerkbestuur, besluitvorming, deelname van leken, bisschoppelijke collegialiteit en de verhouding tussen lokale kerken en Rome. Een begrip dat bijna alles kan betekenen, kan gemakkelijk worden gebruikt om veranderingen door te voeren zonder precies te zeggen welke theologische of juridische verandering plaatsvindt.

De Kerk kent vanaf haar vroegste eeuwen concilies en bisschoppensynoden. Ook het Tweede Vaticaans Concilie benadrukte de collegialiteit van de bisschoppen en de waardigheid en verantwoordelijkheid van alle gedoopten. De term synodaliteit” in zijn huidige, programmatische betekenis is echter nieuw. Onder Franciscus werd synodaliteit niet langer slechts een aanduiding van bepaalde kerkelijke vergaderingen, maar een constitutieve dimensie” van heel het kerkelijke leven, wat dat ook moge betekenen.

1. Hier ontstaat het eerste risico: een verschuiving van de goddelijke constitutie van de Kerk naar een permanent proces. Volgens de katholieke ecclesiologie is de Kerk geen gemeenschap die zichzelf telkens opnieuw uitvindt. Zij ontvangt haar wezen, geloof, sacramenten en ambten van Christus. De bisschoppen zijn geen afgevaardigden van een kerkelijk electoraat, maar opvolgers van de apostelen.

Wanneer voortdurend wordt gesproken over samen onderweg zijn”, open processen” en besluiten die idealiter uit een gezamenlijke onderscheiding voortkomen, kan de indruk ontstaan dat gezag pas legitiem wordt nadat alle betrokkenen gehoord zijn. Het einddocument van 2024 bevestigt weliswaar uitdrukkelijk dat de beslissingsbevoegdheid van bisschop, bisschoppencollege en paus onvervreemdbaar is. Tegelijk verlangt het dat gezagsdragers breed consulteren en, wanneer zij anders beslissen dan geadviseerd, uitleggen hoe zij de ontvangen adviezen hebben verwerkt. Dit kan redelijk klinken, maar dreigt het gezag te veranderen in een verantwoordingsplicht tegenover een procesmatig gevormde meerderheid.

2. Een tweede gevaar is de verwarring tussen de sensus fidei en publieke opinie. De katholieke traditie erkent dat de gedoopten door de Heilige Geest een bovennatuurlijk geloofsinstinct bezitten. Dat betekent echter niet dat iedere mening van iemand die zichzelf katholiek noemt, een uiting van de sensus fidelium is. De sensus fidei wordt uitgeoefend binnen het geleefde geloof, in verbondenheid met de Schrift, de Traditie en het leergezag. Het volk Gods ontvangt het Woord onder leiding van het magisterium; het produceert niet door overleg een nieuwe openbaring.

Kardinaal Robert Sarah heeft daarom terecht gewaarschuwd tegen een klakkeloze vereenzelviging van katholieke identiteit met de sensus fidei. Culturele identificatie of formeel kerklidmaatschap is nog geen belijdenis van het katholieke geloof. Wanneer synodale verslagen wensen, frustraties en sociologische gegevens behandelen alsof daarin rechtstreeks de stem van de Heilige Geest klinkt, ontstaat een theologische kortsluiting. De Geest spreekt niet tegen de door Hem geïnspireerde Schrift en de overgeleverde geloofsleer in.

3. Het derde risico is doctrinaire verandering door middel van pastorale taal. Synodale documenten zeggen doorgaans dat het niet om parlementaire besluitvorming of wijziging van de leer gaat. Toch worden juist controversiële themas - seksualiteit, de positie van vrouwen, de inrichting van het ambt en de decentralisatie van gezag - herhaaldelijk in synodale processen ingebracht. De vorm kan daardoor een inhoudelijke werking krijgen. Wat niet rechtstreeks als leerstellige verandering wordt voorgesteld, kan via gewijzigde pastorale praktijken, terminologie en lokale experimenten alsnog normatief worden.

Kardinaal Raymond Burke formuleert dit bezwaar bijzonder scherp. Hij stelt dat de huidige synodaliteit de hiërarchische constitutie van de Kerk dreigt te wijzigen en dat Christus, de goddelijke instelling van de Kerk en de redding van zielen onvoldoende centraal staan. Zijn waarschuwing moet niet worden afgedaan als louter verzet tegen dialoog. Zij raakt een essentieel katholiek beginsel: pastorale methoden mogen nooit zo zelfstandig worden dat zij feitelijk de geloofsleer gaan corrigeren.

4. Een vierde gevaar is permanente institutionele onzekerheid. Als ieder bestuursniveau voortdurend moet luisteren, onderscheiden, evalueren en opnieuw consulteren, kan daadkracht plaatsmaken voor procedure. De Kerk wordt dan voorgesteld als een organisatie die nog moet ontdekken wat zij is en wat zij moet verkondigen. Bovendien kunnen professioneel georganiseerde belangengroepen, theologische elites en kerkelijke bureaucratieën meer invloed krijgen dan gewone gelovigen die eenvoudig trouw willen blijven aan de geloofs- en zedenleer.

Dat betekent niet dat de Kerk iedere ontwikkeling of hervorming afwijst. Katholieke continuïteit is geen onbeweeglijkheid. De leer kan zich verdiepen en kerkelijke structuren kunnen worden verbeterd. Maar authentieke ontwikkeling bewaart identiteit; zij presenteert geen nieuwe bestuurscultuur alsof deze achteraf altijd al de essentie van de Kerk is geweest. Het probleem is daarom niet synodaal overleg als zodanig. Het probleem ontstaat wanneer synodaliteit van een begrensd hulpmiddel leidt tot een paradigma-verschuiving

De noodzakelijke correctie bestaat uit een duidelijke rangorde. Christus komt vóór het proces; openbaring vóór ervaring; geloof vóór opinie; het apostolische ambt vóór bestuurlijke participatie; heiligheid en bekering vóór institutionele representativiteit. Consultatie kan de herder helpen, maar zij verleent hem niet zijn gezag. De gelovigen moeten worden gehoord, maar het geloof wordt niet door stemming vastgesteld. De Kerk mag samen op weg zijn, maar alleen omdat zij reeds een ontvangen Weg kent: Jezus Christus, dezelfde gisteren, heden en in eeuwigheid. Het is tijd om een punt te zetten achter deze malheur.

 

+Rob Mutsaerts