De zogenoemde Synode over Synodaliteit, die van 2021 tot 2024 plaatsvond onder het pontificaat van paus Franciscus, werd gepresenteerd als een proces van “communio, participatie en missie”. Het ging daarbij niet uitsluitend om een vergadering van bisschoppen over een bepaald pastoraal vraagstuk. De inzet was fundamenteler: de gehele Kerk moest leren “synodaal” te worden. Synodaliteit werd omschreven als een bepaalde stijl, houding en werkwijze waarbij gelovigen samen luisteren, onderscheiden en verantwoordelijkheid dragen. Paus Franciscus noemde synodaliteit zelfs het geschikte interpretatiekader om het hiërarchische ambt te begrijpen.
Juist deze
brede ambitie vormt een gevaar. Niet omdat overleg, luisteren of samenwerking
onkatholiek zouden zijn, maar omdat het begrip synodaliteit niet gedefinieerd is.
Het kan tegelijk verwijzen naar spiritualiteit, consultatie, kerkbestuur,
besluitvorming, deelname van leken, bisschoppelijke collegialiteit en de
verhouding tussen lokale kerken en Rome. Een begrip dat bijna alles kan
betekenen, kan gemakkelijk worden gebruikt om veranderingen door te voeren
zonder precies te zeggen welke theologische of juridische verandering
plaatsvindt.
De Kerk kent
vanaf haar vroegste eeuwen concilies en bisschoppensynoden. Ook het Tweede
Vaticaans Concilie benadrukte de collegialiteit van de bisschoppen en de
waardigheid en verantwoordelijkheid van alle gedoopten. De term “synodaliteit” in zijn huidige,
programmatische betekenis is echter nieuw. Onder Franciscus werd synodaliteit
niet langer slechts een aanduiding van bepaalde kerkelijke vergaderingen, maar
een “constitutieve dimensie” van heel het
kerkelijke leven, wat dat ook moge betekenen.
1. Hier
ontstaat het eerste risico: een verschuiving van de goddelijke constitutie
van de Kerk naar een permanent proces. Volgens de katholieke ecclesiologie
is de Kerk geen gemeenschap die zichzelf telkens opnieuw uitvindt. Zij ontvangt
haar wezen, geloof, sacramenten en ambten van Christus. De bisschoppen zijn
geen afgevaardigden van een kerkelijk electoraat, maar opvolgers van de
apostelen.
Wanneer
voortdurend wordt gesproken over “samen
onderweg zijn”, “open processen” en besluiten die idealiter uit een
gezamenlijke onderscheiding voortkomen, kan de indruk ontstaan dat gezag pas
legitiem wordt nadat alle betrokkenen gehoord zijn. Het einddocument van 2024
bevestigt weliswaar uitdrukkelijk dat de beslissingsbevoegdheid van bisschop,
bisschoppencollege en paus onvervreemdbaar is. Tegelijk verlangt het dat
gezagsdragers breed consulteren en, wanneer zij anders beslissen dan
geadviseerd, uitleggen hoe zij de ontvangen adviezen hebben verwerkt. Dit kan
redelijk klinken, maar dreigt het gezag te veranderen in een
verantwoordingsplicht tegenover een procesmatig gevormde meerderheid.
2. Een tweede
gevaar is de verwarring tussen de sensus fidei en publieke opinie. De
katholieke traditie erkent dat de gedoopten door de Heilige Geest een
bovennatuurlijk geloofsinstinct bezitten. Dat betekent echter niet dat iedere
mening van iemand die zichzelf katholiek noemt, een uiting van de sensus fidelium is. De sensus fidei wordt uitgeoefend binnen het geleefde
geloof, in verbondenheid met de Schrift, de Traditie en het leergezag. Het volk
Gods ontvangt het Woord onder leiding van het magisterium; het produceert niet
door overleg een nieuwe openbaring.
Kardinaal
Robert Sarah heeft daarom terecht gewaarschuwd tegen een klakkeloze
vereenzelviging van katholieke identiteit met de sensus fidei. Culturele identificatie of formeel
kerklidmaatschap is nog geen belijdenis van het katholieke geloof. Wanneer
synodale verslagen wensen, frustraties en sociologische gegevens behandelen
alsof daarin rechtstreeks de stem van de Heilige Geest klinkt, ontstaat een
theologische kortsluiting. De Geest spreekt niet tegen de door Hem geïnspireerde
Schrift en de overgeleverde geloofsleer in.
3. Het derde
risico is doctrinaire verandering door middel van pastorale taal.
Synodale documenten zeggen doorgaans dat het niet om parlementaire
besluitvorming of wijziging van de leer gaat. Toch worden juist controversiële thema’s - seksualiteit, de positie van
vrouwen, de inrichting van het ambt en de decentralisatie van gezag -
herhaaldelijk in synodale processen ingebracht. De vorm kan daardoor een
inhoudelijke werking krijgen. Wat niet rechtstreeks als leerstellige
verandering wordt voorgesteld, kan via gewijzigde pastorale praktijken,
terminologie en lokale experimenten alsnog normatief worden.
Kardinaal
Raymond Burke formuleert dit bezwaar bijzonder scherp. Hij stelt dat de huidige
synodaliteit de hiërarchische constitutie van de Kerk dreigt te wijzigen en dat
Christus, de goddelijke instelling van de Kerk en de redding van zielen
onvoldoende centraal staan. Zijn waarschuwing moet niet worden afgedaan als
louter verzet tegen dialoog. Zij raakt een essentieel katholiek beginsel:
pastorale methoden mogen nooit zo zelfstandig worden dat zij feitelijk de
geloofsleer gaan corrigeren.
4. Een vierde
gevaar is permanente institutionele onzekerheid. Als ieder
bestuursniveau voortdurend moet luisteren, onderscheiden, evalueren en opnieuw
consulteren, kan daadkracht plaatsmaken voor procedure. De Kerk wordt dan
voorgesteld als een organisatie die nog moet ontdekken wat zij is en wat zij
moet verkondigen. Bovendien kunnen professioneel georganiseerde
belangengroepen, theologische elites en kerkelijke bureaucratieën meer invloed
krijgen dan gewone gelovigen die eenvoudig trouw willen blijven aan de geloofs-
en zedenleer.
Dat betekent
niet dat de Kerk iedere ontwikkeling of hervorming afwijst. Katholieke continuïteit
is geen onbeweeglijkheid. De leer kan zich verdiepen en kerkelijke structuren
kunnen worden verbeterd. Maar authentieke ontwikkeling bewaart identiteit; zij
presenteert geen nieuwe bestuurscultuur alsof deze achteraf altijd al de
essentie van de Kerk is geweest. Het probleem is daarom niet synodaal overleg
als zodanig. Het probleem ontstaat wanneer synodaliteit van een begrensd
hulpmiddel leidt tot een paradigma-verschuiving
De
noodzakelijke correctie bestaat uit een duidelijke rangorde. Christus komt vóór
het proces; openbaring vóór ervaring; geloof vóór opinie; het apostolische ambt
vóór bestuurlijke participatie; heiligheid en bekering vóór institutionele
representativiteit. Consultatie kan de herder helpen, maar zij verleent hem
niet zijn gezag. De gelovigen moeten worden gehoord, maar het geloof wordt niet
door stemming vastgesteld. De Kerk mag samen op weg zijn, maar alleen omdat zij
reeds een ontvangen Weg kent: Jezus Christus, dezelfde gisteren, heden en in
eeuwigheid. Het is tijd om een punt te zetten achter deze malheur.
+Rob Mutsaerts