De katholieke Kerk beroemt zich op haar universaliteit, koestert een indrukwekkende verscheidenheid aan liturgische tradities en beschouwt die verscheidenheid als een uitdrukking van haar rijkdom. Een katholiek kan de goddelijke liturgie bijwonen volgens de Byzantijnse traditie, de Maronitische traditie, de Armeense traditie of de Chaldeeuwse traditie. Niemand vindt dat op zichzelf een bedreiging voor de kerkelijke eenheid. Maar zodra een katholiek de Mis wil bijwonen zoals die eeuwenlang in Rome, Parijs, Amsterdam en vrijwel de gehele Latijnse Kerk werd gevierd, beginnen sommige kerkelijke autoriteiten in Rome zich zorgen te maken.
Plotseling wordt liturgische verscheidenheid een probleem. Plotseling wordt gehechtheid aan de traditie verdacht. En plotseling moet de eenheid van de Kerk worden beschermd tegen mensen die willen bidden zoals hun voorouders dat deden. Dat roept een vraag op die beslist niet onredelijk is: waarom is vrijwel iedere oude katholieke liturgische traditie een rijkdom, behalve de oude Romeinse liturgie?
Kardinaal Roche stelde onlangs in een interview met AdVaticanum, gepubliceerd op 13 oktober 2026, dat traditionalistische groepen de vroegere liturgie soms gebruiken om zich te verzetten tegen de liturgische hervorming van het Tweede Vaticaans Concilie. Volgens de kardinaal kan een dergelijke houding de kerkelijke eenheid aantasten. Hij waarschuwde dat wie het Concilie verwerpt, zich verwijdert van het centrum van het katholicisme. Bovendien zei hij dat katholieken volgens hem niet uitsluitend de oude Mis zouden moeten bezoeken. Hier is een belangrijk onderscheid noodzakelijk.
Wie de geldigheid van de nieuwe Mis principieel ontkent, de pauselijke autoriteit verwerpt of beweert dat de katholieke Kerk na Vaticanum II niet langer de katholieke Kerk is, neemt inderdaad een problematische positie in. Maar wie de traditionele Mis liefheeft, daarmee zijn geloof verdiept, de katholieke leer aanvaardt en trouw blijft aan de paus, kan niet zonder meer van hetzelfde worden beschuldigd. Gehechtheid aan een liturgische traditie is niet hetzelfde als afwijzing van het leergezag. Precies dit onderscheid dreigt in de huidige discussie verloren te gaan.
De katholieke Kerk omvat 24 Kerken sui iuris: de Latijnse Kerk en 23 oosters-katholieke Kerken. Zij kennen verschillende liturgische tradities. Denk aan de Byzantijnse, Alexandrijnse, Antiochische, Armeense en Oost-Syrische tradities. Ook binnen de westerse katholieke wereld bestaan bijzondere liturgische gebruiken, waaronder de Ambrosiaanse ritus in Milaan. En niemand hoeft voor de eenheid van de Kerk te vrezen wanneer een Byzantijns-katholieke priester zich voor de iconostase bevindt, de wierook rijkelijk opstijgt en de gelovigen een liturgie meemaken die op allerlei punten verschilt van de gebruikelijke Romeinse Mis. Want katholieke eenheid is nooit hetzelfde geweest als liturgische uniformiteit. Sterker nog, het Tweede Vaticaans Concilie zegt in Sacrosanctum Concilium uitdrukkelijk dat alle wettig erkende riten gelijkwaardig zijn en dat de Kerk ze wil bewaren en bevorderen. Dat is een opmerkelijke uitspraak in het licht van de uitspraken van kardinaal Roche. Als liturgische verscheidenheid de eenheid van de Kerk niet noodzakelijk schaadt, waarom zou de eeuwenoude Romeinse liturgie dat dan wel doen? Het katholieke geloof is immers geen verzameling gebruiken waarvan de houdbaarheidsdatum door een kerkelijke commissie wordt vastgesteld.
De naoorlogse liturgische praktijk heeft een verschuiving heeft laten zien van Gods transcendentie naar de gemeenschap als middelpunt. Wanneer de eucharistie steeds meer lijkt op een gezamenlijke maaltijd, een viering van menselijke verbondenheid of een gelegenheid voor pastorale creativiteit, dreigt de offerdimensie naar de achtergrond te verdwijnen. Juist daartegen vormt de traditionele liturgie, met haar consequente gerichtheid op God, een zichtbaar tegenwicht. En misschien ligt dáár een deel van het ongemak: de TLM blijft iets ouds verkondigen dat men tegenwoordig gemakkelijk vergeet. Paus Benedictus begreep iets wezenlijks: de Kerk kan niet geloofwaardig beweren dat hetgeen zij gisteren heilig achtte vandaag als een gevaar zou moeten beschouwen.
Wordt het Tweede Vaticaans Concilie gebruikt als breekpunt? Hier raakt de discussie aan een dieper probleem. Een concilie staat binnen die Traditie. Het begint geen nieuwe Kerk. Vaticanum II voorzag in een hervorming van de liturgie, maar bepaalde tegelijkertijd dat het Latijn in de Latijnse riten behouden moest blijven en dat het gregoriaans een voorrangspositie heeft. Veel van wat vandaag als typisch traditionalistisch wordt beschouwd, was dus voor de concilievaders volstrekt vanzelfsprekend. Daarom is het merkwaardig wanneer de gehechtheid aan de oudere liturgie wordt voorgesteld als een verzet tegen het Concilie zelf.
Kritiek op
bepaalde aspecten van de na-conciliaire liturgische hervorming is immers niet
automatisch hetzelfde als een verwerping van het Tweede Vaticaans Concilie. De
liturgische hervorming werd grotendeels ná het Concilie
uitgewerkt en ingevoerd. Dat betekent niet dat alle kritiek juist is. Het
betekent slechts dat een dergelijke discussie legitiem kan zijn.
Wanneer een concilie feitelijk wordt behandeld als een absolute waterscheiding tussen een oude en een nieuwe Kerk, ontstaat precies de breuk die men zegt te willen vermijden. De katholieke Kerk is geen instelling die in 1965 opnieuw is opgericht. Zij is dezelfde Kerk die de apostelen heeft ontvangen, de kerkvaders heeft voortgebracht, de middeleeuwse kathedralen heeft gebouwd, het Concilie van Trente heeft gehouden en het Tweede Vaticaans Concilie heeft bijeengeroepen. Wie werkelijk gelooft in de continuïteit van de Kerk, hoeft voor haar verleden niet bang te zijn.
Kardinaal Roche beroept zich voortdurend op de eenheid van de Kerk. Dat is op zichzelf volkomen terecht. Eenheid is geen bijkomstige eigenschap van de Kerk, maar behoort tot haar wezen. De vraag is alleen wat we onder eenheid verstaan. Eenheid in het katholieke geloof, in de sacramenten en in de gemeenschap met de opvolger van Petrus is iets anders dan uniformiteit in rituele uitdrukking. De officiële redenering is dat de TLM, anders dan de oosterse liturgieën, voor sommige groepen een symbool is geworden van verzet tegen de hervorming en het gezag van de Kerk. Dat argument verdient serieuze aandacht. Maar het probleem met die redenering is dat zij gemakkelijk van een oordeel over bepaalde misstanden verandert in een algemeen oordeel over een hele liturgische gemeenschap. Waarom zouden gezinnen, jongeren, priesters en religieuzen die niets anders verlangen dan de traditionele liturgie in volledige kerkelijke gemeenschap te vieren, daarvan de gevolgen moeten dragen?
Een vader die
zijn kinderen meeneemt naar de oude Mis omdat hij daar de heiligheid van de
eucharistie bijzonder sterk ervaart, bedrijft daarmee geen kerkpolitiek. Hij
gaat gewoon naar de Mis.
Een verstandige benadering zou ruimte bieden aan de oudere liturgie waar zij oprecht wordt verlangd, tegelijk trouw aan de kerkelijke gemeenschap vragen en misbruiken in álle liturgische vormen corrigeren. Want ook dat laatste verdient aandacht. Wie de oude Mis strikt reguleert vanuit zorg voor de heiligheid en eenheid van de liturgie, moet met dezelfde ernst optreden tegen misbruiken in de nieuwe Mis.
Misschien is het meest opmerkelijke verschijnsel dat de traditionele Latijnse Mis niet uitsluitend een aantrekkingskracht uitoefent op mensen die vóór het Concilie zijn opgegroeid. Ook jonge katholieken voelen zich ertoe aangetrokken. Wanneer jongeren bewust kiezen voor stilte, gregoriaans, rituele precisie en een liturgie die nauwelijks tegemoetkomt aan de hedendaagse voorkeur voor spontaniteit en onmiddellijke begrijpelijkheid, dan zegt dat iets. Het suggereert dat modernisering niet altijd de beste weg naar evangelisatie is. Misschien verlangt de moderne mens soms juist naar datgene wat niet modern is. Misschien zoekt hij geen liturgie die zoveel mogelijk lijkt op de wereld waarin hij dagelijks leeft en hem niets te bieden heeft, maar een liturgie die hem helpt boven die wereld uit te stijgen. Dit is geen argument tegen de nieuwe Mis. Het is een argument tegen de gedachte dat liturgische vernieuwing noodzakelijk samenvalt met aanpassing aan de tijdgeest.
Het zou jammer zijn wanneer de traditionele Latijnse Mis uiteindelijk het slachtoffer werd van een kerkelijke strijd waarin het niet langer werkelijk over de eredienst gaat, maar over de interpretatie van de afgelopen zestig jaar. Want dan wordt een liturgie die eeuwenlang heiligen heeft gevormd en ontelbare gelovigen heeft geheiligd, behandeld als een probleem dat moet worden opgelost. Minder achterdocht, meer historische eerlijkheid, meer theologische diepgang en vooral meer pastorale grootmoedigheid zou hier wenselijk zijn.
Het katholieke et-et, het befaamde katholieke principe en-en, zou ook hier een vruchtbaar uitgangspunt kunnen zijn. Traditie én legitieme ontwikkeling. Eenheid én verscheidenheid. Trouw aan het Concilie én eerbied voor de eeuwen die eraan voorafgingen. De nieuwe Mis én ruimte voor de overgeleverde Romeinse liturgie, binnen de gemeenschap van de Kerk.
Eminentie, de Kerk hoeft haar verleden niet te verbieden om haar toekomst veilig te stellen. Een Kerk die werkelijk vertrouwt op de levende Traditie, kan het zich veroorloven haar eigen geschiedenis lief te hebben. Een Kerk die een Byzantijnse, Maronitische en Armeense liturgie met vreugde in haar midden ontvangt, zou zich ook niet al te bedreigd moeten voelen door een Romeinse Mis die haar eeuwenlang zo dierbaar was. De traditionele Latijnse Mis is tenslotte geen buitenlandse indringer in de katholieke Kerk; zij komt uit haar eigen huis. En een moederkerk zou haar eigen kinderen niet als vreemdelingen moeten behandelen omdat zij graag in de taal van hun grootouders bidden.
+Rob Mutsaerts
