De katholieke Kerk heeft in tweeduizend jaar vrijwel alles meegemaakt wat een instituut kan overkomen: slechte pausen, corrupte bisschoppen, ketterijen, schisma’s, revoluties, vervolgingen, decadente kloosters, losbandige geestelijken en theologen die zo origineel wilden zijn dat uiteindelijk alleen zijzelf nog begrepen wat zij bedoelden.
En toch staat
de Kerk er nog. Niet omdat katholieken altijd verstandig waren. Dat zou een
nogal gewaagde historische hypothese zijn. De Kerk overleefde omdat er steeds
opnieuw één
merkwaardig verschijnsel optrad: na de rook, de ruzie en de intellectuele
acrobatiek bleek de katholieke orthodoxie een buitengewoon lange adem te
hebben. Arius verdween, Nicea bleef. De katharen verdwenen, het Credo bleef.
Jansenisme, modernisme en tientallen andere modes kwamen op als de toekomst en
eindigden als voetnoot. Het katholicisme heeft
een vrij eenvoudige lakmoesproef: continuïteit. Vandaar het belang van
Traditie, van het overgeleverde geloofsgoed.
Dat betekent
niet dat er nooit iets mag veranderen. De liturgie heeft zich ontwikkeld, het
kerkelijk recht is veranderd, kerkelijke disciplines zijn gewijzigd,
theologische formuleringen zijn verfijnd. Een eik ziet er na vijfhonderd jaar
anders uit dan toen hij een eikel was. Maar wanneer uit die eikel plotseling
een tulp groeit, is “ontwikkeling”
niet meer het juiste woord. Dáár ligt het probleem van de huidige kerkelijke
crisis. Want er vindt geen spectaculaire bestorming van het Vaticaan los. Eerst
blijft de leer hetzelfde. De moderne kerkelijke formule luidt ongeveer als
volgt: “De
leer verandert natuurlijk niet, maar onze pastorale benadering moet veranderen.”
Dat klinkt geruststellend. Totdat de pastorale praktijk jarenlang precies het
tegenovergestelde communiceert van de leer die zogenaamd ongewijzigd is
gebleven.
Neem
Duitsland. De Duitse Synodale Weg heeft niet slechts gesproken over
bestuurlijke hervormingen of betere controle op bisschoppelijke macht. Op de
officiële agenda stonden seksualiteit, homoseksualiteit, de positie van vrouwen
in kerkelijke ambten en de structuur van het kerkelijk gezag. In 2023 nam de
Synodale Weg zelfs een besluit aan waarin werd gevraagd om officiële
zegenvieringen voor onder meer homoseksuele en hertrouwde stellen, compleet met
te ontwikkelen liturgische vormen.
Rome zag het
probleem zelf ook. De Heilige Stoel verklaarde in 2022 uitdrukkelijk dat de
Duitse Synodale Weg niet bevoegd was nieuwe vormen van bestuur of nieuwe
richtingen inzake leer en moraal op te leggen, omdat dit een “wond voor de kerkelijke communio” en
een bedreiging voor de eenheid van de Kerk kon vormen. Dat is nogal een
mededeling. Wanneer Rome een proces dat door bisschoppen wordt geleid
publiekelijk moet waarschuwen dat het geen nieuwe moraal mag invoeren, spreken
we kennelijk niet uitsluitend over de mistijden.
En ondertussen
gaat het proces verder. In april 2025 publiceerden vertegenwoordigers van de
Duitse bisschoppenconferentie en het ZdK een handreiking waarin de
zegenpraktijk voor hertrouwd gescheidenen, paren van alle seksuele oriëntaties
en andere niet-kerkelijk gehuwde stellen uitdrukkelijk werd aangemoedigd. En
wederom “niet
de oude leer is fout”, maar Wij begeleiden mensen.” Niet: “de moraal verandert.”
Dit is “pastorale nabijheid.” Wie bezwaar maakt, krijgt daardoor al snel de
merkwaardige rol van farizeeër toegewezen. De vernieuwer bezit de liefde; de
orthodoxe katholiek bezit kennelijk slechts het wetboek. Dat is retorisch
bijzonder handig.
Hetzelfde
probleem werd zichtbaar rond Fiducia
supplicans. Dat document uit 2023 houdt formeel
uitdrukkelijk vast aan de katholieke huwelijksleer. Het zegt zelfs dat
homoseksuele verbintenissen niet met het huwelijk mogen worden verward en dat
de bedoelde zegeningen geen liturgische huwelijksachtige vorm mogen aannemen.
Tegelijkertijd staat het toe dat paren van hetzelfde geslacht spontaan kunnen
worden gezegend. Men moet wel buitengewoon naïef zijn om te denken dat
symbolische handelingen geen boodschap hebben.
Een dag na de
publicatie zegende de Amerikaanse jezuïet James Martin een homoseksueel
getrouwd paar in New York, terwijl de pers erbij aanwezig was. Formeel kun je
zeggen: er werd geen huwelijk gesloten. Materieel zag de halve wereld: twee
mannen die als echtpaar leven ontvangen samen van een katholieke priester een
zegen.
En daar komt
het merkwaardige onderscheid weer tevoorschijn: “Wat
u ziet is niet wat wij bedoelen.” Dat is op den duur een moeilijke pastorale
strategie. De sacramentele taal van de Kerk bestaat immers juist uit zichtbare
tekenen. Wanneer wij jarenlang leren dat gebaren betekenis hebben, kunnen wij
moeilijk ineens beweren dat een kerkelijke zegen uitsluitend moet worden
begrepen via de voetnoten van een Romeins document.
En dan
bisschop Johan Bonny van Antwerpen. In maart 2026 verklaarde hij dat hij ernaar
streeft in Antwerpen in 2028 gehuwde mannen tot priester te wijden (na een
extreem korte voorbereidingsperiode; voor het priesterschap is echt de nodige
jaren meer nodig). Hij formuleerde het zelfs zo dat de vraag volgens hem niet
langer is of, maar wanneer het zal gebeuren. Inmiddels worden kandidaten
voorbereid, terwijl voor de daadwerkelijke wijding toestemming van Rome nodig
blijft. En precies dát is illustratief voor de nieuwe kerkelijke bestuursstijl.
Eerst creëert men de verwachting. Dan organiseert men de praktijk. Vervolgens
vraagt men Rome de inmiddels ontstane werkelijkheid te regulariseren. De vraag
is niet Wat staat de Kerk toe?, maar wat kunnen wij alvast doen zodat de Kerk
het later moeilijk kan terugdraaien? Dat is geen synodaliteit. Dat is fait-accompli-theologie.
En daarmee
komen we bij paus Franciscus. Zijn pontificaat heeft een cultuur bevorderd
waarin onduidelijkheid opvallend vaak progressief werd geïnterpreteerd. De
formule was steeds ongeveer dezelfde: de leer blijft intact, maar het concrete
geval is ingewikkeld; normen blijven bestaan, maar men moet onderscheiden; de
doctrine is duidelijk, maar de pastorale toepassing kan verschillen. Op
zichzelf is daar niets onkatholieks aan. Thomas van Aquino wist ook dat
prudentia op concrete omstandigheden moet worden toegepast. Maar wanneer
vrijwel iedere uitzondering dezelfde richting uitgaat, wordt het legitiem te
vragen of wij nog met uitzonderingen te maken hebben.
Er is reden je
hierover ongerust te maken. Waarom? Lees de kerkgeschiedenis. Kerkelijke
omwentelingen zelden beginnen met de mededeling: “Vanaf
maandag schaffen wij tweeduizend jaar katholieke traditie af.” Het gaat anders.
Eerst wordt gezegd dat een leer verkeerd wordt “begrepen”.
Daarna dat de terminologie “kwetsend”
is. Vervolgens
dat niemand de leer wil veranderen, maar dat er “pastorale
ruimte” nodig is. Daarna ontstaan plaatselijke experimenten. De experimenten
worden praktijk. De praktijk schept verwachtingen. De verwachtingen worden “geleefde werkelijkheid”. En tenslotte
wordt degenen die de oorspronkelijke leer verdedigen gevraagd waarom zij zo
star vasthouden aan een inmiddels achterhaalde formulering. Dat is de stille
revolutie!
Niet de
ontkenning van het dogma, maar zijn verdamping. Niet: “Dit
is niet langer waar, maar: “Daar
moeten we tegenwoordig genuanceerder over spreken.” Niet: “De
zesde gebod geldt niet meer, maar: “Wij
moeten vermijden mensen met regels te belasten.” Niet: “Het priesterschap verandert, maar: “De behoeften van de lokale gemeenschap
vragen om nieuwe vormen.” Zo kan een leer formeel nog jarenlang in de
Catechismus staan terwijl zij pastoraal steeds minder functioneert.
Soms moet de Kerk
nieuwe woorden vinden om dezelfde waarheid verstaanbaar te verkondigen. Maar
juist daarom is de beslissende vraag niet: verandert er iets? De vraag luidt:
Is hetgeen verandert herkenbaar als organische ontwikkeling van hetgeen eraan
voorafging, of is er een breuk met het voorafgaande? Daarom is continuïteit
geen hobby van nostalgici. Het is een katholiek criterium. De katholieke vraag
is nooit alleen: “Is
dit vriendelijk?”, “Is
dit inclusief?”, “Werkt
dit pastoraal?” De beslissende vraag blijft: Is dit hetzelfde geloof dat wij
ontvangen hebben? Het geloof van Paulus, van Augustinus, van Thomas, van Trente, van Newman, van Johannes Paulus II en Benedictus XVI.
Het meest
ironische van de huidige situatie is misschien nog dat progressieve
hervormingen al zestig jaar worden verkocht als noodzakelijk om de Kerk
aantrekkelijker te maken voor de moderne mens. En ondertussen lopen juist in
sterk geseculariseerde landen de kerken leeg. Misschien is de moderne mens toch
minder onder de indruk van een Kerk die hem vertelt wat hij gisteren al in de
krant heeft gelezen. Waarom zou iemand op zondagochtend vroeg opstaan om in een
kerkgebouw dezelfde moraal te vernemen die hij zaterdagavond bij de talkshow
gratis kreeg? Wie na enige tijd niemand meer ziet, denkt wellicht dat de
profetische voorhoede is bereikt. Maar er bestaat nog een andere mogelijkheid:
hij heeft een verkeerde afslag genomen.
De Kerk bezit
maar één
werkelijk revolutionair product: het Evangelie. En dat product is helaas niet
aanpasbaar aan de marketingafdeling. Het christendom begon niet doordat twaalf
apostelen besloten beter aan te sluiten bij de Romeinse tijdgeest. Zij
verkondigden iets dat hun omgeving soms prachtig, soms krankzinnig en soms
beledigend vond. Daarvoor werden zij niet uitgenodigd aan de synodale
gesprekstafel. Ze werden ervoor gedood.
+Rob Mutsaerts