Protestanten ergeren er zich behoorlijk aan dat zij in een katholieke kerk niet ter communie mogen gaan (ND 20/10). De ergernis is begrijpelijk, maar berust op een misverstand. Een nogal fundamenteel misverstand zelfs. Want de vraag is niet wie er aan tafel mag, maar wat er op tafel ligt. Voor veel protestanten is het Avondmaal in de eerste plaats een gedachtenismaaltijd. Men herdenkt het Laatste Avondmaal, men verkondigt de dood van Christus en men beleeft de gemeenschap van de gelovigen.
De katholieke Kerk
daarentegen gelooft niet dat de eucharistie een maaltijd is in de vorm van een
offer, maar dat zij een offer is in de vorm van een maaltijd. Dat lijkt een
subtiel verschil, maar in werkelijkheid is het een wereld van verschil. Bij het
Laatste Avondmaal zei Jezus niet: ‘Dit brood symboliseert mijn lichaam.’ Hij zei: ‘Dit is mijn
Lichaam.’ En over de kelk zei Hij niet: ‘Deze wijn
herinnert aan mijn bloed.’ Hij zei: ‘Dit is mijn Bloed.’ Dat zijn nogal opmerkelijke woorden voor
iemand die alleen maar een symbolische maaltijd zou hebben willen instellen. En
in Johannes 6 wordt het nog duidelijker. Wanneer Jezus zegt dat zijn vlees
werkelijk voedsel is en zijn bloed werkelijk drank, ontstaat er grote
opschudding. Zijn toehoorders vinden het onverteerbaar. Verschillende
leerlingen verlaten Hem zelfs. Een uitstekend moment, zou je zeggen, om het
misverstand recht te zetten. Om te zeggen: ‘Mensen, zo letterlijk moet je het natuurlijk
niet nemen. Het is slechts beeldspraak.’ Maar Jezus doet niets van
dat alles: Wilt ook gij soms heengaan. Blijkbaar stond er iets wezenlijks op
het spel.
Soms wordt tegengeworpen dat
het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie pas
in de vierde eeuw zou zijn ontstaan. De oorspronkelijke christenen zouden
slechts een eenvoudige broederlijke maaltijd hebben gekend. Pas later zou de
Kerk daar ingewikkelde theologie van hebben gemaakt. Werkelijk? Neem Ignatius van Antiochië. Hij leefde aan
het begin van de tweede eeuw, dus niet lang na de apostelen. Hij schreef dat
bepaalde dwaalleraars zich van de eucharistie onthielden omdat zij niet
erkenden dat de eucharistie het vlees is van onze Verlosser Jezus Christus. Dat
is geen vierde-eeuwse theologie. Dat is rond het jaar 110. Of neem Justinus de
Martelaar, die rond het midden van de tweede eeuw uitdrukkelijk schrijft dat
christenen de eucharistische gaven niet als gewoon brood en gewone drank
ontvangen, maar als het vlees en bloed van de mensgeworden Christus.
Wie beweert dat het geloof
in de werkelijke tegenwoordigheid pas eeuwen later is ontstaan, moet wel een
bijzonder selectieve belangstelling voor de eerste christenen hebben.
Natuurlijk werd de leer later nauwkeuriger geformuleerd. Het begrip transsubstantiatie
kreeg pas veel later zijn theologische precisie. Maar de Kerk heeft niet
eeuwenlang gewoon brood uitgedeeld om vervolgens plotseling te besluiten dat
het Jezus zelf was. De theologische woordenschat ontwikkelde zich; het geloof
dat ermee werd uitgedrukt, was veel ouder.
En daarmee
komen we bij een ander opmerkelijk verschil.
Na de katholieke Mis worden
de geconsacreerde hosties die overblijven met grote eerbied bewaard in het
tabernakel. Waarom? Omdat Christus niet ophoudt aanwezig te zijn zodra de
plechtigheid voorbij is. De hostie is niet na afloop weer gewoon brood geworden.
Daarom knielt de katholiek voor het tabernakel. Daarom kennen wij de aanbidding
van het Allerheiligste. In protestantse kerken waar het Avondmaal uitsluitend
symbolisch wordt opgevat, ligt dat vanzelfsprekend anders. Wat na de viering
overblijft, is daar gewoon brood, en het is om die reden niet problematisch om
de restanten aan de vogels te geven, iets wat voor katholieken ondenkbaar is.
Het merkwaardige is dat
juist katholieken vaak het verwijt krijgen dat zij onvoldoende oecumenisch
zijn. Protestanten laten katholieken doorgaans wel toe tot hun Avondmaal, zo
wordt gezegd, terwijl katholieken andersom de deur gesloten houden. Maar gastvrijheid
kan nooit betekenen dat men doet alsof wezenlijke verschillen niet bestaan. Wanneer
een protestant een katholiek uitnodigt aan het Avondmaal, gebeurt dat vanuit
zijn eigen opvatting over wat daar plaatsvindt. Wanneer een katholiek een
protestant niet zonder meer ter communie toelaat, gebeurt dat eveneens vanuit
zijn geloof in wat daar plaatsvindt.
Daar komt nog iets bij.
Volgens de katholieke geloofsleer is de eucharistie niet slechts een
persoonlijke ontmoeting met Christus, maar ook het sacrament van de eenheid van
de Kerk. Wie communiceert, zegt daarmee niet alleen ‘amen’ tegen Christus, maar ook tegen het geloof van
de Kerk die deze eucharistie viert. Men kan moeilijk sacramenteel een eenheid
uitdrukken die op wezenlijke geloofspunten nog niet bestaat. De katholieke Kerk
kent in bijzondere omstandigheden uitzonderingen, maar dat verandert niets aan
het uitgangspunt. De communie is niet het middel waarmee men bestaande
geloofsverschillen eenvoudig wegpoetst. Zij is de hoogste uitdrukking van een
eenheid in geloof die werkelijk aanwezig moet zijn. Dat is geen gebrek aan
liefde. Het is een kwestie van waarheid.
Er is nog een reden waarom
de katholieke Kerk hier niet lichtvaardig mee kan omgaan. De heilige Mis is
niet slechts een herinnering aan Golgotha. Het ene offer van Christus aan het
kruis wordt er op sacramentele wijze tegenwoordig gesteld. Jezus wordt niet
opnieuw gekruisigd. Zijn offer wordt niet herhaald. Het is hetzelfde offer,
dezelfde Hogepriester, hetzelfde Offerlam, maar op onbloedige wijze
tegenwoordig gesteld. Dat is de kern van de katholieke eredienst. Op Calvarië gaf
Christus zichzelf aan de Vader voor het heil van de wereld. In de eucharistie
wordt diezelfde zelfgave sacramenteel tegenwoordig. En vervolgens ontvangen wij
Hem die zich voor ons heeft geofferd als voedsel voor onze ziel. Eerst het
offer, dan de maaltijd. Of beter gezegd: de maaltijd is de sacramentele
deelname aan het offer.
De heilige Mis
is geen religieuze bijeenkomst met wat brood en wijn als sfeervolle afsluiting.
De Mis is
Golgotha, sacramenteel tegenwoordig onder ons. Daarom staat in het centrum van
een katholieke kerk niet zomaar een eettafel, maar een altaar, en richten
priester en gelovigen zich bij voorkeur in dezelfde richting.
De oplossing voor de
verdeeldheid tussen katholieken en protestanten is dus niet dat we elkaar
voortaan overal uitnodigen en de verschillen vriendelijk onder het tapijt
vegen. Dat is geen oecumene. Dat is theologische onverschilligheid met een
vriendelijk gebaar. Werkelijke eenheid ontstaat niet door de waarheid tussen
haakjes te plaatsen, maar door haar samen te zoeken. De katholieke Kerk weigert
de communie niet omdat zij haar protestantse broeders en zusters Christus niet
gunt. Integendeel. Zij neemt Christus juist zo serieus dat zij niet kan doen
alsof zijn werkelijke tegenwoordigheid, zijn offer en zijn Kerk bijkomstigheden
zijn.
Uiteindelijk gaat het om één vraag: wat ligt er op het altaar? Is het brood dat naar Christus
verwijst? Of is het Christus zelf onder de gedaante van brood? Als het eerste
waar is, valt over open tafelgemeenschap best te praten. Maar als het tweede
waar is, verandert alles.
Dan hebben we
het niet langer over gastvrijheid, maar over aanbidding. En dan is het
tabernakel geen broodtrommel. En de geconsacreerde hostie al helemaal geen voer
voor de vogels.
+Rob Mutsaerts