Over Halloween, Allerheiligen en de merkwaardige gewoonte om spoken te verkiezen boven heiligen

Er zijn weinig dingen zo merkwaardig als een beschaving die niet meer in het eeuwige leven gelooft, maar wel een buitengewone belangstelling heeft ontwikkeld voor de doden. De moderne mens heeft God begraven, de hemel afgeschaft en de hel tot een middeleeuws misverstand verklaard. Vervolgens heeft hij zijn huis versierd met schedels, skeletten, grafstenen en spoken. Het is een prestatie van formaat: eerst het hiernamaals ontkennen en vervolgens de woonkamer ermee volzetten.

Oorspronkelijk was Halloween niets anders dan All Hallows’ Eve, de avond vóór Allerheiligen. De Kerk vierde op 1 november de overwinning van het leven op de dood. De heiligen waren immers geen doden die wij moesten vrezen, maar levenden met wie wij ons mochten verheugen. Zij hadden de eindstreep bereikt en wachtten ons op. De dood was niet het laatste woord. Dat woord was reeds gesproken, op Paasmorgen, en het luidde: leven.

Maar de moderne wereld heeft een merkwaardige omkering tot stand gebracht. Zij heeft de heiligen de deur uitgedaan en de spoken binnengelaten. Zij heeft de hemel ingeruild voor een spookhuis: zombies zonder ziel. En omdat zij niet langer weet wat zij met de dood aan moet, heeft zij besloten er maar een feestje van te maken. Op zichzelf is daar weinig tegen in te brengen. Een kind dat verkleed als skelet langs de deuren trekt en om snoep vraagt, is niet onmiddellijk een handlanger van de duivel (men kan het kwaad ook een iets te hoge dunk van zichzelf geven). Een uitgeholde pompoen is nog geen toegangspoort tot de hel, en een plastic heksenhoed is doorgaans niet gevaarlijker dan de harde kern van een voetbalclub.

Toch schuilt er achter dit onschuldige vermaak een merkwaardige geestelijke ontwikkeling. Onze samenleving is namelijk niet alleen de hemel kwijtgeraakt, maar ook haar vertrouwdheid met de dood. Vroeger wist men dat men zou sterven. Dat klinkt als een tamelijk vanzelfsprekende constatering, maar tegenwoordig wordt de dood uit het dagelijks leven verbannen. Men spreekt liever van, ‘inslapen’ of ‘een sterretje worden’. Begrafenissen worden vieringen van het leven, waarbij men zorgvuldig vermijdt te spreken over wat er ná dat leven komt. De overledene is ‘altijd in ons hart’. Men heeft de bestemming afgeschaft.

En dan is daar plotseling Halloween. Eén avond per jaar mag de dood terugkeren, zij het uitsluitend vermomd als entertainment. Wat men de rest van het jaar uit het zicht houdt, hangt nu aan de voordeur. De schedel, die ons ooit herinnerde aan onze sterfelijkheid (memento mori), dient nu als decoratie op de voordeur. Het is een beetje alsof iemand alle spiegels uit zijn huis verwijdert omdat hij zijn eigen gezicht niet wil zien, om vervolgens een lachspiegel aan te schaffen.

Maar er is ook een ernstiger kant. Want waar de dood zijn christelijke betekenis verliest, ontstaat soms een ongezonde nieuwsgierigheid naar het duister. Niet iedereen stelt zich tevreden met een pompoen en een zak snoep. Er zijn mensen die via spiritistische séances, ouijaborden of andere occulte praktijken contact zoeken met de overledenen. De gedachte is kennelijk dat men de hemel kan afschaffen, maar toch graag even met de bewoners ervan wil telefoneren.

De Kerk heeft daar altijd voor gewaarschuwd. Niet omdat zij bang is voor de bovennatuurlijke werkelijkheid, maar juist omdat zij die serieus neemt. De katholieke leer verbiedt het oproepen van geesten en het raadplegen van doden. Niet iedere duistere ervaring is daarmee werkelijk bovennatuurlijk, en veel van wat als occult wordt gepresenteerd, is bedrog, suggestie of fantasie. Maar dat maakt het doelbewust zoeken naar zulke contacten niet verstandig. Nachtmerries zijn nog maar het minst erge gevolg hiervan.

Het merkwaardige is dat de moderne mens enerzijds volhoudt dat er niets bovennatuurlijks bestaat, maar anderzijds buitengewoon gefascineerd is door alles wat occult heet. Hij lacht om engelen, maar neemt demonen opvallend serieus. Hij vindt het geloof in de hemel kinderachtig, maar een avondje geesten oproepen spannend. Blijkbaar is het bovennatuurlijke alleen aanvaardbaar zolang het griezelig genoeg is. Hier raakt Halloween aan iets diepers. Een samenleving die het licht verliest, hoeft niet noodzakelijk in de duisternis te gaan geloven. Maar zij kan er wel een ongezonde fascinatie voor ontwikkelen.

En juist hier verschijnt Allerheiligen als een verademing. Want op Allerheiligen viert de Kerk precies het tegenovergestelde van de angst voor de dood. Zij viert de mensen die de dood hebben overwonnen, niet door eigen kracht, maar door de genade van Christus. De heiligen zijn niet de spoken uit ons verleden, maar de vrienden van onze toekomst. Zij zijn geen schimmen die ronddolen tussen twee werelden, maar mensen die eindelijk thuisgekomen zijn. Dat is een buitengewoon vrolijke gedachte. De katholieke hemel is immers geen eindeloos verzorgingstehuis voor brave zielen, waar men eeuwig op een wolkje zit en zich verveelt bij harpconcerten. Het is de vervulling van alles waarnaar het menselijk hart verlangt: waarheid, schoonheid, liefde en vreugde.

De heiligen zijn bepaald niet allemaal saaie figuren. Onder hen bevinden zich koningen en bedelaars, geleerden en eenvoudige boeren, mystici en moeders, martelaren en voormalige zondaars. Er zijn heiligen die hun hele leven hebben gezwegen en heiligen die nauwelijks hun mond konden houden. Zelfs voor een journalist, politicus en advocaat hoeft de hemel dus niet bij voorbaat uitgesloten te worden.

Het katholicisme is in dat opzicht wonderlijk ruimhartig. Het houdt niet alleen rekening met de levenden op aarde, maar ook met de levenden in de hemel en de zielen in het vagevuur die nog gezuiverd worden. De Kerk houdt niet op bij het kerkhof. De gemeenschap der heiligen is groter dan de wereld die wij kunnen zien. Daarom volgt op Allerheiligen ook Allerzielen. Op 2 november bidt de Kerk voor haar overledenen. Niet omdat zij hen als spoken terugverwacht, maar omdat de liefde niet ophoudt bij het graf. Het christendom kent geen definitieve scheiding tussen hen die in Christus gestorven zijn en hen die nog onderweg zijn. Het graf is geen muur, maar een grens waarover het gebed reikt.

En zo staan twee werelden tegenover elkaar. De ene wereld haalt de dood in huis om zich een avondje te laten schrikken; de andere gaat naar de kerk om te horen dat de dood overwonnen is. De ene zet een skelet in de tuin, de andere zet bloemen op een graf. De ene roept geesten op; de andere roept de heiligen aan. De ene zoekt spanning in de duisternis, de andere steekt een kaars aan en bidt. Het verschil is niet dat de katholiek de dood minder ernstig neemt. Integendeel. Hij neemt hem zo ernstig dat hij weigert hem het laatste woord te geven. Dat is misschien wel de grootste paradox. De moderne mens wil niet over de dood nadenken en is er voortdurend door gefascineerd. De katholiek denkt wél over de dood na en hoeft er juist daarom niet voortdurend bang voor te zijn. Halloween zegt: de doden komen terug; Allerheiligen zegt: de doden zijn niet dood. En Allerzielen voegt daaraan toe: wij zijn hen niet vergeten.

Misschien moeten wij de kinderen dus gerust hun snoep laten ophalen. Maar laten wij hen ook vertellen waarom die avond ooit zo heette. En laten wij hun vooral de heiligen leren kennen. Want een kind dat weet dat het voor de hemel bestemd is, heeft meer gekregen dan een emmer vol snoepgoed.

De wereld biedt ons een uitgeholde pompoen met een kaarsje erin; de Kerk biedt ons het eeuwige licht. Het zou toch jammer zijn als wij, bij gebrek aan belangstelling voor de hemel, genoegen namen met een pompoen.

 

+Rob Mutsaerts