Er zijn vragen die een mens zijn hele leven vergezellen. Niet omdat zij moeilijk zijn, maar omdat zij te groot zijn om ooit volledig beantwoord te worden. “Wat maakt mij gelukkig?” is zo’n vraag. Op het eerste gezicht lijkt het antwoord eenvoudig; iedereen weet immers wat hij verlangt. De een verlangt naar liefde, de ander naar succes, weer een ander naar gezondheid, rust, erkenning, avontuur of veiligheid. En toch gebeurt er iets merkwaardigs. Mensen bereiken vaak precies datgene waarnaar zij verlangden - en ontdekken vervolgens dat hun verlangen niet verdwenen is. Het einddiploma komt. De begeerde baan komt. Het nieuwe huis komt. De promotie komt. De reis komt. De liefde komt. En toch blijft er iets in de mens dat verder zoekt. Niet uit ondankbaarheid, ook niet uit hebzucht, maar omdat het verlangen zelf groter blijkt dan het voorwerp waarop het gericht was.
Dat is een van
de oudste menselijke ervaringen. En ook een van de meest raadselachtige. De
grote christelijke denkers hebben er veel over nagedacht. Vooral Augustinus.
Die rusteloze Noord-Afrikaan die wij al eerder ontmoetten, kende succes, was invloedrijk, verwierf
intellectuele roem, vriendschappen en liefde. En toch schreef hij uiteindelijk
een van de beroemdste zinnen uit de geschiedenis: “Onrustig
is ons hart totdat het rust vindt in U.” Dat is geen sombere zin. Integendeel.
Het is een verrassend optimistische zin. Want zij suggereert dat ons verlangen
geen defect is. Het is een aanwijzing. Zoals dorst wijst op het bestaan van
water, zoals honger wijst op het bestaan van voedsel, zo wijst ons diepste
verlangen op iets wat werkelijk bestaat. Het zijn de oerverlangens die wijzen
op het bestaan van realiteiten die deze verlangens vervullen.
Dat is een
gewaagde gedachte. Want de moderne cultuur vertelt vaak een ander verhaal. Zij
beschouwt verlangen meestal als een probleem dat opgelost moet worden. Je
verlangt naar iets. Je krijgt het. Einde verhaal. Maar zo werkt de mens niet.
Sterker nog: juist de mooiste dingen van het leven lijken ons verlangen eerder
te vergroten dan te verzadigen. Een prachtig muziekstuk roept niet alleen
voldoening op, het roept ook heimwee op. Een schitterend landschap doet meer
dan ons tevreden stellen. Het wekt verlangen. Een grote liefde maakt ons niet
minder ontvankelijk voor schoonheid, maar meer. Dat is een vreemd verschijnsel.
Alsof alle mooie dingen tegelijk vervulling én belofte zijn. Alsof zij zeggen: “Ja, dit is goed”, maar ook: “Er is meer.”
C.S. Lewis
schreef dat hij zijn hele leven werd achtervolgd door momenten van plotseling
verlangen. Korte ogenblikken waarin iets van schoonheid, vreugde of
verwondering hem raakte. Niet lang. Soms slechts enkele seconden. Maar telkens
bleef dezelfde indruk achter: niet dat hij iets had gevonden, maar dat hij
ergens aan was herinnerd. Het suggereert dat verlangen niet alleen
vooruitwijst; het wijst ook terug: naar een verloren thuis, naar een vergeten
oorsprong, naar een werkelijkheid waarvoor wij geschapen zijn. Misschien daarom
speelt heimwee zo’n grote rol in de menselijke ervaring.
Zelfs mensen die gelukkig zijn kennen het. Soms overvalt het ons onverwacht op
een onbewaakt moment. Je voelt een vreugde die bijna pijn doet. Niet omdat zij
onvoldoende is, maar omdat zij zo mooi is dat je verlangt dat zij blijft. En
precies daar raken wij aan iets wezenlijks. De mooiste momenten van het leven
lijken altijd kwetsbaar: zij gaan voorbij. De zonsondergang eindigt.
De vakantie eindigt. De jeugd eindigt. Zelfs de gelukkigste
dag eindigt. Dat is geen pessimisme, dat is eenvoudigweg de menselijke
conditie. En juist daarom ontstaat de vraag: waarom verlangen wij naar een
geluk dat geen einde kent? Waarom zijn wij niet tevreden met tijdelijke vreugde
alleen? Waarom draagt ieder mens ergens diep van binnen een verlangen naar het
blijvende?
Het katholiek
geloof geeft een opmerkelijk antwoord: omdat wij gemaakt zijn voor het
blijvende. Omdat ons verlangen uiteindelijk niet gericht is op dingen, zelfs
niet op de mooiste dingen, maar op God. Dat klinkt misschien onverwacht. Vooral
omdat veel mensen zich God voorstellen als een religieus onderwerp naast
allerlei andere onderwerpen, een onderdeel van het leven. Het christendom ziet
Hem anders. Niet als een object van verlangen naast andere objecten, maar als
de uiteindelijke vervulling van ieder waar verlangen. Wanneer wij verlangen
naar waarheid, verlangen wij uiteindelijk naar Hem. Wanneer wij verlangen naar
schoonheid, verlangen wij uiteindelijk naar Hem. Wanneer wij verlangen naar
liefde, verlangen wij uiteindelijk naar Hem. Niet omdat waarheid, schoonheid en
liefde onbelangrijk zijn. Maar omdat zij allemaal hun oorsprong in Hem hebben,
zoals lichtstralen uiteindelijk terugvoeren naar de zon. Dat betekent niet dat
aardse vreugden waardeloos zijn, integendeel. Het christendom heeft altijd een
opmerkelijk positieve kijk gehad op de schepping. Vriendschap is goed. Muziek
is goed. Werk is goed. Liefde is goed. Een biertje is goed. Een zomeravond is
goed. Een lach aan tafel is goed. Maar zij zijn niet bedoeld om God te
vervangen. Zij zijn bedoeld om naar Hem te verwijzen.
Dat
onderscheid is belangrijk. Want zodra wij van eindige dingen oneindige
vervulling verwachten, raken wij onvermijdelijk teleurgesteld. Niet omdat die
dingen slecht zijn, maar omdat wij hen vragen iets te geven wat zij nooit
konden geven. Een huwelijk, carrière, bezit, succes, avontuur, zij zijn te
klein voor de grootte van het menselijk hart. Dat klinkt misschien overdreven,
tot men kijkt naar de geschiedenis. Hoeveel mensen hebben niet geprobeerd hun
geluk volledig op te bouwen rond rijkdom, macht, roem of genot?
En hoe vaak bleek uiteindelijk dat de honger bleef bestaan? Het probleem was
niet dat zij te veel verlangden. Het probleem was dat zij niet genoeg
verlangden. Dat is een typisch christelijke gedachte. De mens is niet gemaakt
voor minder verlangen, maar voor groter verlangen.
De heiligen
begrepen dat vaak beter dan anderen. Daarom ogen zij soms zo vrij. Niet omdat
zij minder van de wereld hielden, maar omdat zij meer verwachtten dan de wereld
alleen kon bieden. Zij genoten van de schepping zonder haar te vergoddelijken.
Zij hielden van mensen zonder hen tot afgoden te maken. Zij ontvingen aardse
vreugde als geschenk; niet als eindbestemming. Misschien is dat uiteindelijk
wat christelijke hoop en christelijk verlangen met elkaar verbindt. De mens is
een reiziger; de aarde is niet zijn definitieve thuis. Zoals een pelgrim van
een herberg kan genieten zonder haar voor zijn eindbestemming te houden, zo
leeft de christen in de wereld. Met dankbaarheid, vreugde, liefde, maar ook met
een diep besef dat er nog iets komt. Iets groters. Iets blijvends. Iets
waarvoor alle aardse schoonheid slechts een voorproefje is. En misschien
verklaart dat wel een van de vreemdste eigenschappen van de mens: dat hij zelfs
op zijn gelukkigste momenten soms verlangt naar meer. Niet omdat hij ondankbaar
is, maar omdat zijn hart groter is gemaakt dan de wereld kan vullen. Zoals een
kompasnaald uiteindelijk naar het noorden blijft wijzen, zo blijft het
menselijke hart wijzen naar zijn oorsprong, naar zijn bestemming, naar God. En
misschien is dat verlangen zelf al een vorm van thuiskomen.
+Rob Mutsaerts