Merkwaardige preek van minister Sterk

Minister Mirjam Sterk hield afgelopen maandag een merkwaardige preek. Niet vanaf de kansel van een kerk, maar als minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport bij de opening van het academisch jaar van de Protestantse Theologische Universiteit. De boodschap was ongeveer deze: de verzorgingsstaat piept, kraakt en wordt onbetaalbaar, dus misschien kan de kerk weer wat taken terugnemen.

Decennialang heeft de Nederlandse overheid met indrukwekkende ijver gewerkt aan een samenleving waarin vrijwel iedere menselijke nood werd vertaald in een regeling, een loket, een professional en uiteindelijk een declarabele zorgprestatie. Wat vroeger familie, buurt, parochie, congregatie of vereniging heette, werd gaandeweg vervangen door instellingen, protocollen en budgetten. Nu blijkt dat systeem onbetaalbaar. En wie wordt er gebeld? De kerk.

Sterk verwijt de kerken dat zij zich door de opkomst van de verzorgingsstaat hebben laten terugdringen tot, zoals zij het noemt, zorg voor de ziel. De eerste opdracht van de Kerk is precies wat Sterk enigszins geringschattend als zorg voor de zielaanduidt. Het Evangelie verkondigen. God aanbidden. De sacramenten bedienen. Zondaars tot bekering roepen. Mensen voorbereiden op de eeuwigheid. Dat heet inderdaad zielzorg. Het katholieke geloof heeft bovendien nooit lichaam en ziel tegen elkaar uitgespeeld. Integendeel. Juist omdat de mens naar Gods beeld geschapen is, juist omdat in Mattheüs 25 de hongerige, de zieke en de vreemdeling ons tegemoetkomen als Christus zelf, heeft de Kerk altijd ziekenhuizen gesticht, armen verzorgd, wezen opgenomen, stervenden begeleid en scholen gebouwd.

Christelijke caritas is geen goedkope variant van staatszorg. Zij is geen middel om gaten in de begroting te vullen. Zij komt niet voort uit een beleidsnota, maar uit liefde tot God en de naaste. Wanneer een overheid zegt: Wij krijgen de zorg niet meer betaald, dus kerken moeten weer gemeenschappen vormen waarin mensen voor elkaar zorgen”, moet de kerk antwoorden: zeker, mensen moeten voor elkaar zorgen. Dat hebben wij ongeveer tweeduizend jaar lang verkondigd. Maar misschien mag de overheid dan ook eens nadenken over haar eigen aandeel in het verdwijnen van die gemeenschappen. Want de verzorgingsstaat heeft niet alleen taken overgenomen. Hij heeft ook verantwoordelijkheden geabsorbeerd. Wat vader, moeder, kinderen, buren, parochianen en verenigingen ooit als hun taak beschouwden, werd langzaam een recht waarop men bij een instantie aanspraak kon maken. De staat zei jarenlang: laat dat maar aan ons over. Nu zegt diezelfde staat: zouden jullie het misschien weer zelf kunnen doen? En dat in een tijd dat het overheidsapparaat fors gegroeid is, en de kerk gedecimeerd. 

Sterk heeft gelijk wanneer zij zegt dat onze samenleving behoefte heeft aan gemeenschap, barmhartigheid en naastenliefde. Naastenliefde ontstaat echter niet omdat de overheid haar nodig heeft. Gemeenschap ontstaat niet doordat een beleidsmaker het woord samenredzaamheidin een nota schrijft. En barmhartigheid laat zich niet produceren door een subsidieregeling. Dat zijn vruchten van een cultuur. En die cultuur wordt gevoed door overtuigingen over wie de mens is, waarom hij verantwoordelijk is voor zijn naaste en waarom een kwetsbaar mensenleven waarde bezit, zelfs wanneer het economisch niets oplevert.

Als de overheid werkelijk een zorgzame samenlevingwil, moet zij misschien niet alleen vragen hoe kerken gaten in de verzorgingsstaat kunnen vullen. Zij zou zich ook kunnen afvragen waarom gezinnen steeds minder tijd hebben om voor ouderen te zorgen, waarom verenigingen verdwijnen, waarom gemeenschappen verbrokkelen, waarom vrijwillige inzet verdrinkt in regels en waarom zoveel maatschappelijke verbanden afhankelijk zijn geworden van overheidsgeld. Misschien moet de staat niet nóg beter organiseren. Misschien moet hij soms juist ophouden alles te organiseren. De katholieke sociale leer kent daarvoor een prachtig woord: subsidiariteit. Wat mensen zelf kunnen doen, moet de staat niet overnemen. Wat gezinnen kunnen doen, moet niet automatisch worden geïnstitutionaliseerd. Wat lokale gemeenschappen kunnen dragen, hoeft niet vanuit Den Haag te worden bestuurd.

Minister Sterk wil dat de Kerk weer een gesprekspartner van de overheid wordt. Hier is alvast een bijdrage aan dat gesprek:

Excellentie, de Kerk helpt graag. Maar wij zijn niet uw onderaannemer. Wij zullen de hongerigen voeden, de zieken bezoeken en de eenzamen bijstaan. En ondertussen blijven wij doen wat blijkbaar zelfs sommige christelijke politici wat uit het oog zijn verloren: zorgen voor de ziel. Want uiteindelijk is dát de zorg waarvoor geen ministerie ter wereld een begroting heeft. De kerk zal de mens blijven herinneren aan zijn eeuwige bestemming. Dat is misschien geen oplossing voor het begrotingstekort. Maar het zou zomaar een oplossing kunnen zijn voor iets belangrijkers.

 

+Rob Mutsaerts

Hulpbisschop Bisdom van ‘s-Hertogenbosch