Mgr Rob Mutsaerts
Een prettig gesprek
Uitgeverij Betsaïda
Zie meer informatie op de pagina 'boeken van Mgr. Mutsaerts'.
Mgr Rob Mutsaerts
Een prettig gesprek
Uitgeverij Betsaïda
Zie meer informatie op de pagina 'boeken van Mgr. Mutsaerts'.
De recente onthullingen rond de “Epstein-files” domineren het nieuws. Duizenden pagina’s aan rechtbankdocumenten brengen aan het licht hoe zakenman Jeffrey Epstein een netwerk opzette waarin jonge vrouwen en minderjarige meisjes werden misbruikt, met connecties naar invloedrijke figuren in de politiek en samenleving . Dit schandaal schokt velen. Maar eigenlijk past het in een patroon dat teruggaat tot een culturele omslag enkele decennia geleden, toen traditionele normen begonnen te vervagen. Hoe heeft het zover kunnen komen dat seksueel misbruik en losbandigheid hoog in de machtspiramide voorkomen?
In de jaren ’70 voltrok zich een morele revolutie.
Dingen die vroeger ondenkbaar waren in “beschaafde kringen” werden ineens
normaal gevonden. Zelfs zichzelf kwaliteitskranten noemende media recenseerden
pornografische films alsof het serieuze cinema betrof. Pornofilms werden
openlijk besproken door en serieus genomen door critici . Een prominente
filmrecensent als Roger Ebert schreef bijvoorbeeld reviews van expliciete films
als The Devil in Miss Jones (1973) . Seksualiteit drong door tot de mainstream
cultuur – wat ooit taboe was, werd nu gezien als bevrijding.
Vervagende Normen: Van Playboy tot Brongersma
Tegelijk brachten figuren als Hugh Hefner seksualiteit in
het glamoureuze daglicht. Hefner’s
Playboy-imperium vierde de vrije liefde op decadente feestjes in zijn fameuze
landhuis. Vanaf de jaren ’70 werd de Playboy Mansion in Los
Angeles berucht om weelderige feestjes, bevolkt door beroemdheden en playmates
. Jaren later kon iedereen zelfs op televisie meekijken via reality-series als
The Girls Next Door, die het leven van Hefner’s
vele jonge vriendinnen in dat landhuis volgden. Wat voorheen privé of schandelijk was, werd nu met trots
tentoongesteld als entertainment. Seks werd een vast onderdeel van Hollywood en
de bredere popcultuur.
Maar deze “vrijheid
blijheid” had ook donkere kanten. Sommige grenzen werden zo ver opgerekt dat ze
compleet verdwenen. Pedofilie werd in zelfs verdedigd als een legitieme vorm
van liefde. In Nederland pleitte senator Edward Brongersma (PvdA) in de jaren ‘70 openlijk voor
acceptatie van pedofielen en hun seksuele escapades met jonge kinderen. Hij
vertelde zonder enige gēne in het bezit te zijn van een grote verzameling
kinderporno. In een tv-uitzending in 1978 kreeg Brongersma de ruimte om uit te
leggen “waarom
het goed was dat kinderen relaties met volwassenen konden hebben” . Dit
illustreert hoe radicaal het moraalbesef kon verschuiven: wat altijd als
misbruik gold, werd nu door sommigen gepresenteerd als een geoorloofde
expressie van liefde. Dat liefde verward werd met lust scheen maar weinigen te
zien. Wie in die tijd voorzichtig protesteerde tegen dergelijke ideeën, werd
weggezet als een bekrompen geest die de nieuwe vrijheden in gevaar bracht.
Intussen verdween traditionele morele kritiek naar de
achtergrond. Pornografie overspoelde de markt. Er was zelfs een moment
halverwege de jaren ’80 dat de Nederlandse regering (met
VVD, D66 en PvdA als voornaamste pleitbezorgers) serieus overwoog alle porno -
inclusief kinderporno - legaal te maken. In die tijd dachten veel opiniemakers
dat porno en promiscuïteit puur privézaken waren: men vond dat de overheid zich daar niet mee
moest bemoeien . Het lijkt haast onvoorstelbaar nu, maar destijds gold dit als
vooruitstrevend. Er was een Dutroux voor nodig om de ogen te openen.
Vrijheid of Verslaving?
Men riep dus luid dat we “vrij” waren van de oude benauwende
regels, vooral van die van de Kerk. Maar wat voor vrijheid kwam ervoor in de
plaats? Vrijheid ontaardde vaak in losbandigheid, en die losbandigheid bracht
nieuwe onvrijheden met zich mee, in de vorm van verslaving en uitbuiting. Neem
de pornografiecultuur die sinds de jaren ’70 is genormaliseerd. Vandaag de dag
kijkt een meerderheid van de mannen en een aanzienlijk deel van de vrouwen
regelmatig porno. Uit onderzoek blijkt dat maar liefst 65% van de Nederlandse
mannen en 16% van de vrouwen wekelijks pornografisch materiaal bekijkt . Voor
velen blijft het daar niet bij: 3–8% van deze groep geeft aan de controle over
hun pornogebruik kwijt te zijn en het zelf als verslavend te ervaren .
Dergelijke statistieken tonen hoe iets dat gepresenteerd werd als “bevrijding”
(ongehinderd seksuele beelden kunnen consumeren) voor velen juist een nieuwe
vorm van gebondenheid schept. Een groeiend aantal mensen kampt met
pornoverslaving of seksverslaving. Wat begon als vrijheid van oude taboes is
ironisch genoeg voor sommigen geëindigd in onvrijwillige afhankelijkheid.
De gevolgen beperken zich niet tot individuen; ze werken
door in de hele samenleving. Denk aan de vele #Me Too-onthullingen van de
afgelopen jaren, waaruit bleek dat in filmstudio’s,
bedrijven en zelfs kerken machtsmisbruik en seksuele grensoverschrijding vaak
jarenlang ongestoord konden plaatsvinden. Een cultuur die “alles moet kunnen” schept ook een
klimaat waarin de sterke of gewetenloze zich kunnen uitleven ten koste van de
zwakkere. Vrijheid zonder grens verwordt tot het recht van de sterkste of
luidruchtigste.
Waardenverlies en Leegte
Het gebeurde allemaal in een tijd dat religie als moreel
kompas in de maatschappij verdween. In Nederland is de ontkerkelijking sinds de
jaren ’60 pijlsnel gegaan. Waar destijds kerken op zondag vol zaten, is
tegenwoordig meer dan de helft van de bevolking niet meer religieus. In 2021
gaf zelfs 58% van de Nederlanders aan zichzelf tot geen enkele religieuze groep
te rekenen . Binnen één
generatie ging ons land van verzuild en godsdienstig naar seculier en
individualistisch . Met het afbrokkelen van kerkelijk gezag en geloofstradities
vervaagden ook de collectieve normen en waarden die daarmee samenhingen.
Religie – en dan met name
het christendom in onze contreien – bood eeuwenlang een moreel raamwerk.
Bepaalde gedragingen golden als deugdzaam of als zondig op basis van een hoger
ideaal, niet louter op basis van individueel gevoel. Natuurlijk waren er in het
verleden ook misstanden en overdreven preutsheid, maar er bestond tenminste een
duidelijk kompas. Dat kompas bestond niet alleen uit religie, maar ook uit
gezond verstand. Wanneer dat kompas verdwijnt, raken veel mensen stuurloos in
ethisch opzicht. We zien dan ook dat met de ontkerkelijking een moreel
relativisme opkwam: “Wie
ben ik om te oordelen? Wie ben jij om mij te vertellen wat niet goed is?” Op
het eerste gezicht klinkt dat tolerant en vrij. Maar in de praktijk liet het
een vacuüm achter waarin uiteindelijk iedere drijfveer – hoe egoïstisch of
destructief ook – evenveel recht van bestaan leek te hebben als welke andere.
Gaat het niet altijd zo: haal je een oude beschermende
omheining weg zonder na te denken, dan kun je chaos verwachten. “Verwijder
nooit een hek voordat je begrijpt waarom het er stond,” luidt Chesterton’s beroemde principe. Zonder kaders geen vrijheid, aldus de
aloude katholieke paradox. In de jaren ’60 hebben we in onze drang naar
vrijheid te lichtvaardig allerlei morele “hekken” neergehaald, zonder te
beseffen welke gevaren we daarmee vrij toegang gaven. Wanneer alle remmen los
zijn en alle genietingen eindeloos beschikbaar, treedt er een soort
existentiële leegte op. Niets heeft nog betekenis of geeft voldoening, zoals bandeloos
‘genieten’ van eten en drinken leidt tot misselijkheid en een kater. Is dit
niet precies wat we om ons heen zien? Ondanks (of juist dankzij) al onze
vrijheid en welvaart kampen velen met gevoelens van doelloosheid.
We verzuipen in onze vrijheid
Niemand heeft de moderne morele crisis zo scherpzinnig
gefileerd als schrijver en denker C.S. Lewis. Hoewel Lewis al in de jaren ’40 schreef, waren
zijn inzichten ronduit profetisch voor wat erna zou komen. In zijn boek The
Abolition of Man (De Afschaffing van de Mens) waarschuwde hij dat het ontkennen
van objectieve waarden (moreel relativisme) zou leiden tot het verval van
deugdzaamheid in de samenleving . Als er geen geloof meer is in universele
morele waarheden, zo betoogde Lewis, dan voeden we het verstand wel, maar niet
het hart. We krijgen dan hoogopgeleide puur rationalistische mensen;
intellectuelen zonder een vormend moreel centrum . Zulke mensen kunnen heel
slim of technisch begaafd zijn, maar hun emoties en driften zijn niet getraind
door deugd of traditie. Ze worden uiteindelijk geregeerd door hun lusten of
door ideologieën.
Lewis schetst in krachtige bewoordingen de tragi-komedie
van een maatschappij die haar eigen fundamenten onderuithaalt: “In een soort
gruwelijke simpelheid verwijderen we de organen maar eisen we de functie. We
maken mensen zonder hart en verwachten van hen deugd en ondernemingslust. We
lachen om eer en zijn verbaasd dat mensen volledig ontsporen. We castreren ze
en verlangen vervolgens dat de gecastreerden vruchtbaar zullen zijn.” . Met
deze bijtende ironie houdt Lewis ons een spiegel voor. We ontnemen nieuwe
generaties systematisch het besef van eer, zelfbeheersing en plichtsbesef, en
toch zijn we geschokt wanneer zij zich egoïstisch en bandeloos gedragen. We moedigen jongeren
aan “lekker
hun gang te gaan” en klagen vervolgens dat ze geen karakter tonen of
verantwoordelijkheid nemen.
De verwarring zien we nu in het echt om ons heen. We roepen
dat er meer respect, discipline en altruïsme in de samenleving moet komen, terwijl
we tegelijk de bronnen afwijzen die dat soort karakter kweken. We blijven om
die kwaliteiten roepen die we zelf onmogelijk maken. We verwachten nog steeds
eerlijkheid en respect, maar we hebben de morele vorming afgeschaft die mensen
tot eerlijke en respectvolle wezens maakt.
Lewis, een overtuigd christen, zag de terugkeer naar
objectieve waarden – wat hij de Tao noemt, de universele morele orde die je in
alle grote tradities vindt – als enige remedie tegen deze waanzin. Hij wist dat
de mens vrijheid nodig heeft, maar ook een natuur heeft die richting nodig
heeft. Vrijheid betekent niet dat een vis op het droge moet kunnen leven; een
vis is pas vrij als hij in water is, in zijn eigen leefmilieu. Zo is de mens
pas echt vrij als hij leeft binnen de morele orde die bij zijn natuur past. Als
we die orde negeren, verzuipen we uiteindelijk in onze zogenaamde vrijheid.
Vrijheid en Waardigheid Herwinnen
Hoe verder? Moeten we nu allemaal massaal terug naar de
kerkbanken van weleer? Dat is niet het punt dat ik hier wil maken - al zou een
hernieuwde waardering voor religieus erfgoed zeker geen kwaad kunnen. Het gaat
erom dat we gaan inzien dat onbeperkte vrijheid zonder waarheidsbegrip leidt
tot verval. Het is te triest voor woorden dat we moesten wachten tot de gruwelijkheden
van Dutroux aan het licht kwamen om ons de ogen te openen. Echte vrijheid
bestaat niet zonder waarheid en moraal. Vrijheid is niet doen wat je maar wilt,
maar kunnen doen wat goed is – zonder verslaafd te raken aan het kwade.
We zien om ons heen al tekenen van een kentering. De
verontwaardiging over de Epstein-affaire, over #MeToo, over kindermisbruik in
de kerk en evenzogoed overal elders – al die morele woede wijst erop dat mensen
aanvoelen dat er toch zoiets is als goed en kwaad dat niet onderhandelbaar is.
We zijn wakker geschud uit de relativistische droom. De vraag is of we de les
willen leren. Durven we weer morele grenzen te waarderen in plaats van
automatisch te bespotten? Durven we te erkennen dat misschien toch niet alle
oude “hekken”
nutteloos waren? Misschien moeten we iets terug bouwen van wat
overijverig is neergehaald. Niet elke traditie of regel uit het verleden was
goed – zeker niet. Maar laten we onderscheiden welke normen essentieel waren om
vrijheid in goede banen te leiden. De norm van trouw en zelfbeheersing was er
om gezinnen te beschermen tegen chaos. Zulke “hekken” verdienen eerherstel in een
eigentijdse vorm.
Historisch bood religie die hogere waarden en zin.
Misschien kunnen we in onze post-seculiere tijd daar opnieuw bij aansluiten,
zij het op een nieuwe manier. Het christelijk geloof bijvoorbeeld leert dat
ware vrijheid gevonden wordt in dienstbaarheid aan het goede en aan God – “de waarheid zal u
vrijmaken” (Johannes 8:32). Dat klinkt paradoxaal in moderne oren, maar we
hebben gezien wat “vrijheid
zonder waarheid” doet: die leidt tot nieuwe ketenen. Misschien wordt het tijd
dat we die paradox beter begrijpen: dat zelfbeheersing en morele kaders geen
vijanden zijn van de vrijheid, maar haar voorwaarde. Een trein is immers pas
vrij om met volle vaart vooruit te gaan als hij op de rails blijft. Haalt men
de rails weg, dan ontspoort de trein.
De mens heeft een hart, een hoofd en een ziel nodig om goed
te leven. We moeten het hoofd vullen met waarheid, het hart vormen met deugd,
en de ziel voeden met betekenis. In onze drang naar vrijheid hebben we soms het
kind met het badwater weggegooid. Maar het mooie is: wat waar en goed is,
blijft bestaan en kan herontdekt worden. Meestal gebeurt dat pas als we het absolute
dieptepunt bereikt hebben. Vrijheid en waardigheid kunnen herwonnen worden door
opnieuw verbinding te maken met tijdloze waarden. Misschien betekent dit voor
sommigen een hernieuwde interesse in religie; voor anderen simpelweg het
beseffen dat helemaal zónder hogere richtlijnen niemand werkelijk floreren kan.
Dat is trouwens gewoon een kwestie van gezond verstand. Daar hoef je niet
religieus voor te zijn. Goedheid en waarheid zijn geen verzinsels die
veranderen met de mode, maar ankers waaraan de mensheid zich door alle stormen
heen kan vasthouden. Dat is een vrijheid die standhoudt, in plaats van zichzelf
te vernietigen.
+Rob Mutsaerts
Er bestaat niet zoiets als katholieke wiskunde of zoiets als protestantse Topografie. Toch bestaan er katholieke en protestantse scholen waar het er bij de ene anders aan toegaat dan bij de andere. Volgens mij geldt dat ook voor diverse takken van sport: je hebt katholieke sporten en je hebt protestantse sporten. Het gaat er gewoon anders aan toe. Dat lijkt onzin, maar toch weet iedereen intuïtief wat bedoeld wordt als iemand zegt: “Voetbal is eigenlijk een katholieke sport.”
Wat maakt een sport “katholiek”?
Katholicisme is, grofweg, een religie van: rituelen, gemeenschap, symboliek,
drama, zonde, schuld en verlossing en vooral: de mogelijkheid tot comeback. Wie
ooit een voetbalwedstrijd heeft gezien, herkent dit onmiddellijk. Commentatoren
en sportjournalisten (of ze nou katholiek, protestants of puur heidens zijn)
spreken van een voetbalkathedraal (het stadion), hoogmis (topwedstrijd),
gezangen (voornamelijk vloekpsalmen), de onfeilbaarheid van de VAR en de
gevallen spits die toch weer genade vindt bij de trainer (die in enkele
gevallen zelfs wordt aangeduid als de messias van de club). Voetbal gelooft
niet in verdiensten, maar in genade. Dat maakt voetbal katholiek.
Wielrennen daarentegen lijkt op het eerste gezicht
protestants: hard werken, discipline, soberheid, lijden. Maar schijn bedriegt.
Wielrennen is misschien wel de meest katholieke sport die er bestaat. Waarom?
Omdat wielrennen draait om: lijden als deugd, processies (het peloton), ketters
(dopingzondaars) en aflaten (tijdstraffen). De Tour de France lijkt eerder op een jaarlijkse
bedevaart dan op een wielerwedstrijd. De Alpen zijn geen bergen, maar
beproevingen. De knecht offert zich op voor de kopman, die hem later in
interviews zal bedanken (een soort mis uit dankbaarheid). En de wielerfan weet:
wie niet geleden heeft, verdient de overwinning niet. Dat is geen sportethiek,
dat is middeleeuwse theologie.
Wanneer mag je een sport “katholiek”
noemen? Als aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan. 1. Beleving gaat
voor berekening. Daarom verliezen we nog liever een wedstrijd dan dat we met
berekening winnen. 2. Dramatiek boven efficiëntie. De meest memorabele momenten
zijn zelden de momenten we op de training ingestudeerd zijn: het zondagsschot,
de kansloze ontsnapping, dat soort dingen. 3. De slechtste kan winnen. Dat is
bij zwemmen en hardlopen nooit. Die het hardste loopt wint altijd. Daar komt
dan ook geen volk op af. Hardlopen is de sport van mensen die Excel vertrouwen.
Geen team,
geen toeval, geen excuses. Je loopt een marathon en weet precies waarom je
faalt: je hebt je tijdschema veronachtzaamd. Dat is calvinisme met chronometer.
Als een sport deze drie eigenschappen heeft, mag je haar katholiek noemen.
Bestaan er protestantse sporten? Zeker. Protestantisme
draait om: soberheid, individuele verantwoordelijkheid, discipline, transparantie en wantrouwen tegen overbodige
rituelen. Daar passen andere sporten bij. Hardlopen, bijvoorbeeld. Of
hink-stap-sprong. Waarom? Geen team,
geen fakkels, geen tifosi, geen excuses.
Je loopt, je faalt, je verbetert. Dat is geen sport, dat is de Heidelbergse
Catechismus in lycra. Ook tennis heeft iets protestants: de regels zijn
duidelijk, de score transparant, de emoties gedoseerd. Zelfs de outfits lijken
ontworpen door ouderlingen. En schaken? Dat is pure calvinistische
predestinatie. Als je verliest, had je dat van tevoren al verdiend.
De moderne mens gelooft dat het universum logisch moet
zijn. De voetbalfan weet beter. Het is weliswaar geordend, maar niet logisch.
Voetbal een protest is tegen de tirannie van statistiek. Dat het doelpunt niet
ontstaat uit data, maar uit het onverwachte. En dat alleen een cultuur die in
wonderen gelooft, echt van sport kan houden. De echte tragedie niet is dat je verliest,
maar dat je denkt dat winnen je zal redden. Sport draait om het onverwachte, om lef en het vermogen om op het juiste moment alles
te vergeten wat je op de training geleerd hebt. Dat klinkt verdacht katholiek.
Bij protestanten ligt dat volgens mij toch anders; daar is discipline
belangrijker is dan mysterie. Iedereen die ooit een seizoenskaart heeft gehad
bij een voetbalclub weet een ding: dat is een geloof waar je moeilijk vanaf
komt.
De mooiste sportmomenten juist die zijn waarin iemand faalt
– en toch doorgaat. Niemand herinneren zich niet wie het WK 1994 won. Maar
iedereen herinnert zich Roberto Baggio die naar de hemel keek nadat hij de
beslissende penalty had gemist. Sport werd tragedie. En tragedie is altijd
memorabeler dan triomf. Mathieu van der Poel - WK veldrijden 2023: hij viel,
stond op, won. Maar de dramatiek zat niet in de overwinning. Het zat in het
moment van twijfel. In de seconde waarin zelfs hij leek te breken. Sport leeft
niet van perfectie. Sport leeft van barsten. Soms zit de dramatiek niet in
WK-finales, maar in details. De amateurvoetballer die na twintig jaar eindelijk
scoort, maar buitenspel staat. De tennisser die uit woede zijn racket
kapotslaat en daarna sorry zegt tegen het publiek. Dat zijn de echte
sportmomenten. Niet omdat ze winnen. Maar omdat ze iets onthullen.
+Rob Mutsaerts
“Wonderen,” zei mijn vriend, “ach kom nou, de wetenschap heeft daar toch korte metten mee gemaakt. We weten dat de natuur wordt beheerst door vaste wetten.”
- “Wisten mensen dat dan vroeger niet altijd al?” zei ik.
“Lieve hemel, nee,” zei hij. “Neem bijvoorbeeld een verhaal als de maagdelijke geboorte. We weten nu dat zoiets niet kan gebeuren. We weten dat er een mannelijke zaadcel nodig is.”
- “Maar luister eens,” zei ik, “Jozef….”
“Wie is dat?” vroeg mijn vriend.
- “Hij was de echtgenoot van de Maagd Maria. Als je het verhaal in de Bijbel leest, zul je zien dat hij, toen hij zag dat zijn verloofde een kind zou krijgen, besloot van het huwelijk af te zien. Waarom deed hij dat?”
“Zou de meeste mannen dat niet doen?”
- “Elke man zou dat doen,” zei ik, “mits hij de natuurwetten kende. Met andere woorden, mits hij wist dat een meisje normaal gesproken geen kind krijgt tenzij ze met een man samen is geweest. Maar volgens jouw theorie wisten mensen vroeger niet dat de natuur door vaste wetten werd beheerst. Ik wijs erop dat het verhaal laat zien dat Jozef die wet net zo goed kende als jij.”
“Maar hij ging later toch in de maagdelijke geboorte geloven, nietwaar?”
- “Zeker. Maar hij deed dat niet omdat hij een verkeerde voorstelling had van waar baby’s normaal gesproken vandaan komen. Hij geloofde in de maagdelijke geboorte als iets bovennatuurlijks. Hij wist dat de natuur op vaste, regelmatige manieren werkt; maar hij geloofde ook dat er iets buiten de natuur bestond dat in haar werking kon ingrijpen — als het ware van buitenaf.”
“Maar de moderne wetenschap heeft aangetoond dat zoiets niet bestaat.”
- “Echt waar?” zei ik. “Welke wetenschap?”
“Och, dat is een kwestie van details,” zei mijn vriend. “Ik kan je niet uit het hoofd hoofdstuk en vers geven.”
- “Maar zie je dan niet,” zei ik, “dat de wetenschap zoiets nooit zou kunnen aantonen?”
“Waarom in hemelsnaam niet?”
- “Omdat de wetenschap de natuur bestudeert. En de vraag is nu juist of er behalve de natuur nog iets bestaat, iets ‘erboven’, iets bovennatuurlijks. Hoe zou je dat kunnen ontdekken door alleen de natuur te bestuderen?”
“Maar ontdekken we niet dat de natuur absoluut volgens vaste wetten moet werken? Ik bedoel, de natuurwetten vertellen ons niet alleen hoe dingen gebeuren, maar hoe ze móéten gebeuren. Geen enkele macht zou ze kunnen veranderen.”
- “Wat bedoel je precies?” zei ik.
“Luister,” zei hij. “Zou dat ‘iets erboven’ waar jij het over hebt, twee plus twee vijf kunnen maken?”
- “Nou, nee,” zei ik.
“Goed,” zei hij. “Welnu, ik denk dat de natuurwetten eigenlijk zijn als twee plus twee is vier. Het idee dat ze veranderd zouden kunnen worden is net zo absurd als het idee dat je de wetten van de rekenkunde zou kunnen veranderen.”
- “Even een moment,” zei ik. “Stel dat je vandaag zes euromunten in een lade legt en morgen nog eens zes in dezelfde lade. Maken de wetten van de rekenkunde het dan zeker dat je overmorgen 12 euro zult aantreffen?”
“Natuurlijk,” zei hij, “mits niemand met je lade heeft geknoeid.”
- “Ah, maar dat is nu precies het punt,” zei ik. “De wetten van de rekenkunde kunnen je met absolute zekerheid vertellen wat je zult vinden, op voorwaarde dat er geen ingreep is geweest. Als er een dief bij de lade is geweest, krijg je natuurlijk een ander resultaat. Maar die dief heeft de wetten van de rekenkunde niet overtreden - hij heeft alleen de wetten van ons land overtreden. Zijn de natuurwetten niet ongeveer van hetzelfde soort? Vertellen ze je niet allemaal wat er zal gebeuren, mits er geen ingreep plaatsvindt?”
“Wat bedoel je?”
- “Wel, de wetten vertellen je hoe een biljartbal over een glad oppervlak zal rollen als je hem op een bepaalde manier stoot, maar alleen als niemand ingrijpt. Als iemand, nadat de bal al in beweging is, een keu grijpt en hem een tik geeft, dan krijg je niet wat de wetenschapper had voorspeld.”
“Nee, natuurlijk niet. Daar kan hij geen rekening mee houden.”
- “Precies. En op dezelfde manier: als er iets buiten de natuur bestond en het zou ingrijpen, dan zouden de gebeurtenissen die de wetenschapper verwachtte niet volgen. Dat zouden we een wonder noemen. In zekere zin zou het de natuurwetten niet breken. De wetten vertellen je wat er gebeurt als niets ingrijpt. Ze kunnen je niet vertellen of er iets zal ingrijpen. Het is niet de rekenkundige die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat iemand met de munten in mijn lade knoeit; daarvoor heb je een detective nodig. Het is niet de natuurkundige die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat ik een keu grijp en zijn biljartproef verpest; vraag liever een psycholoog. En het is niet de wetenschapper die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat de natuur van buitenaf wordt verstoord. Daarvoor moet je naar de metafysicus.”
“Dat zijn nogal pietluttige punten,” zei mijn vriend. “Het echte bezwaar gaat veel dieper. Het hele beeld van het universum dat de wetenschap ons heeft gegeven maakt het volstrekt belachelijk te geloven dat de macht achter dit alles geïnteresseerd zou zijn in ons, piepkleine wezens die rondkruipen op een onbelangrijke planeet! Dat is toch duidelijk allemaal verzonnen door mensen die in een platte aarde geloofden, met de sterren maar een kilometer of twee ver weg.”
- “Wanneer geloofden mensen dat?” zei ik.
“Nou ja, al die oude christelijke figuren waar jij het altijd over hebt. Ik bedoel Boëthius en Augustinus en Thomas van Aquino en Dante.”
- “Sorry,” zei ik, “maar dit is een van de weinige onderwerpen waar ik wél iets van weet.” Ik strekte mijn hand uit naar een boekenplank. “Zie je dit boek,” zei ik, “Ptolemaeus’ Almagest. Weet je wat dat is?”
“Ja,” zei hij. “Het is het standaard astronomische handboek dat de hele Middeleeuwen door werd gebruikt.”
- “Lees dat dan eens,” zei ik, terwijl ik naar Boek I, hoofdstuk 5 wees.
“De aarde,” las mijn vriend hardop, enigszins aarzelend terwijl hij het Latijn vertaalde, “de aarde heeft, in verhouding tot de afstand van de vaste sterren, geen merkbare grootte en moet worden behandeld als een wiskundig punt!” Er viel een moment stilte. “Wisten ze dat toen echt al?” zei mijn vriend. “Maar… maar geen van de geschiedenissen van de wetenschap, geen enkele moderne encyclopedie, vermeldt dat ooit.”
- “Precies,” zei ik. “Ik laat jou wel nadenken over de reden. Het lijkt bijna alsof iemand het graag in de doofpot wilde stoppen, nietwaar? Ik vraag me af waarom.”
Er volgde nog een korte stilte.
“Hoe dan ook,” zei ik, “kunnen we het probleem nu nauwkeurig formuleren. Mensen denken meestal dat het probleem is hoe we wat we nu weten over de grootte van het heelal kunnen verenigen met onze traditionele religieuze ideeën. Dat blijkt helemaal niet het probleem te zijn. Het echte probleem is dit: de enorme omvang van het heelal en de onbeduidendheid van de aarde waren eeuwenlang bekend, en niemand droomde ervan dat dit iets te maken had met de religieuze kwestie. Vervolgens worden ze, nog geen honderd jaar geleden, plotseling opgevoerd als een argument tegen het christendom. En de mensen die dat doen, verzwijgen zorgvuldig het feit dat dit alles al lang bekend was. Vind je het niet vreemd dat jullie atheïsten zo weinig wantrouwig zijn?”
C.S. Lewis, Science and Religion (uit: God in the Dock)
Hillaire Bellock schreef ooit de befaamde woorden dat hij niet vreesde voor “de Barbaren die aan de poorten rammelen”, maar voor het gevaar dat van binnenuit komt. Het is een uitspraak die gemakkelijk verkeerd wordt begrepen. Belloc bedoelde niet dat uiterlijke dreiging ongevaarlijk is, maar dat beschavingen zelden sterven door vijanden van buitenaf. Zij sterven wanneer zij ophouden te geloven in wat ons ooit tot het geloof heeft gebracht.
Ik richt mij nu graag even tot vrijzinnige theologen en
gelovigen. Niet om hen te beschuldigen, maar om hen uit te nodigen tot
herbezinning. Want als Belloc gelijk had, en als hij vandaag tot ons zou
spreken, dan zou hij misschien zeggen: het christendom in Europa wordt niet
bedreigd door secularisatie alleen, maar door een theologie die haar eigen kern
niet langer vertrouwt.
Kijk bijvoorbeeld naar de situatie in Duitsland. De
‘Barbaren’ zijn niet het probleem. Het probleem komt van binnenuit. De Duitse
bisschoppen hebben een document gepubliceerd (“Segen gibt der Liebe Kraft”) die pastorale richtlijnen biedt voor
priesters en pastorale medewerkers voor zegeningen van paren die in
samenlevingsverbanden leven die de Kerk “ongeordend” noemt. Zegeningen worden
gepresenteerd als een manier om de liefde en hoop van mensen onder Gods zegen
te plaatsen. De Duitse synodale
processen hebben al eerder documenten aangenomen die pleiten voor een
heroverweging van de leer over homoseksualiteit, ruimte voor genderdiversiteit
en inclusie van trans en intersekse personen, en discussies over het celibaat. En dat allemaal onder
het mom van pastorale zorg.
Maar het punt is dit: in de katholieke theologie is
pastoraal handelen nooit los te maken van waarheid. De Kerk onderscheidt:
objectieve morele orde (wat goed of zondig is) en subjectieve schuld (hoe
verantwoordelijk iemand persoonlijk is). De Kerk kan mild zijn over schuld,
begeleiden in gewetensvorming en mensen stap voor stap begeleiden, maar zij kan
niet verklaren dat iets moreel goed is wat zij altijd als intrinsiek ongeordend
heeft beschouwd. Wanneer een bisschoppenconferentie relaties zegent die volgens
de leer objectief zondig zijn zonder duidelijke oproep tot bekering of
levensverandering, dan wordt de morele norm feitelijk herzien, ook al zegt men
dat formeel niet. Daarom stelde Rome al in 2021 onder paus Franciscus expliciet: “God
kan geen zonde zegenen.”
De universele Kerk heeft altijd een cruciaal onderscheid
gemaakt tussen de daad en de dader, tussen de persoon (die altijd geliefd is
door God) en zijn handelen of levensstaat. Denk aan de befaamde woorden van
Augustinus: haat de zonde, houd van de zondaar. Als je zonde goed gaat praten,
begeleid je de zondaar verder op weg richting de afgrond. Dat is zo onpastoraal
als het maar zijn kan. Als zondige situaties structureel worden gezegend zonder
duidelijke taal over bekering, kruis, ascese of morele groei, dan: wordt zonde
gebagatelliseerd tot ‘onvolkomenheid’. Dat mag dan pastoraal mooi klinken, maar
waar geen zonde meer is, is er ook geen reden meer tot bekering en is het
kruisoffer van Jezus overbodig verklaard.
En is elke zegening betekenisloos. En nee, dit is niet pastoraal. Liefde
zonder waarheid is liefdeloos.
De grootste uitdagingen van onze tijd - wetenschappelijke
vooruitgang, pluralisme, religieuze diversiteit, historische kritiek - zijn
geen barbaren. Zij zijn geen vijanden van het geloof. Integendeel: zij zijn
vaak voortgekomen uit een christelijke beschaving die waarheid zo serieus nam
dat zij haar durfde te onderzoeken. Maar wat gebeurt er wanneer bisschoppen,
priesters en theologen zo druk bezig zijn met het verdedigen van het
christendom op een zodanige manier zodat de seculiere omgeving geen aanstoot
meer neemt aan haar tegendraadse opvattingen? Zijn zij dan niet feitelijk
opgehouden het christendom te verdedigen?
Wanneer de verrijzenis van Jezus wordt gereduceerd tot “het
verhaal gaat door” in plaats van de daadwerkelijke opstanding van Jezus uit het
graf; wanneer Jezus niet langer Verlosser is, maar vooral moreel voorbeeld;
wanneer zonde wordt vervangen door “gebrokenheid”
zonder schuld, en genade door bevestiging zonder bekering? Wat resteert is een vaag, beleefd,
respectabel quasi-christendom waarin niets meer op het spel staat en dat zich
in niets onderscheid van seculiere opvattingen.
Vrijzinnigheid vertrekt vaak vanuit een nobel motief: hoe
kunnen wij het christelijk geloof verstaanbaar maken voor de moderne mens? Maar
als dat leidt tot louter bevestiging - wanneer het christendom zich te veel
aanpast aan de tijdgeest - verliest het precies datgene wat het relevant maakt.
En dus volstrekt overbodig. Je krijgt er trouwens nieuwe dogma’s voor in de
plaats: het dogma van autonomie, het dogma van authenticiteit zonder waarheid,
en het dogma van inclusiviteit zonder onderscheid. Dat zijn geen minder strenge
geloofssystemen met als resultaat een tragische mensbeeld.
Vrijzinnige theologie benadrukt terecht menselijke
waardigheid, maar heeft vaak moeite met radicale zonde - niet als moreel falen,
maar als existentiële scheefgroei. De grote tragiek is dat wanneer zonde
verdwijnt, ook vergeving betekenisloos wordt. En zonder vergeving wordt genade
een leeg woord. En zegen eveneens. Dan
blijft er een christendom over dat mensen niet meer redt, maar slechts
begeleidt. Naar de afgrond.
De kernvraag is uiteindelijk niet wat betekent Christus
voor mij, maar: Wie is Christus, los van mijn interpretatie? Christus geen
symbool van universele waarden, maar een historische, concrete, ontregelende
aanwezigheid van God zelf. Een theologie die Christus “veilig”
maakt voor de moderne mens, maakt Hem onherkenbaar voor het evangelie.
De vraag is niet of wij kritisch denken, maar waar onze
kritiek stopt. Misschien is de ware uitdaging voor vrijzinnige theologie
vandaag deze: 1. Durven wij opnieuw te geloven dat het christendom waar is,
niet alleen waardevol? 2. Durven wij te aanvaarden dat het evangelie ons
oordeelt, voordat het ons bevrijdt? 3. Durven wij opnieuw te spreken over
bekering, offer, verlossing - zonder ons te verontschuldigen?
Niet omdat de barbaren aan de poort staan, maar omdat de Kerk leeg dreigt te
raken.
Bellock vreesde niet de barbaren aan de poort, maar de
beschaving die haar eigen ziel vergeten is. Hij vreesde niet de rede, maar de
rede zonder geloof. Hij vreesde niet de moderniteit, maar de mens die vergeten
is dat hij vergeving nodig heeft. Het enige dat we te vrezen hebben is van een
theologie die niet langer durft te geloven wat zij ooit verkondigde?
+Rob Mutsaerts
Er bestaat een gedachte die ik nog steeds met enige regelmaat hoor: Jezus wilde wel volgelingen, maar het instituut Kerk heeft Hij niet gewild. Het is alsof je zegt ‘Ik ben voor onderwijs, maar tegen scholen’, of ‘Ik ben voor voetbal, maar tegen voetbalclubs’. Het kan gewoon niet, inhoud zonder vorm is als water: het vloeit weg.
Het eerste wat men over Jezus moet zeggen, is dit: Hij was
opvallend concreet. Hij schreef geen boek, maar vormde mensen. Hij liet geen
losse spreuken achter, maar een gemeenschap. Hij vertrouwde zijn boodschap niet
toe aan “de
mensheid”, maar aan twaalf zeer specifieke mannen, van wie er minstens vier
volstrekt ongeschikt leken. Wie beweert dat Jezus geen Kerk wilde, beschrijft
Hem als een soort zwevende moraalfilosoof, terwijl Hij in werkelijkheid iemand
was die: at met zijn leerlingen, met hen rondtrok, hen corrigeerde, hen
uitzond, en hun ruzies moest bijleggen. Dat is geen spirituele wolk. Dat is een
beginnende organisatie.
Het tegenargument is doorgaans dit: “De Kerk kan niet van God zijn, want
zij is zo menselijk.” Maar dat is precies hetzelfde argument dat men had kunnen
gebruiken tegen de incarnatie: “God
kan niet mens geworden zijn, want mensen zijn zo beperkt.” Het christendom is
nu eenmaal het geloof dat God juist door het menselijke werkt. Niet ondanks het
menselijke, maar door het menselijke.
Er is een merkwaardig moment in het Matheus-evangelie
waarin Jezus iets zegt wat voor veel moderne mensen hoogst onhandig is. Hij
zegt: “Op
deze rots zal Ik mijn Kerk bouwen.” Niet: “er
zal ooit iets ontstaan.” Ook niet: “jullie zullen later
iets verzinnen.” Maar: mijn Kerk. Het grappige is dat mensen die beweren “alleen Jezus te
volgen”, vaak beginnen met het corrigeren van Jezus.
Jezus deed nog iets: Hij gaf gezag. Hij zei tegen zijn
apostelen: “Wie
naar jullie luistert, luistert naar Mij.” Dat is geen poëzie. Dat is geen vrome
sfeer. Dat is autoriteit. En hier raken we aan een diep paradoxaal punt:
dezelfde mensen die zeggen dat de Kerk te autoritair is, geloven vaak dat hun
eigen interpretatie absoluut gezag heeft. Nogmaals, Jezus gaf gezag. In Matteüs 16 en 18 spreekt Hij over: “de sleutels van het
Koninkrijk”, “binden
en ontbinden” en beslissingen die “in de hemel erkend
worden”. Dit is juridische taal. Geen
poëtische beeldspraak, maar taal van verantwoordelijkheid en leiding. Aan de
apostelen zegt Hij: “Wie
naar jullie luistert, luistert naar Mij.” Dat is een tamelijk schokkende
uitspraak. Jezus verbindt zijn eigen gezag aan mensen, niet aan individuele
interpretatie. Een Kerk zonder gezag is onmogelijk. En Jezus wist dat.
Binnen die groep apostelen kiest Jezus één man: Petrus. En het een wonderlijk detail is dit: Petrus is geen held. Hij begrijpt
Jezus verkeerd. Hij spreekt te snel. Hij verloochent Hem op het beslissende
moment. En dat is de man op wie Christus zijn Kerk bouwt. Niet omdat hij
perfect is, maar omdat hij vergeven is. De Kerk is gebouwd op boetedoening,
niet op morele superioriteit. Een Kerk zonder zondaars zou geen Kerk zijn, maar
een museum, en zelfs daar zouden de beelden barsten vertonen.
Het idee dat “Jezus
geen Kerk wilde” zou voor de eerste christenen volstrekt onbegrijpelijk zijn
geweest. Voor hen was de Kerk geen latere toevoeging, maar het vanzelfsprekende
gevolg van Jezus’ leven,
dood en verrijzenis. Wanneer Ignatius van Antiochië zegt: “Waar de bisschop is, daar is de Kerk,”
zegt hij dat niet om macht te verdedigen, maar om eenheid te bewaren.
“Een
instituut kan toch niet geestelijk zijn?” Is dat zo? Dit is een onbijbelse tegenstelling. God
wordt mens in een lichaam: de incarnatie. Genade komt via zichtbare tekenen:
sacramenten. Liefde krijgt vorm in structuren, zoals bijvoorbeeld het huwelijk.
Een Kerk zonder menselijke structuren zou juist gnostisch zijn: geest zonder
lichaam. Maar het christendom is altijd: geest én lichaam, genade én
orde, mysterie én
organisatie.
Laat me duidelijk zijn. Dat de Kerk (veel) fouten heeft
gemaakt, misbruik heeft gekend, macht heeft misbruikt, dat ontkent niemand.
Maar: Judas was er al bij, Petrus
verloochende Jezus, de apostelen vluchtten (de
allereerste synodale actie). Menselijke zwakte weerlegt niet het goddelijke
karakter van het instituut. Het bevestigt juist hoe realistisch Jezus was. Hij
bouwde zijn Kerk niet op perfecte mensen, maar op vergeven zondaars.
Wat staat er werkelijk op het spel? Als Jezus geen Kerk
wilde, dan: heeft niemand het recht om zijn leer gezagvol door te gevende is
ieder zijn eigen paus, zijn sacramenten menselijke rituelen, en is christendom
uiteindelijk privé-spiritualiteit.
Maar als Jezus wel de Kerk wilde - en alles wijst daarop - dan is de Kerk geen
obstakel tussen ons en Christus, maar het instrument waardoor Hij werkt. Want
zonder Kerk: valt de leer uiteen, verdwijnt de Eucharistie, en wordt liefde een
mening. Een geloof zonder het instituut Kerk is een emotie met een houdbaarheidsdatum.
De Kerk is geen kooi voor de Geest, maar de ribbenkast die het hart beschermt.
Zonder de Kerk zou er trouwens ook geen Bijbel zijn, want
het is de Kerk die de Bijbel heeft samengesteld. Ik heb het altijd buitengewoon
merkwaardig gevonden dat mensen de Kerk wantrouwen, maar blind vertrouwen op
een boek dat zij alleen kennen dankzij diezelfde Kerk. Anders gezegd: de Kerk
was er eerder dan de Bijbel.
+Rob Mutsaerts
Nieuw boek Mgr. Mutsaerts, geinspireerd door Chesterton
Mgr. Rob Mutsaerts, hulpbisschop van Den Bosch, heeft een nieuw boek gepubliceerd: "De econoom en de roekeloze zaaier". Geïnspireerd door G.K. Chesterton, de grote Engelse bekeerling staat de bisschop stil bij de paradoxen van het christendom, aan de hand vooral van het Marcus-evangelie. Eeen aantrekkelijk en heel leesbaar boek.
Mutsaerts presenteert het christendom, in navolging van Chesterton, als een "religie van paradoxen, te beginnen bij de grote paradox van de incarnatie: God die mens wordt. Hij aarzelt niet de (zogenaamd) "gekke" en "verkeerde" zaken te benoemen en de vele verwijten die mensen katholieken maken.
Als een nieuwe Sint Thomas geeft hij alle opwerpingen weer die tegen het katholieke geloof kunnen worden gemaakt, om die dan ook inhoudelijk en op aantrekkelijke wijze te bespreken.Zijn taal is prikkelend en ik denk dat jongeren, zeker jongeren die met allerlei vragen kritisch bezig zijn, er zeer door aangesproken worden. Ook voor wie gaat preken over evangelies volgens Marcus, zal hier boeiende en prikkelende aanzetten vinden voor een homilie die gehoord vindt.
Van harte aanbevolen.
De econoom en de roekeloze zaaier is verschenen bij uitgeverij Betsaida, het boek telt 268 pp. en kost € 19, 50. Link: Betsaida