De recente onthullingen rond de “Epstein-files” domineren het nieuws. Duizenden pagina’s aan rechtbankdocumenten brengen aan het licht hoe zakenman Jeffrey Epstein een netwerk opzette waarin jonge vrouwen en minderjarige meisjes werden misbruikt, met connecties naar invloedrijke figuren in de politiek en samenleving . Dit schandaal schokt velen. Maar eigenlijk past het in een patroon dat teruggaat tot een culturele omslag enkele decennia geleden, toen traditionele normen begonnen te vervagen. Hoe heeft het zover kunnen komen dat seksueel misbruik en losbandigheid hoog in de machtspiramide voorkomen?
In de jaren ’70 voltrok zich een morele revolutie.
Dingen die vroeger ondenkbaar waren in “beschaafde kringen” werden ineens
normaal gevonden. Zelfs zichzelf kwaliteitskranten noemende media recenseerden
pornografische films alsof het serieuze cinema betrof. Pornofilms werden
openlijk besproken door en serieus genomen door critici . Een prominente
filmrecensent als Roger Ebert schreef bijvoorbeeld reviews van expliciete films
als The Devil in Miss Jones (1973) . Seksualiteit drong door tot de mainstream
cultuur – wat ooit taboe was, werd nu gezien als bevrijding.
Vervagende Normen: Van Playboy tot Brongersma
Tegelijk brachten figuren als Hugh Hefner seksualiteit in
het glamoureuze daglicht. Hefner’s
Playboy-imperium vierde de vrije liefde op decadente feestjes in zijn fameuze
landhuis. Vanaf de jaren ’70 werd de Playboy Mansion in Los
Angeles berucht om weelderige feestjes, bevolkt door beroemdheden en playmates
. Jaren later kon iedereen zelfs op televisie meekijken via reality-series als
The Girls Next Door, die het leven van Hefner’s
vele jonge vriendinnen in dat landhuis volgden. Wat voorheen privé of schandelijk was, werd nu met trots
tentoongesteld als entertainment. Seks werd een vast onderdeel van Hollywood en
de bredere popcultuur.
Maar deze “vrijheid
blijheid” had ook donkere kanten. Sommige grenzen werden zo ver opgerekt dat ze
compleet verdwenen. Pedofilie werd in zelfs verdedigd als een legitieme vorm
van liefde. In Nederland pleitte senator Edward Brongersma (PvdA) in de jaren ‘70 openlijk voor
acceptatie van pedofielen en hun seksuele escapades met jonge kinderen. Hij
vertelde zonder enige gēne in het bezit te zijn van een grote verzameling
kinderporno. In een tv-uitzending in 1978 kreeg Brongersma de ruimte om uit te
leggen “waarom
het goed was dat kinderen relaties met volwassenen konden hebben” . Dit
illustreert hoe radicaal het moraalbesef kon verschuiven: wat altijd als
misbruik gold, werd nu door sommigen gepresenteerd als een geoorloofde
expressie van liefde. Dat liefde verward werd met lust scheen maar weinigen te
zien. Wie in die tijd voorzichtig protesteerde tegen dergelijke ideeën, werd
weggezet als een bekrompen geest die de nieuwe vrijheden in gevaar bracht.
Intussen verdween traditionele morele kritiek naar de
achtergrond. Pornografie overspoelde de markt. Er was zelfs een moment
halverwege de jaren ’80 dat de Nederlandse regering (met
VVD, D66 en PvdA als voornaamste pleitbezorgers) serieus overwoog alle porno -
inclusief kinderporno - legaal te maken. In die tijd dachten veel opiniemakers
dat porno en promiscuïteit puur privézaken waren: men vond dat de overheid zich daar niet mee
moest bemoeien . Het lijkt haast onvoorstelbaar nu, maar destijds gold dit als
vooruitstrevend. Er was een Dutroux voor nodig om de ogen te openen.
Vrijheid of Verslaving?
Men riep dus luid dat we “vrij” waren van de oude benauwende
regels, vooral van die van de Kerk. Maar wat voor vrijheid kwam ervoor in de
plaats? Vrijheid ontaardde vaak in losbandigheid, en die losbandigheid bracht
nieuwe onvrijheden met zich mee, in de vorm van verslaving en uitbuiting. Neem
de pornografiecultuur die sinds de jaren ’70 is genormaliseerd. Vandaag de dag
kijkt een meerderheid van de mannen en een aanzienlijk deel van de vrouwen
regelmatig porno. Uit onderzoek blijkt dat maar liefst 65% van de Nederlandse
mannen en 16% van de vrouwen wekelijks pornografisch materiaal bekijkt . Voor
velen blijft het daar niet bij: 3–8% van deze groep geeft aan de controle over
hun pornogebruik kwijt te zijn en het zelf als verslavend te ervaren .
Dergelijke statistieken tonen hoe iets dat gepresenteerd werd als “bevrijding”
(ongehinderd seksuele beelden kunnen consumeren) voor velen juist een nieuwe
vorm van gebondenheid schept. Een groeiend aantal mensen kampt met
pornoverslaving of seksverslaving. Wat begon als vrijheid van oude taboes is
ironisch genoeg voor sommigen geëindigd in onvrijwillige afhankelijkheid.
De gevolgen beperken zich niet tot individuen; ze werken
door in de hele samenleving. Denk aan de vele #Me Too-onthullingen van de
afgelopen jaren, waaruit bleek dat in filmstudio’s,
bedrijven en zelfs kerken machtsmisbruik en seksuele grensoverschrijding vaak
jarenlang ongestoord konden plaatsvinden. Een cultuur die “alles moet kunnen” schept ook een
klimaat waarin de sterke of gewetenloze zich kunnen uitleven ten koste van de
zwakkere. Vrijheid zonder grens verwordt tot het recht van de sterkste of
luidruchtigste.
Waardenverlies en Leegte
Het gebeurde allemaal in een tijd dat religie als moreel
kompas in de maatschappij verdween. In Nederland is de ontkerkelijking sinds de
jaren ’60 pijlsnel gegaan. Waar destijds kerken op zondag vol zaten, is
tegenwoordig meer dan de helft van de bevolking niet meer religieus. In 2021
gaf zelfs 58% van de Nederlanders aan zichzelf tot geen enkele religieuze groep
te rekenen . Binnen één
generatie ging ons land van verzuild en godsdienstig naar seculier en
individualistisch . Met het afbrokkelen van kerkelijk gezag en geloofstradities
vervaagden ook de collectieve normen en waarden die daarmee samenhingen.
Religie – en dan met name
het christendom in onze contreien – bood eeuwenlang een moreel raamwerk.
Bepaalde gedragingen golden als deugdzaam of als zondig op basis van een hoger
ideaal, niet louter op basis van individueel gevoel. Natuurlijk waren er in het
verleden ook misstanden en overdreven preutsheid, maar er bestond tenminste een
duidelijk kompas. Dat kompas bestond niet alleen uit religie, maar ook uit
gezond verstand. Wanneer dat kompas verdwijnt, raken veel mensen stuurloos in
ethisch opzicht. We zien dan ook dat met de ontkerkelijking een moreel
relativisme opkwam: “Wie
ben ik om te oordelen? Wie ben jij om mij te vertellen wat niet goed is?” Op
het eerste gezicht klinkt dat tolerant en vrij. Maar in de praktijk liet het
een vacuüm achter waarin uiteindelijk iedere drijfveer – hoe egoïstisch of
destructief ook – evenveel recht van bestaan leek te hebben als welke andere.
Gaat het niet altijd zo: haal je een oude beschermende
omheining weg zonder na te denken, dan kun je chaos verwachten. “Verwijder
nooit een hek voordat je begrijpt waarom het er stond,” luidt Chesterton’s beroemde principe. Zonder kaders geen vrijheid, aldus de
aloude katholieke paradox. In de jaren ’60 hebben we in onze drang naar
vrijheid te lichtvaardig allerlei morele “hekken” neergehaald, zonder te
beseffen welke gevaren we daarmee vrij toegang gaven. Wanneer alle remmen los
zijn en alle genietingen eindeloos beschikbaar, treedt er een soort
existentiële leegte op. Niets heeft nog betekenis of geeft voldoening, zoals bandeloos
‘genieten’ van eten en drinken leidt tot misselijkheid en een kater. Is dit
niet precies wat we om ons heen zien? Ondanks (of juist dankzij) al onze
vrijheid en welvaart kampen velen met gevoelens van doelloosheid.
We verzuipen in onze vrijheid
Niemand heeft de moderne morele crisis zo scherpzinnig
gefileerd als schrijver en denker C.S. Lewis. Hoewel Lewis al in de jaren ’40 schreef, waren
zijn inzichten ronduit profetisch voor wat erna zou komen. In zijn boek The
Abolition of Man (De Afschaffing van de Mens) waarschuwde hij dat het ontkennen
van objectieve waarden (moreel relativisme) zou leiden tot het verval van
deugdzaamheid in de samenleving . Als er geen geloof meer is in universele
morele waarheden, zo betoogde Lewis, dan voeden we het verstand wel, maar niet
het hart. We krijgen dan hoogopgeleide puur rationalistische mensen;
intellectuelen zonder een vormend moreel centrum . Zulke mensen kunnen heel
slim of technisch begaafd zijn, maar hun emoties en driften zijn niet getraind
door deugd of traditie. Ze worden uiteindelijk geregeerd door hun lusten of
door ideologieën.
Lewis schetst in krachtige bewoordingen de tragi-komedie
van een maatschappij die haar eigen fundamenten onderuithaalt: “In een soort
gruwelijke simpelheid verwijderen we de organen maar eisen we de functie. We
maken mensen zonder hart en verwachten van hen deugd en ondernemingslust. We
lachen om eer en zijn verbaasd dat mensen volledig ontsporen. We castreren ze
en verlangen vervolgens dat de gecastreerden vruchtbaar zullen zijn.” . Met
deze bijtende ironie houdt Lewis ons een spiegel voor. We ontnemen nieuwe
generaties systematisch het besef van eer, zelfbeheersing en plichtsbesef, en
toch zijn we geschokt wanneer zij zich egoïstisch en bandeloos gedragen. We moedigen jongeren
aan “lekker
hun gang te gaan” en klagen vervolgens dat ze geen karakter tonen of
verantwoordelijkheid nemen.
De verwarring zien we nu in het echt om ons heen. We roepen
dat er meer respect, discipline en altruïsme in de samenleving moet komen, terwijl
we tegelijk de bronnen afwijzen die dat soort karakter kweken. We blijven om
die kwaliteiten roepen die we zelf onmogelijk maken. We verwachten nog steeds
eerlijkheid en respect, maar we hebben de morele vorming afgeschaft die mensen
tot eerlijke en respectvolle wezens maakt.
Lewis, een overtuigd christen, zag de terugkeer naar
objectieve waarden – wat hij de Tao noemt, de universele morele orde die je in
alle grote tradities vindt – als enige remedie tegen deze waanzin. Hij wist dat
de mens vrijheid nodig heeft, maar ook een natuur heeft die richting nodig
heeft. Vrijheid betekent niet dat een vis op het droge moet kunnen leven; een
vis is pas vrij als hij in water is, in zijn eigen leefmilieu. Zo is de mens
pas echt vrij als hij leeft binnen de morele orde die bij zijn natuur past. Als
we die orde negeren, verzuipen we uiteindelijk in onze zogenaamde vrijheid.
Vrijheid en Waardigheid Herwinnen
Hoe verder? Moeten we nu allemaal massaal terug naar de
kerkbanken van weleer? Dat is niet het punt dat ik hier wil maken - al zou een
hernieuwde waardering voor religieus erfgoed zeker geen kwaad kunnen. Het gaat
erom dat we gaan inzien dat onbeperkte vrijheid zonder waarheidsbegrip leidt
tot verval. Het is te triest voor woorden dat we moesten wachten tot de gruwelijkheden
van Dutroux aan het licht kwamen om ons de ogen te openen. Echte vrijheid
bestaat niet zonder waarheid en moraal. Vrijheid is niet doen wat je maar wilt,
maar kunnen doen wat goed is – zonder verslaafd te raken aan het kwade.
We zien om ons heen al tekenen van een kentering. De
verontwaardiging over de Epstein-affaire, over #MeToo, over kindermisbruik in
de kerk en evenzogoed overal elders – al die morele woede wijst erop dat mensen
aanvoelen dat er toch zoiets is als goed en kwaad dat niet onderhandelbaar is.
We zijn wakker geschud uit de relativistische droom. De vraag is of we de les
willen leren. Durven we weer morele grenzen te waarderen in plaats van
automatisch te bespotten? Durven we te erkennen dat misschien toch niet alle
oude “hekken”
nutteloos waren? Misschien moeten we iets terug bouwen van wat
overijverig is neergehaald. Niet elke traditie of regel uit het verleden was
goed – zeker niet. Maar laten we onderscheiden welke normen essentieel waren om
vrijheid in goede banen te leiden. De norm van trouw en zelfbeheersing was er
om gezinnen te beschermen tegen chaos. Zulke “hekken” verdienen eerherstel in een
eigentijdse vorm.
Historisch bood religie die hogere waarden en zin.
Misschien kunnen we in onze post-seculiere tijd daar opnieuw bij aansluiten,
zij het op een nieuwe manier. Het christelijk geloof bijvoorbeeld leert dat
ware vrijheid gevonden wordt in dienstbaarheid aan het goede en aan God – “de waarheid zal u
vrijmaken” (Johannes 8:32). Dat klinkt paradoxaal in moderne oren, maar we
hebben gezien wat “vrijheid
zonder waarheid” doet: die leidt tot nieuwe ketenen. Misschien wordt het tijd
dat we die paradox beter begrijpen: dat zelfbeheersing en morele kaders geen
vijanden zijn van de vrijheid, maar haar voorwaarde. Een trein is immers pas
vrij om met volle vaart vooruit te gaan als hij op de rails blijft. Haalt men
de rails weg, dan ontspoort de trein.
De mens heeft een hart, een hoofd en een ziel nodig om goed
te leven. We moeten het hoofd vullen met waarheid, het hart vormen met deugd,
en de ziel voeden met betekenis. In onze drang naar vrijheid hebben we soms het
kind met het badwater weggegooid. Maar het mooie is: wat waar en goed is,
blijft bestaan en kan herontdekt worden. Meestal gebeurt dat pas als we het absolute
dieptepunt bereikt hebben. Vrijheid en waardigheid kunnen herwonnen worden door
opnieuw verbinding te maken met tijdloze waarden. Misschien betekent dit voor
sommigen een hernieuwde interesse in religie; voor anderen simpelweg het
beseffen dat helemaal zónder hogere richtlijnen niemand werkelijk floreren kan.
Dat is trouwens gewoon een kwestie van gezond verstand. Daar hoef je niet
religieus voor te zijn. Goedheid en waarheid zijn geen verzinsels die
veranderen met de mode, maar ankers waaraan de mensheid zich door alle stormen
heen kan vasthouden. Dat is een vrijheid die standhoudt, in plaats van zichzelf
te vernietigen.
+Rob Mutsaerts