Er bestaat niet zoiets als katholieke wiskunde of zoiets als protestantse Topografie. Toch bestaan er katholieke en protestantse scholen waar het er bij de ene anders aan toegaat dan bij de andere. Volgens mij geldt dat ook voor diverse takken van sport: je hebt katholieke sporten en je hebt protestantse sporten. Het gaat er gewoon anders aan toe. Dat lijkt onzin, maar toch weet iedereen intuïtief wat bedoeld wordt als iemand zegt: “Voetbal is eigenlijk een katholieke sport.”
Wat maakt een sport “katholiek”?
Katholicisme is, grofweg, een religie van: rituelen, gemeenschap, symboliek,
drama, zonde, schuld en verlossing en vooral: de mogelijkheid tot comeback. Wie
ooit een voetbalwedstrijd heeft gezien, herkent dit onmiddellijk. Commentatoren
en sportjournalisten (of ze nou katholiek, protestants of puur heidens zijn)
spreken van een voetbalkathedraal (het stadion), hoogmis (topwedstrijd),
gezangen (voornamelijk vloekpsalmen), de onfeilbaarheid van de VAR en de
gevallen spits die toch weer genade vindt bij de trainer (die in enkele
gevallen zelfs wordt aangeduid als de messias van de club). Voetbal gelooft
niet in verdiensten, maar in genade. Dat maakt voetbal katholiek.
Wielrennen daarentegen lijkt op het eerste gezicht
protestants: hard werken, discipline, soberheid, lijden. Maar schijn bedriegt.
Wielrennen is misschien wel de meest katholieke sport die er bestaat. Waarom?
Omdat wielrennen draait om: lijden als deugd, processies (het peloton), ketters
(dopingzondaars) en aflaten (tijdstraffen). De Tour de France lijkt eerder op een jaarlijkse
bedevaart dan op een wielerwedstrijd. De Alpen zijn geen bergen, maar
beproevingen. De knecht offert zich op voor de kopman, die hem later in
interviews zal bedanken (een soort mis uit dankbaarheid). En de wielerfan weet:
wie niet geleden heeft, verdient de overwinning niet. Dat is geen sportethiek,
dat is middeleeuwse theologie.
Wanneer mag je een sport “katholiek”
noemen? Als aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan. 1. Beleving gaat
voor berekening. Daarom verliezen we nog liever een wedstrijd dan dat we met
berekening winnen. 2. Dramatiek boven efficiëntie. De meest memorabele momenten
zijn zelden de momenten we op de training ingestudeerd zijn: het zondagsschot,
de kansloze ontsnapping, dat soort dingen. 3. De slechtste kan winnen. Dat is
bij zwemmen en hardlopen nooit. Die het hardste loopt wint altijd. Daar komt
dan ook geen volk op af. Hardlopen is de sport van mensen die Excel vertrouwen.
Geen team,
geen toeval, geen excuses. Je loopt een marathon en weet precies waarom je
faalt: je hebt je tijdschema veronachtzaamd. Dat is calvinisme met chronometer.
Als een sport deze drie eigenschappen heeft, mag je haar katholiek noemen.
Bestaan er protestantse sporten? Zeker. Protestantisme
draait om: soberheid, individuele verantwoordelijkheid, discipline, transparantie en wantrouwen tegen overbodige
rituelen. Daar passen andere sporten bij. Hardlopen, bijvoorbeeld. Of
hink-stap-sprong. Waarom? Geen team,
geen fakkels, geen tifosi, geen excuses.
Je loopt, je faalt, je verbetert. Dat is geen sport, dat is de Heidelbergse
Catechismus in lycra. Ook tennis heeft iets protestants: de regels zijn
duidelijk, de score transparant, de emoties gedoseerd. Zelfs de outfits lijken
ontworpen door ouderlingen. En schaken? Dat is pure calvinistische
predestinatie. Als je verliest, had je dat van tevoren al verdiend.
De moderne mens gelooft dat het universum logisch moet
zijn. De voetbalfan weet beter. Het is weliswaar geordend, maar niet logisch.
Voetbal een protest is tegen de tirannie van statistiek. Dat het doelpunt niet
ontstaat uit data, maar uit het onverwachte. En dat alleen een cultuur die in
wonderen gelooft, echt van sport kan houden. De echte tragedie niet is dat je verliest,
maar dat je denkt dat winnen je zal redden. Sport draait om het onverwachte, om lef en het vermogen om op het juiste moment alles
te vergeten wat je op de training geleerd hebt. Dat klinkt verdacht katholiek.
Bij protestanten ligt dat volgens mij toch anders; daar is discipline
belangrijker is dan mysterie. Iedereen die ooit een seizoenskaart heeft gehad
bij een voetbalclub weet een ding: dat is een geloof waar je moeilijk vanaf
komt.
De mooiste sportmomenten juist die zijn waarin iemand faalt
– en toch doorgaat. Niemand herinneren zich niet wie het WK 1994 won. Maar
iedereen herinnert zich Roberto Baggio die naar de hemel keek nadat hij de
beslissende penalty had gemist. Sport werd tragedie. En tragedie is altijd
memorabeler dan triomf. Mathieu van der Poel - WK veldrijden 2023: hij viel,
stond op, won. Maar de dramatiek zat niet in de overwinning. Het zat in het
moment van twijfel. In de seconde waarin zelfs hij leek te breken. Sport leeft
niet van perfectie. Sport leeft van barsten. Soms zit de dramatiek niet in
WK-finales, maar in details. De amateurvoetballer die na twintig jaar eindelijk
scoort, maar buitenspel staat. De tennisser die uit woede zijn racket
kapotslaat en daarna sorry zegt tegen het publiek. Dat zijn de echte
sportmomenten. Niet omdat ze winnen. Maar omdat ze iets onthullen.
+Rob Mutsaerts