“Wonderen,” zei mijn vriend, “ach kom nou, de wetenschap heeft daar toch korte metten mee gemaakt. We weten dat de natuur wordt beheerst door vaste wetten.”
- “Wisten mensen dat dan vroeger niet altijd al?” zei ik.
“Lieve hemel, nee,” zei hij. “Neem bijvoorbeeld een verhaal als de maagdelijke geboorte. We weten nu dat zoiets niet kan gebeuren. We weten dat er een mannelijke zaadcel nodig is.”
- “Maar luister eens,” zei ik, “Jozef….”
“Wie is dat?” vroeg mijn vriend.
- “Hij was de echtgenoot van de Maagd Maria. Als je het verhaal in de Bijbel leest, zul je zien dat hij, toen hij zag dat zijn verloofde een kind zou krijgen, besloot van het huwelijk af te zien. Waarom deed hij dat?”
“Zou de meeste mannen dat niet doen?”
- “Elke man zou dat doen,” zei ik, “mits hij de natuurwetten kende. Met andere woorden, mits hij wist dat een meisje normaal gesproken geen kind krijgt tenzij ze met een man samen is geweest. Maar volgens jouw theorie wisten mensen vroeger niet dat de natuur door vaste wetten werd beheerst. Ik wijs erop dat het verhaal laat zien dat Jozef die wet net zo goed kende als jij.”
“Maar hij ging later toch in de maagdelijke geboorte geloven, nietwaar?”
- “Zeker. Maar hij deed dat niet omdat hij een verkeerde voorstelling had van waar baby’s normaal gesproken vandaan komen. Hij geloofde in de maagdelijke geboorte als iets bovennatuurlijks. Hij wist dat de natuur op vaste, regelmatige manieren werkt; maar hij geloofde ook dat er iets buiten de natuur bestond dat in haar werking kon ingrijpen — als het ware van buitenaf.”
“Maar de moderne wetenschap heeft aangetoond dat zoiets niet bestaat.”
- “Echt waar?” zei ik. “Welke wetenschap?”
“Och, dat is een kwestie van details,” zei mijn vriend. “Ik kan je niet uit het hoofd hoofdstuk en vers geven.”
- “Maar zie je dan niet,” zei ik, “dat de wetenschap zoiets nooit zou kunnen aantonen?”
“Waarom in hemelsnaam niet?”
- “Omdat de wetenschap de natuur bestudeert. En de vraag is nu juist of er behalve de natuur nog iets bestaat, iets ‘erboven’, iets bovennatuurlijks. Hoe zou je dat kunnen ontdekken door alleen de natuur te bestuderen?”
“Maar ontdekken we niet dat de natuur absoluut volgens vaste wetten moet werken? Ik bedoel, de natuurwetten vertellen ons niet alleen hoe dingen gebeuren, maar hoe ze móéten gebeuren. Geen enkele macht zou ze kunnen veranderen.”
- “Wat bedoel je precies?” zei ik.
“Luister,” zei hij. “Zou dat ‘iets erboven’ waar jij het over hebt, twee plus twee vijf kunnen maken?”
- “Nou, nee,” zei ik.
“Goed,” zei hij. “Welnu, ik denk dat de natuurwetten eigenlijk zijn als twee plus twee is vier. Het idee dat ze veranderd zouden kunnen worden is net zo absurd als het idee dat je de wetten van de rekenkunde zou kunnen veranderen.”
- “Even een moment,” zei ik. “Stel dat je vandaag zes euromunten in een lade legt en morgen nog eens zes in dezelfde lade. Maken de wetten van de rekenkunde het dan zeker dat je overmorgen 12 euro zult aantreffen?”
“Natuurlijk,” zei hij, “mits niemand met je lade heeft geknoeid.”
- “Ah, maar dat is nu precies het punt,” zei ik. “De wetten van de rekenkunde kunnen je met absolute zekerheid vertellen wat je zult vinden, op voorwaarde dat er geen ingreep is geweest. Als er een dief bij de lade is geweest, krijg je natuurlijk een ander resultaat. Maar die dief heeft de wetten van de rekenkunde niet overtreden - hij heeft alleen de wetten van ons land overtreden. Zijn de natuurwetten niet ongeveer van hetzelfde soort? Vertellen ze je niet allemaal wat er zal gebeuren, mits er geen ingreep plaatsvindt?”
“Wat bedoel je?”
- “Wel, de wetten vertellen je hoe een biljartbal over een glad oppervlak zal rollen als je hem op een bepaalde manier stoot, maar alleen als niemand ingrijpt. Als iemand, nadat de bal al in beweging is, een keu grijpt en hem een tik geeft, dan krijg je niet wat de wetenschapper had voorspeld.”
“Nee, natuurlijk niet. Daar kan hij geen rekening mee houden.”
- “Precies. En op dezelfde manier: als er iets buiten de natuur bestond en het zou ingrijpen, dan zouden de gebeurtenissen die de wetenschapper verwachtte niet volgen. Dat zouden we een wonder noemen. In zekere zin zou het de natuurwetten niet breken. De wetten vertellen je wat er gebeurt als niets ingrijpt. Ze kunnen je niet vertellen of er iets zal ingrijpen. Het is niet de rekenkundige die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat iemand met de munten in mijn lade knoeit; daarvoor heb je een detective nodig. Het is niet de natuurkundige die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat ik een keu grijp en zijn biljartproef verpest; vraag liever een psycholoog. En het is niet de wetenschapper die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat de natuur van buitenaf wordt verstoord. Daarvoor moet je naar de metafysicus.”
“Dat zijn nogal pietluttige punten,” zei mijn vriend. “Het echte bezwaar gaat veel dieper. Het hele beeld van het universum dat de wetenschap ons heeft gegeven maakt het volstrekt belachelijk te geloven dat de macht achter dit alles geïnteresseerd zou zijn in ons, piepkleine wezens die rondkruipen op een onbelangrijke planeet! Dat is toch duidelijk allemaal verzonnen door mensen die in een platte aarde geloofden, met de sterren maar een kilometer of twee ver weg.”
- “Wanneer geloofden mensen dat?” zei ik.
“Nou ja, al die oude christelijke figuren waar jij het altijd over hebt. Ik bedoel Boëthius en Augustinus en Thomas van Aquino en Dante.”
- “Sorry,” zei ik, “maar dit is een van de weinige onderwerpen waar ik wél iets van weet.” Ik strekte mijn hand uit naar een boekenplank. “Zie je dit boek,” zei ik, “Ptolemaeus’ Almagest. Weet je wat dat is?”
“Ja,” zei hij. “Het is het standaard astronomische handboek dat de hele Middeleeuwen door werd gebruikt.”
- “Lees dat dan eens,” zei ik, terwijl ik naar Boek I, hoofdstuk 5 wees.
“De aarde,” las mijn vriend hardop, enigszins aarzelend terwijl hij het Latijn vertaalde, “de aarde heeft, in verhouding tot de afstand van de vaste sterren, geen merkbare grootte en moet worden behandeld als een wiskundig punt!” Er viel een moment stilte. “Wisten ze dat toen echt al?” zei mijn vriend. “Maar… maar geen van de geschiedenissen van de wetenschap, geen enkele moderne encyclopedie, vermeldt dat ooit.”
- “Precies,” zei ik. “Ik laat jou wel nadenken over de reden. Het lijkt bijna alsof iemand het graag in de doofpot wilde stoppen, nietwaar? Ik vraag me af waarom.”
Er volgde nog een korte stilte.
“Hoe dan ook,” zei ik, “kunnen we het probleem nu nauwkeurig formuleren. Mensen denken meestal dat het probleem is hoe we wat we nu weten over de grootte van het heelal kunnen verenigen met onze traditionele religieuze ideeën. Dat blijkt helemaal niet het probleem te zijn. Het echte probleem is dit: de enorme omvang van het heelal en de onbeduidendheid van de aarde waren eeuwenlang bekend, en niemand droomde ervan dat dit iets te maken had met de religieuze kwestie. Vervolgens worden ze, nog geen honderd jaar geleden, plotseling opgevoerd als een argument tegen het christendom. En de mensen die dat doen, verzwijgen zorgvuldig het feit dat dit alles al lang bekend was. Vind je het niet vreemd dat jullie atheïsten zo weinig wantrouwig zijn?”
C.S. Lewis, Science and Religion (uit: God in the Dock)