De Barbaren zijn niet het probleem.

Hillaire Bellock schreef ooit de befaamde woorden dat hij niet vreesde voor de Barbaren die aan de poorten rammelen”, maar voor het gevaar dat van binnenuit komt. Het is een uitspraak die gemakkelijk verkeerd wordt begrepen. Belloc bedoelde niet dat uiterlijke dreiging ongevaarlijk is, maar dat beschavingen zelden sterven door vijanden van buitenaf. Zij sterven wanneer zij ophouden te geloven in wat ons ooit tot het geloof heeft gebracht.

Ik richt mij nu graag even tot vrijzinnige theologen en gelovigen. Niet om hen te beschuldigen, maar om hen uit te nodigen tot herbezinning. Want als Belloc gelijk had, en als hij vandaag tot ons zou spreken, dan zou hij misschien zeggen: het christendom in Europa wordt niet bedreigd door secularisatie alleen, maar door een theologie die haar eigen kern niet langer vertrouwt.

Kijk bijvoorbeeld naar de situatie in Duitsland. De ‘Barbaren’ zijn niet het probleem. Het probleem komt van binnenuit. De Duitse bisschoppen hebben een document gepubliceerd (Segen gibt der Liebe Kraft) die pastorale richtlijnen biedt voor priesters en pastorale medewerkers voor zegeningen van paren die in samenlevingsverbanden leven die de Kerk “ongeordend” noemt. Zegeningen worden gepresenteerd als een manier om de liefde en hoop van mensen onder Gods zegen te plaatsen.  De Duitse synodale processen hebben al eerder documenten aangenomen die pleiten voor een heroverweging van de leer over homoseksualiteit, ruimte voor genderdiversiteit en inclusie van trans en intersekse personen, en discussies over het celibaat. En dat allemaal onder het mom van pastorale zorg.

Maar het punt is dit: in de katholieke theologie is pastoraal handelen nooit los te maken van waarheid. De Kerk onderscheidt: objectieve morele orde (wat goed of zondig is) en subjectieve schuld (hoe verantwoordelijk iemand persoonlijk is). De Kerk kan mild zijn over schuld, begeleiden in gewetensvorming en mensen stap voor stap begeleiden, maar zij kan niet verklaren dat iets moreel goed is wat zij altijd als intrinsiek ongeordend heeft beschouwd. Wanneer een bisschoppenconferentie relaties zegent die volgens de leer objectief zondig zijn zonder duidelijke oproep tot bekering of levensverandering, dan wordt de morele norm feitelijk herzien, ook al zegt men dat formeel niet. Daarom stelde Rome al in 2021 onder paus Franciscus expliciet: God kan geen zonde zegenen.”

De universele Kerk heeft altijd een cruciaal onderscheid gemaakt tussen de daad en de dader, tussen de persoon (die altijd geliefd is door God) en zijn handelen of levensstaat. Denk aan de befaamde woorden van Augustinus: haat de zonde, houd van de zondaar. Als je zonde goed gaat praten, begeleid je de zondaar verder op weg richting de afgrond. Dat is zo onpastoraal als het maar zijn kan. Als zondige situaties structureel worden gezegend zonder duidelijke taal over bekering, kruis, ascese of morele groei, dan: wordt zonde gebagatelliseerd tot ‘onvolkomenheid’. Dat mag dan pastoraal mooi klinken, maar waar geen zonde meer is, is er ook geen reden meer tot bekering en is het kruisoffer van Jezus overbodig verklaard.  En is elke zegening betekenisloos. En nee, dit is niet pastoraal. Liefde zonder waarheid is liefdeloos.

De grootste uitdagingen van onze tijd - wetenschappelijke vooruitgang, pluralisme, religieuze diversiteit, historische kritiek - zijn geen barbaren. Zij zijn geen vijanden van het geloof. Integendeel: zij zijn vaak voortgekomen uit een christelijke beschaving die waarheid zo serieus nam dat zij haar durfde te onderzoeken. Maar wat gebeurt er wanneer bisschoppen, priesters en theologen zo druk bezig zijn met het verdedigen van het christendom op een zodanige manier zodat de seculiere omgeving geen aanstoot meer neemt aan haar tegendraadse opvattingen? Zijn zij dan niet feitelijk opgehouden het christendom te verdedigen? Wanneer de verrijzenis van Jezus wordt gereduceerd tot het verhaal gaat door” in plaats van de daadwerkelijke opstanding van Jezus uit het graf; wanneer Jezus niet langer Verlosser is, maar vooral moreel voorbeeld; wanneer zonde wordt vervangen door gebrokenheid” zonder schuld, en genade door bevestiging zonder bekering?  Wat resteert is een vaag, beleefd, respectabel quasi-christendom waarin niets meer op het spel staat en dat zich in niets onderscheid van seculiere opvattingen. 

Vrijzinnigheid vertrekt vaak vanuit een nobel motief: hoe kunnen wij het christelijk geloof verstaanbaar maken voor de moderne mens? Maar als dat leidt tot louter bevestiging - wanneer het christendom zich te veel aanpast aan de tijdgeest - verliest het precies datgene wat het relevant maakt. En dus volstrekt overbodig. Je krijgt er trouwens nieuwe dogma’s voor in de plaats: het dogma van autonomie, het dogma van authenticiteit zonder waarheid, en het dogma van inclusiviteit zonder onderscheid. Dat zijn geen minder strenge geloofssystemen met als resultaat een tragische mensbeeld.

Vrijzinnige theologie benadrukt terecht menselijke waardigheid, maar heeft vaak moeite met radicale zonde - niet als moreel falen, maar als existentiële scheefgroei. De grote tragiek is dat wanneer zonde verdwijnt, ook vergeving betekenisloos wordt. En zonder vergeving wordt genade een leeg woord. En zegen eveneens.  Dan blijft er een christendom over dat mensen niet meer redt, maar slechts begeleidt. Naar de afgrond.

De kernvraag is uiteindelijk niet wat betekent Christus voor mij, maar: Wie is Christus, los van mijn interpretatie? Christus geen symbool van universele waarden, maar een historische, concrete, ontregelende aanwezigheid van God zelf. Een theologie die Christus veilig” maakt voor de moderne mens, maakt Hem onherkenbaar voor het evangelie.

De vraag is niet of wij kritisch denken, maar waar onze kritiek stopt. Misschien is de ware uitdaging voor vrijzinnige theologie vandaag deze: 1. Durven wij opnieuw te geloven dat het christendom waar is, niet alleen waardevol? 2. Durven wij te aanvaarden dat het evangelie ons oordeelt, voordat het ons bevrijdt? 3. Durven wij opnieuw te spreken over bekering, offer, verlossing - zonder ons te verontschuldigen? Niet omdat de barbaren aan de poort staan, maar omdat de Kerk leeg dreigt te raken.

Bellock vreesde niet de barbaren aan de poort, maar de beschaving die haar eigen ziel vergeten is. Hij vreesde niet de rede, maar de rede zonder geloof. Hij vreesde niet de moderniteit, maar de mens die vergeten is dat hij vergeving nodig heeft. Het enige dat we te vrezen hebben is van een theologie die niet langer durft te geloven wat zij ooit verkondigde?

+Rob Mutsaerts