Men zou haast medelijden krijgen met de Anglicaanse Kerk, ware het niet dat zij daar zelf al eeuwen geen enkele behoefte aan lijkt te hebben. De oprichter - Hendrik VIII - confisceerde alle katholieke kerken, kloosters, gebouwen en werd op slag een vastgoedtycoon waar Trump en prins Bernard jaloers zijn. Katholieken hadden de keuze: de paus van Rome afzweren en Hendrik als hoofd van de Kerk erkennen, of onthoofd worden. Aangezien dit laatste geen prettig vooruitzicht was, koos men maar voor het eerste. Koning Charles is zijn opvolger en dus huidig hoofd van de Anglicaanse Kerk. Zijn zoon William - en dus beoogd troonopvolger - heeft onlangs meegedeeld dat hij agnost is. Een agnost als potentieel hoofd van de kerk. Tja.
Nu heeft men
dus een vrouw tot geestelijk hoofd verkozen - of benoemd, of gezalfd, of hoe
men dat toneelstukje ook precies noemt. Mevrouw Mullally mag zich nu
aartsbisschoppin van Canterbury noemen. Dat ze slechts een avondopleiding
theologie heeft gevolgd was daarvoor geen enkele belemmering. Een prachtigen
parodie, Monty Python en Jiskefet in optima forma, ware het niet dat het
allemaal serieus bedoeld is.
Laat ik het
eenvoudig houden: de Anglicaanse Kerk is geen mysterie, maar een compromis. En
compromissen hebben de eigenschap dat zij nooit ergens echt in geloven, maar
alles een beetje willen behouden. Dat maakt hen niet tolerant, maar
gemakzuchtig. Dat deze kerk ooit werd opgericht door een vorst die zijn
echtelijke problemen oploste met een bijl zou een pikant detail kunnen zijn,
als het niet zo beschamend typerend was. De Anglicaanse Kerk is geen geloof dat
ontstond uit een openbaring, maar uit een driftbui. Geen Sinai, maar een
scheidingsadvocaat. Geen profeet, maar een monarch met huwelijksperikelen.
En zie: eeuwen
later is men nog steeds bezig met het herschrijven van de spelregels, alsof men
bang is dat iemand ooit zal ontdekken dat er nooit een spel is geweest. De
benoeming van een vrouw tot hoofd van deze kerk wordt nu voorgesteld als een
mijlpaal. Dat woord alleen al - mijlpaal - heeft de muffe geur van beleidsnota’s
en feestelijke toespraken waarin niemand meent wat hij zegt. Alsof het probleem
van de kerk ooit gelegen heeft in het geslacht van haar leiders, en niet in de
inhoud van haar overtuigingen. Men verwart verandering met betekenis. Men denkt
dat wie de stoelen herschikt, ook het toneelstuk vernieuwt. Maar een slechte
tekst blijft slecht, al wordt het voorgedragen door een engel.
Wat mij vooral
treft, is de ernst waarmee men dit alles bespreekt. Alsof hier werkelijk iets
op het spel staat. Alsof de wereld wacht op de vraag of een vrouw een kerk kan
leiden die ooit werd opgericht om een man van zijn vrouw te laten scheiden. Het
is een discussie die tegelijk opgeblazen en leeg is; een ballon zonder lucht,
maar met veel slingers eraan. De Anglicaanse Kerk is een toneelgezelschap dat
zijn repertoire voortdurend aanpast, maar nooit repeteert. Men verandert de
kostuums, herschrijft de rollen, introduceert nieuwe spelers, maar het publiek
loopt weg, omdat niemand nog weet waar het stuk over gaat.
En toch, er
schuilt iets bewonderenswaardigs in deze hardnekkige leegte. De Anglicaanse
Kerk blijft bestaan, niet ondanks haar vaagheid, maar dankzij haar vaagheid.
Zij is alles en niets tegelijk, en daardoor ongrijpbaar. Zij kan zich aanpassen
aan elke tijd, omdat zij nooit geheel aan een tijd heeft toebehoord. De vraag
is dus niet of een vrouw haar kan leiden. De vraag is of er nog iets te leiden
valt. Maar alleen een kniesoor die opmerkt dat de zaak failliet is.
Misschien is
dat de ware tragedie - of komedie, afhankelijk van uw humeur. Niet dat de kerk
verandert, maar dat zij verandert zonder overtuiging. Zonder noodzaak. En
uiteindelijk is dat het meest onkerkelijke wat men zich kan voorstellen: een
geloof dat nergens voor hoeft te sterven, en dus ook nergens voor leeft.