Heilige Vader,
Met eerbied
voor het ambt dat u als opvolger van de heilige Petrus is toevertrouwd, en in
verbondenheid met de Kerk die Christus op de apostelen heeft gebouwd, richt ik
mij tot u met deze open brief. Ik doe dat niet lichtvaardig. Wat mij ertoe
brengt deze woorden openbaar uit te spreken, is een zorg die uiteindelijk
iedere andere kerkelijke overweging overstijgt: het heil van de zielen. Salus
animarum suprema lex — het
heil van de zielen is de hoogste wet. Mijn vraag is een eenvoudige en ernstige: helpt het
synodale proces de zielen daadwerkelijk dichter bij Christus en bij het eeuwige
heil te brengen? Dat is voor mij de beslissende vraag.
Heilige Vader,
ik besef ten volle dat het Petrusambt een verantwoordelijkheid draagt waarvan
iemand die buiten dat ambt staat slechts een vermoeden kan hebben. Juist daarom
schrijf ik deze woorden niet vanuit gebrek aan eerbied voor het pauselijk ambt,
maar vanuit liefde voor datzelfde ambt. Petrus heeft van Christus immers niet
alleen de opdracht ontvangen de broeders te verenigen, maar ook hen in het
geloof te versterken: “En
gij, wanneer gij eenmaal tot inkeer zijt gekomen, versterk dan uw broeders.” De
wereld heeft uiteindelijk weinig aan een Kerk die slechts herhaalt wat de
wereld zelf reeds denkt. Zij heeft behoefte aan een Kerk die haar, met liefde
maar zonder vrees, wijst op Christus.
Mijn
bezorgdheid over de Synode over Synodaliteit moet in dat licht worden gelezen.
En bovenal vraag ik mij af wat dit alles betekent voor de eenvoudige gelovige
die van zijn Kerk geen permanent proces verwacht, maar duidelijkheid over de
weg naar God.
Deze brief is
daarom geen aanklacht tegen personen. Evenmin wil ik de goede bedoelingen
ontkennen van de velen die zich oprecht voor het synodale proces hebben
ingezet. Goede bedoelingen verdienen erkenning. Maar goede bedoelingen ontslaan
ons niet van de plicht de vruchten te onderzoeken. Christus zelf heeft ons
daarvoor een eenvoudig criterium gegeven: “Aan
hun vruchten zult gij hen kennen.” Daarom meen ik dat na jaren van synodale
consultaties, bijeenkomsten, rapporten en documenten de tijd gekomen is om in
alle openheid naar die vruchten te vragen. Niet vanuit cynisme, maar vanuit
liefde voor de Kerk. Niet vanuit nostalgie naar een geïdealiseerd verleden,
maar vanuit zorg voor haar toekomst. En niet om een kerkpolitieke strijd te
voeren, maar omdat achter alle discussies een werkelijkheid ligt die oneindig
belangrijker is: het eeuwige heil van de zielen die Christus aan zijn Kerk
heeft toevertrouwd. Vanuit die zorg, Heilige Vader, leg ik u de volgende
beschouwing voor.
De Synode over synodaliteit
Wie de Synode
over Synodaliteit uitsluitend beoordeelt aan de hand van haar eigen
doelstellingen, kan zonder moeite een positief verhaal schrijven. Er is
geluisterd. Er is gesproken. Er zijn duizenden mensen geraadpleegd.
Bisschoppen, priesters, religieuzen en leken kwamen bijeen. Er werd gesproken
over gemeenschap, participatie en missie. Er ontstond zelfs een nieuwe
kerkelijke woordenschat: synodaliteit, luisteren, onderscheiding,
participatie, conversation
in the Spirit, processen op gang brengen.
Maar men kan
dezelfde geschiedenis ook vanuit een geheel ander perspectief bekijken. Laat ik
maar de ongemakkelijke vraag stellen: Wat heeft dit alles eigenlijk
opgeleverd? Niet: hoeveel bijeenkomsten zijn er georganiseerd? Niet:
hoeveel rapporten zijn er geschreven? Niet: hoeveel mensen hebben deelgenomen?
Maar: is het geloof sterker geworden? Is Christus duidelijker verkondigd? Is de
katholieke identiteit verdiept? Zijn meer mensen tot bekering gekomen? Is de
zondagsmis beter bezocht? Zijn er meer priesterroepingen? Is de catechese
krachtiger geworden? Is er grotere eerbied voor de Eucharistie ontstaan? Is de
morele leer van de Kerk duidelijker geworden? Is de missionaire moed
toegenomen?
Wanneer men
dergelijke vragen stelt, kan men onmogelijk de Synode als een succes
beschouwen. Daar komt inmiddels nog iets bij. De synodale onderneming is niet
werkelijk afgesloten. De officiële implementatiefase loopt door en moet via
diocesane, nationale en continentale bijeenkomsten uiteindelijk uitkomen bij
een kerkelijke assemblee in Rome in oktober 2028. In mei 2026 heeft het
Vaticaan daarvoor opnieuw een uitgebreid traject gepubliceerd. Dat maakt de
kritiek des te relevanter. Wat ooit begon als een synode van 2021–2024 dreigt
een permanente bestuursvorm te worden.
Een
synode over een synode
Het eerste
merkwaardige aspect zit al in de naam: Synode over Synodaliteit. Traditioneel
werd een synode bijeengeroepen omdat de Kerk ergens over moest spreken. Over
evangelisatie, huwelijk en gezin, priesterschap, Eucharistie, de Schrift, een
ketterij, een pastorale crisis of een concreet probleem. Bij de synode over
synodaliteit wordt het proces zelf tot onderwerp gemaakt. Men zou het kunnen
vergelijken met een vergadering die eindeloos bijeenkomt om te bespreken hoe
men voortaan moet vergaderen.
De Kerk kent
sinds de oudheid concilies en synodes. De apostelen kwamen in Jeruzalem bijeen.
Bisschoppen beraadslaagden met elkaar. Pausen raadpleegden bisschoppen. De
grote oecumenische concilies zijn ondenkbaar zonder gezamenlijk kerkelijk
overleg. Maar dat is iets anders dan synodaliteit als permanent kerkelijk
paradigma. De klassieke synode was een middel. In het hedendaagse synodale
discours dreigt synodaliteit zelf een doel te worden. En precies daar begint
vanuit traditioneel katholiek perspectief het probleem.
De
Kerk is geen gesprek maar een ontvangen werkelijkheid
De Kerk begint
namelijk niet met onze dialoog. Zij begint met Christus. Dat klinkt
vanzelfsprekend, maar het heeft verstrekkende gevolgen. Christus heeft geen
discussiegroep opgericht. Hij riep apostelen. Hij gaf hun gezag. Hij zond hen
uit om te verkondigen, te dopen en te onderwijzen: “Gaat
dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen.” De richting is daarbij
fundamenteel. Het geloof ontstaat niet doordat de Kerk eerst inventariseert wat
mensen geloven en vervolgens uit al die ervaringen een gemeenschappelijke
overtuiging destilleert. Het geloof wordt ontvangen.
Paulus
gebruikt daarvoor voortdurend woorden als ontvangen, overleveren,
bewaren.
De Kerk bezit de Openbaring niet omdat zij haar heeft bedacht, maar omdat zij
haar heeft ontvangen. Dat betekent dat het christendom in wezen niet
democratisch kan zijn. Niet omdat democratie als staatsvorm slecht zou zijn,
maar omdat waarheid niet bij meerderheid van stemmen ontstaat. Als morgen 90
procent van de katholieken niet meer in de werkelijke tegenwoordigheid van
Christus in de Eucharistie zou geloven, zou Christus daarom niet minder
werkelijk tegenwoordig zijn. Als 80 procent een bepaalde morele leer afwijst,
wordt die leer daardoor niet automatisch onwaar. Waarheid wordt niet
geproduceerd door consensus. Dat vormt het eerste grote spanningsveld rond het
synodale project.
Luisteren:
naar wie?
Een
sleutelwoord tijdens het gehele proces was luisteren (alsof we dat nooit
gedaan hebben). Op zichzelf is daar niets tegen in te brengen. Een bisschop
moet luisteren. Een priester moet luisteren. Christenen moeten naar elkaar
luisteren. Een herder die nooit luistert naar zijn kudde is geen goede herder.
Maar onmiddellijk volgt de vraag: Naar wie moet de Kerk vooral luisteren? Het
traditionele antwoord luidt: naar Christus, naar de Schrift, naar de
apostolische Traditie, naar de heiligen, naar het getuigenis van twintig eeuwen
christendom, naar het leergezag. En uiteraard óók naar de gelovigen.
In bepaalde
synodale teksten lijkt de volgorde echter gemakkelijk te worden omgekeerd. Men
begint bij ervaringen, verlangens, frustraties en verwachtingen van hedendaagse
mensen en vraagt vervolgens hoe de Kerk daarop moet reageren. Dat lijkt
pastoraal aantrekkelijk, maar bevat een gevaar. Want wat gebeurt er wanneer de
verlangens van de moderne mens botsen met het Evangelie? Dan moet niet het
Evangelie veranderen; dan moet de mens veranderen. Dat heet in het christendom
bekering. En juist dat woord klinkt opmerkelijk weinig in veel moderne
kerkelijke discussies.
De
grote afwezige: bekering
Hier ligt de
diepste zwakte van het hele project. De Kerk bestaat niet primair om mensen te
bevestigen in wat zij reeds zijn. Zij bestaat om hen tot Christus te brengen.
De eerste woorden van Jezus’ openbare prediking zijn niet: “Vertel Mij eerst hoe u zich bij de
huidige kerkelijke structuren voelt.” Maar: “Bekeert
u en gelooft in de Blijde Boodschap.” Dat is aanzienlijk minder bureaucratisch.
En aanzienlijk radicaler.
De Kerk van de
martelaren heeft de Romeinse wereld niet veranderd door luisterbijeenkomsten te
organiseren over de vraag hoe Romeinen de christelijke gemeenschap inclusiever
zouden kunnen ervaren. Zij verkondigde Christus. Petrus verkondigde Christus.
Paulus verkondigde Christus. Franciscus verkondigde Christus. Dominicus
verkondigde Christus. Franciscus Xaverius verkondigde Christus. Johannes Maria
Vianney verkondigde Christus. Moeder Teresa verkondigde Christus. Johannes
Paulus II verkondigde Christus. Zij luisterden ongetwijfeld naar mensen. Maar
luisteren was nooit het eindpunt. Het eindpunt was bekering tot Christus.
De
olifant in de synodale vergaderzaal
Er is
bovendien een merkwaardige discrepantie tussen de problemen waarover in het
synodale proces uitvoerig gesproken wordt en de feitelijke crisis waarin vooral
de westerse Kerk verkeert. De fundamentele problemen van de Kerk in Nederland,
België, met name Duitsland, maar ook van grote delen van West-Europa zijn niet
moeilijk te herkennen. Kerken lopen leeg. Parochies worden samengevoegd.
Kloosters verdwijnen. Religieuze orden vergrijzen. Kennis van het katholieke
geloof neemt af. De biecht is voor veel katholieken vrijwel verdwenen. Het
aantal priesterroepingen blijft op veel plaatsen gering. Veel gedoopten geloven
nauwelijks nog in wezenlijke geloofswaarheden. Onder grote groepen katholieken
is het sacramentele leven ernstig verzwakt. Tegen die achtergrond zou men
verwachten dat een wereldwijde kerkelijke operatie vooral één vraag stelde: Hoe kunnen wij de
wereld opnieuw voor Christus winnen?
Maar veel
aandacht gaat uit naar structuren, participatie, besluitvormingsprocessen,
verantwoordelijkheid voor vrouwen, inclusiviteit, gezagsverhoudingen en de
manier waarop kerkelijke organen functioneren. Dat kunnen legitieme onderwerpen
zijn. Maar een brandend huis heeft andere prioriteiten dan zaken van
huishoudelijke aard.
Een
kerkelijke Parkinsonwet
Instellingen
die hun oorspronkelijke doel uit het oog verliezen, gaan vaak steeds
intensiever over hun eigen organisatie praten. Bedrijven spreken dan eindeloos
over processen. Universiteiten over governance. Overheden over
participatiemodellen. En kerkelijke organisaties over structuren. Hoe minder
evangelisatie, des te meer commissies over evangelisatie. Hoe minder roepingen,
des te meer documenten over roepingen. Hoe minder mensen naar de kerk komen,
des te langer de vergaderingen over kerk-zijn worden. Dat klinkt cynisch, maar
er zit een ernstige gedachte achter: bureaucratie kan de illusie van activiteit
wekken terwijl de realiteit het
tegendeel laat zien. Men koerst zonder kompas.
De
verwachtingen die niet waargemaakt kunnen worden
Het synodale
proces heeft verwachtingen gewekt. Dat gebeurde vooral doordat tijdens de
verschillende consultatiefasen thema’s werden toegelaten die raken aan
zaken waarover de Kerk reeds duidelijke leer bezit. Het vrouwelijk diaconaat.
Het priesterschap. Seksuele moraal. Homoseksuele relaties. De verhouding tussen
leken en clerus. Kerkelijk gezag. Decentralisatie. De positie van vrouwen.
Wanneer zulke onderwerpen jarenlang worden “besproken”,
ontstaat vanzelf de indruk dat zij uiteindelijk ook veranderd kunnen worden.
Anders zou men er immers niet eindeloos over spreken.
Daar ontstaat
een pastorale paradox. Mensen wordt gevraagd hun verwachtingen uit te spreken.
Vervolgens blijken sommige verwachtingen onmogelijk te vervullen zonder de
continuïteit met de katholieke leer in gevaar te brengen. Wat gebeurt er dan? Teleurstelling alom. De Kerk heeft dan zelf
verwachtingen gewekt die zij uiteindelijk niet kan honoreren. Dat is geen
pastorale winst. Het is een recept voor frustratie.
De
protestantisering van het katholieke kerkbegrip
Vanuit
traditionalistisch perspectief is hier bovendien een historische ironie
zichtbaar. Een aantal elementen van de moderne synodale cultuur vertoont juist
overeenkomsten met ontwikkelingen die men in protestantse kerken al
decennialang kan waarnemen. Meer nadruk op participatie. Meer bestuurlijke
inspraak. Meer overlegstructuren. Meer gewicht voor plaatselijke
gemeenschappen. Meer nadruk op individuele ervaring. Meer discussie over
veranderende maatschappelijke opvattingen. Minder vanzelfsprekendheid van hiërarchisch gezag. Dat hoeft op zichzelf niet allemaal
verkeerd te zijn. Maar de historische vraag is onvermijdelijk: Heeft dit model
in de protestantse wereld geleid tot een spectaculaire christelijke herleving?
In grote delen van West-Europa luidt het antwoord duidelijk: nee. Waarom zou de
katholieke Kerk dan precies de bestuurlijke en pastorale patronen overnemen van
kerkgenootschappen die dezelfde secularisatie vaak nog eerder en sterker hebben
ondergaan? Een patiënt geneest zelden door het medicijn over te nemen van de
patiënt in het bed naast hem die er nog slechter aan toe is.
Het
vergeten alternatief: steven naar heiligheid
De grote
katholieke hervormingen zijn bijna nooit begonnen met structuren. Ze begonnen
met heiligen. Na perioden van corruptie kwamen hervormers. Benedictus, Bernardus,
Franciscus,
Dominicus, Catharina van Siena, Ignatius van Loyola, Teresa van Ávila, Carolus Borromeus, Franciscus van Sales, Johannes Bosco,
Thérèse van Lisieux,
Maximiliaan Kolbe, Johannes Paulus II. Hun programma was verrassend eenvoudig:
word heilig.
Want een
heilige heeft een missionaire kracht die geen beleidsdocument kan evenaren. Een
parochie met een heilige pastoor heeft meer toekomst dan een bisdom met twintig
werkgroepen over synodaliteit en duur betaalde managers. Een klooster met tien
vurige religieuzen evangeliseert meer dan honderd pagina’s kerkelijk jargon. Een priester die
zichtbaar gelooft dat hij bij het altaar voor God staat, kan meer mensen tot
geloof brengen dan een conferentie over participatieve liturgie.
Hier ligt
misschien het alternatief dat de Synode onvoldoende heeft benadrukt: niet
minder luisteren, maar meer heiligheid. Niet minder participatie, maar meer
bekering. Niet minder dialoog, maar meer verkondiging.
De
liturgie als lakmoesproef
Vanuit
traditioneel perspectief is het bovendien opvallend dat de crisis van de
liturgie relatief weinig centraal stond. Want als men werkelijk wil weten hoe
het met een Kerk gesteld is, moet men kijken naar haar eredienst. Lex orandi, lex credendi.
Hoe men bidt, daarin uit zich het geloof.
Wanneer
katholieken nauwelijks meer begrijpen dat de Mis het offer van Christus
sacramenteel tegenwoordig stelt, wanneer het besef van het heilige verzwakt,
wanneer stilte verdwijnt, wanneer biechtstoelen leegstaan en eucharistische
aanbidding marginaal wordt, dan heeft de Kerk geen bestuursprobleem. Dan
heeft zij een geloofsprobleem. Een nieuwe participatiestructuur kan dat
niet oplossen. Een nieuwe vergadering evenmin. Een herontdekking van God
misschien wel.
De
paradox van participatie
Het synodale
project benadrukt participatie. Maar hier verschijnt een merkwaardige paradox.
De mensen die intensief deelnemen aan kerkelijke consultatieprocessen zijn niet
noodzakelijk representatief voor de gehele Kerk. De stille katholiek die iedere
ochtend de Mis bezoekt, de rozenkrans bidt en zijn kleinkinderen catechese
geeft, schrijft doorgaans geen synodaal rapport. De jonge katholiek die drie
uur reist om een traditionele liturgie bij te wonen, zit doorgaans niet in de
diocesane werkgroep. De moeder van zes kinderen die haar gezin katholiek
probeert op te voeden, heeft wellicht weinig tijd voor luisterbijeenkomsten.
Een contemplatieve zuster vult geen enquête in. Maar hun geloof kan dieper
geworteld zijn dan dat van professionele kerkelijke vergaderaars. Wie alleen
luistert naar degenen die naar de microfoon komen, kan gemakkelijk vergeten dat
het Volk Gods groter is dan de kring rond de vergadertafel.
Synodaliteit
of collegialiteit?
Misschien zou
een deel van de verwarring verdwijnen wanneer men opnieuw preciezer sprak. De
katholieke traditie kent een helder begrip: collegialiteit. De bisschoppen
vormen samen met en onder Petrus het bisschoppencollege. Daarnaast bestaan
priesterraden, pastorale raden, synodes, kapittels, religieuze gemeenschappen
en talloze andere vormen van beraad. Waarom was daarvoor een nieuwe
allesomvattende categorie nodig: synodaliteit?
Juist omdat
het begrip zo ruim is - er is geen definitie van te bedenken - kan iedereen er iets anders onder verstaan.
Voor de een betekent het luisteren. Voor de ander decentralisatie. Voor een
derde democratisering. Voor een vierde pastorale vernieuwing. Voor een vijfde
hervorming van het ambt. Voor een zesde een andere seksuele moraal. Een begrip
dat alles kan betekenen, betekent uiteindelijk niets. Daarom is de vraag naar
proportionaliteit gerechtvaardigd. Hoeveel energie moet hierin nog worden
gestoken? Hoeveel vergaderingen? Hoeveel synodale teams? Hoeveel rapporten? Hoeveel
evaluaties van evaluaties?
En vooral: wat
zou er gebeuren wanneer dezelfde hoeveelheid tijd, geld, intellectuele energie
en bisschoppelijke aandacht zou worden geïnvesteerd in catechese, seminaries,
katholiek onderwijs, liturgie, biecht, eucharistische aanbidding,
huwelijkspastoraal en directe evangelisatie? Dat is een retorische vraag, dunkt
mij.
Het
diepste probleem: ecclesiologie
Uiteindelijk
gaat de discussie daarom niet werkelijk over vergaderen. Zij gaat over de
vraag: Wat is de Kerk? Is zij primair een gemeenschap die gezamenlijk zoekt wat
zij moet worden? Of is zij primair een goddelijke werkelijkheid die heeft
ontvangen wat zij moet zijn? Het katholieke antwoord kan slechts het tweede
zijn. De Kerk moet zich voortdurend bekeren, maar zij is gebouwd op de
apostelen. Zij bewaart een geloof dat zij niet zelf heeft uitgevonden. Daarom
moet iedere synodaliteit uiteindelijk begrensd worden door iets dat niet
synodaal ter discussie staat: de waarheid die Christus heeft geopenbaard.
De
wereld wacht niet op een synodale Kerk
En hier ligt
wellicht de grootste tragiek. De moderne wereld verkeert in een buitengewone
geestelijke crisis. Mensen zoeken betekenis. Jongeren zoeken identiteit.
Eenzaamheid neemt toe. Gezinnen vallen uiteen. Technologie dringt steeds dieper
het menselijk bestaan binnen. Pornografie vervormt seksualiteit. Materialisme
bevredigt niet. Klimaatverandering wordt voor velen een surrogaatgodsdienst. Mensen
zijn bang voor de dood maar weten nauwelijks nog waarvoor zij leven. En midden
in die wereld bezit de Kerk iets buitengewoons. Zij bezit het Evangelie. De
sacramenten. De
Eucharistie. De biecht. Tweeduizend jaar wijsheid. De Schrift. De kerkvaders. Thomas van Aquino. Augustinus. De mystici. De heiligen. Een ongeëvenaarde
traditie van kunst, muziek, filosofie, moraal en spiritualiteit. En bovenal: Jezus
Christus.
De wereld
wacht niet op nóg een organisatie die naar haar luistert. Daarvan zijn er
genoeg. De wereld wacht op iemand die haar vertelt waarvoor zij geschapen is.
Van
Emmaüs naar Jeruzalem
Misschien
biedt het evangelie van de Emmaüsgangers uiteindelijk het beste model voor
authentieke katholieke synodaliteit. Christus loopt met de leerlingen mee. Hij
luistert inderdaad. Hij vraagt wat hen bezighoudt. Hij laat hen spreken. Hun
teleurstelling krijgt ruimte. Tot zover zou iedere synodale handleiding
enthousiast kunnen instemmen. Maar dan gebeurt het beslissende. Christus
bevestigt hun interpretatie niet. Hij corrigeert haar. Hij opent voor hen de
Schriften. Hij leert hun hoe zij de gebeurtenissen moeten verstaan. En
uiteindelijk herkennen zij Hem bij het breken van het brood. Dat is katholieke
synodaliteit in haar zuiverste vorm. En daarna blijven de leerlingen niet
eindeloos in Emmaüs bijeen om hun wandelervaring te evalueren. Ze staan op. Ze
keren terug naar Jeruzalem. Ze gaan verkondigen. Het synodale proces is in
Emmaus blijven hangen en de vraag is of ze daar nog weg geraken. We zijn zo
druk bezig te bespreken hoe de Kerk samen op weg moet zijn, dat we soms
vergeten waarheen zij onderweg is.
De katholieke
Kerk heeft uiteindelijk geen behoefte aan een permanente synode over zichzelf.
Zij heeft behoefte aan heiligen. Aan bisschoppen die onderwijzen. Aan priesters
die bidden. Aan religieuzen die radicaal voor God leven. Aan ouders die het
geloof doorgeven. Aan jongeren die ontdekken dat waarheid meer is dan een
mening. Aan liturgie waarin God werkelijk centraal staat. Aan biechtstoelen
waarin zondaars vergeving vinden. Aan seminaries waarin mannen gevormd worden
die bereid zijn hun leven aan Christus te geven. Aan katholieken die niet
voortdurend vragen hoe de Kerk zich aan de wereld moet aanpassen, maar die de
moed hebben de wereld uit te nodigen zich door Christus te laten veranderen.
Want
uiteindelijk heeft Christus zijn Kerk niet de wereld ingestuurd met de woorden:
Ga heen en organiseert overal synodale processen. Hij zei: “Gaat uit over de hele wereld en
verkondigt het Evangelie aan heel de schepping.” Daarmee
begon de Kerk. En telkens wanneer zij werkelijk vernieuwd werd, begon zij daar
opnieuw.
Heilige
Vader,
Sta mij toe
deze brief te besluiten met dezelfde gedachte waarmee ik hem begon: het heil
van de zielen. Ik hoop en bid dat onder uw pontificaat opnieuw met grote
helderheid zichtbaar mag worden dat de Kerk niet geroepen is zichzelf eindeloos
te bespreken, maar Christus te verkondigen; niet de tijdgeest te weerspiegelen,
maar de wereld naar het eeuwige leven te leiden.
Juist van de
opvolger van Petrus mogen de gelovigen verwachten dat hij, te midden van de
verwarring van onze tijd, de broeders in het geloof versterkt. Dat hij ons
eraan herinnert dat de waarheid die de Kerk verkondigt geen bezit is waarover
wij naar believen kunnen beschikken, maar een kostbare schat die wij hebben
ontvangen en ongeschonden moeten doorgeven. Dat hij moed geeft aan priesters
die trouw hun roeping vervullen, aan religieuzen die hun leven aan God hebben
toegewijd, aan ouders die tegen de stroom in hun kinderen katholiek proberen op
te voeden, en aan jonge mensen die juist in een tijd van relativisme verlangen
naar waarheid, heiligheid, schoonheid en het radicale avontuur van een leven
met Christus.
Mijn bede aan
u is daarom eenvoudig: geef ons duidelijkheid. Wanneer de wereld onzeker
spreekt, laat Petrus helder spreken. Wanneer de Kerk vermoeid raakt door
interne discussies, wijs ons opnieuw naar Christus. Wanneer wij ons verliezen
in processen en structuren, herinner ons dan aan onze opdracht. Wanneer wij
bang worden het Evangelie in zijn volheid te verkondigen omdat het de moderne
mens zou kunnen ergeren, herinner ons dan aan de woorden van Petrus zelf: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw
woorden zijn woorden van eeuwig leven.”
Heilige Vader,
ik schrijf dit alles in oprechte eerbied voor uw ambt en met liefde voor de
Kerk. Mijn kritiek op het synodale proces komt niet voort uit het verlangen
verdeeldheid te zaaien, maar uit de vrees dat wij kostbare tijd verliezen
terwijl zoveel mensen Christus niet meer kennen. De oogst is groot. De
arbeiders zijn weinig. De kerken van het Westen lopen leeg, terwijl tegelijk
nieuwe generaties opnieuw naar waarheid en transcendentie lijken te zoeken.
Juist nu hebben wij geen aarzelende Kerk nodig, maar een missionaire Kerk die
weet wat haar schat is en die niet bevreesd is die schat aan de wereld te
tonen.
Daarom bid ik
dat uw pontificaat gekenmerkt mag worden door een hernieuwde concentratie op
wat uiteindelijk het hart van iedere ware kerkelijke hervorming vormt:
Christus, bekering, heiligheid, Eucharistie, evangelisatie en het heil van de
zielen. Want wanneer eenmaal alle synodes zijn afgelopen, alle documenten zijn
geschreven, alle commissies zijn opgeheven en onze eigen namen zijn vergeten,
blijft slechts de vraag die er werkelijk toe doet: hebben wij de mensen die aan
onze zorg waren toevertrouwd dichter bij Jezus Christus gebracht?
Moge de
heilige Petrus voor u ten beste spreken. Moge Onze-Lieve-Vrouw, Mater Ecclesiae, u onder haar bescherming bewaren. En
moge de Heer u de wijsheid, moed en vaderlijke vastberadenheid schenken om zijn
Kerk te leiden in waarheid en liefde.
Met gevoelens
van oprechte eerbied, in gebed verbonden,
in Christo,
+Rob Mutsaerts
Aux. bisschop
Bisdom van ‘s-Hertogenbosch