Maria met ziel èn lichaam in de hemel opgenomen? Waar staat dat in de Bijbel?

Een vriend uit protestantse kring vindt het niet gepast dat katholieken feestdagen hebben die helemaal niet op de bijbel terug te voeren zijn. Zo is hij van mening dat katholieken vieren dat Maria met ziel en lichaam in de hemel is opgenomen niet als waarheid aangenomen kan worden. Want “dat staat nergens in de Schrift. Alles wat daarbij komt - wat jullie ‘Traditie’ noemen - is door jullie verzonnen”.

Vanuit katholiek standpunt zit het probleem dieper dan alleen de vraag: Waar staat de Tenhemelopneming van Maria letterlijk in de Bijbel?” Het gaat uiteindelijk om een fundamenteler verschil tussen katholieken en protestanten: waar heeft Christus de geopenbaarde waarheid aan toevertrouwd? Aan een boek alleen, of aan de Kerk, die zowel Schrift als Traditie bewaart en uitlegt? De Bijbel zelf is uit de Traditie is voortgekomen. Dit gegeven op zich is al een argument tegen sola scriptura.

Een eerste moeilijkheid is enigszins paradoxaal: het beginsel dat alleen de Schrift de onfeilbare regel van het christelijk geloof zou zijn, staat zelf nergens als zodanig in de Bijbel. Integendeel. Paulus schrijft: Blijf dus standvastig, broeders, en houdt u aan de overleveringen waarin gij door ons onderwezen zijt, hetzij mondeling, hetzij per brief.” (2 Tessalonicenzen 2,15). Dat is opvallend. Paulus maakt niet de tegenstelling: Schrift = betrouwbaar; mondelinge overlevering = verdacht. Hij zegt juist dat de christenen moeten vasthouden aan wat apostolisch is overgeleverd, zowel mondeling als schriftelijk.

Ook in 1 Korintiërs 11,2 prijst Paulus de gelovigen omdat zij vasthouden aan de overleveringen” die hij hun heeft doorgegeven. En in 2 Timoteüs 2,2 zegt hij tegen Timoteüs dat hetgeen hij van Paulus gehoord heeft weer moet worden toevertrouwd aan betrouwbare mensen, die op hun beurt anderen kunnen onderrichten. We zien hier precies wat de katholieke Kerk bedoelt met apostolische Traditie: het geloof wordt niet alleen geschreven, maar ook verkondigd, gevierd, geleefd en van generatie op generatie doorgegeven.

Een tweede belangrijk punt is dit: het Nieuwe Testament bestond aanvankelijk helemaal niet. Dit historische gegeven maakt sola scriptura bijzonder problematisch. Op Pinksteren ontstond de Kerk. Maar er lag op Pinksteren geen Nieuwe Testament op tafel. De apostelen gingen de wereld in met: hun prediking, hun getuigenis over Christus, de doop, de Eucharistie, gebeden, liturgische gebruiken, moreel onderricht en kerkelijk gezag. Pas later ontstonden de geschriften die wij nu het Nieuwe Testament noemen. De Kerk bestond dus vóór het Nieuwe Testament.

Sterker nog: gedurende de eerste generaties christendom konden christenen eenvoudigweg niet volgens het protestantse principe sola scriptura leven, omdat de canon van het Nieuwe Testament nog niet vaststond.

Het grootste probleem: waar komt de canon vandaan? Hier wordt het argument nog scherper. Wanneer een protestant zegt: Ik geloof alleen wat in de Bijbel staat,” kan de katholiek antwoorden: Maar hoe weet jij welke boeken bij de Bijbel horen?” In de Bijbel staat nergens een geïnspireerde inhoudsopgave. Geen enkel Bijbelboek zegt: Dit zijn precies de 27 geïnspireerde boeken van het Nieuwe Testament.” Dat moest de Kerk onderscheiden.

In de eerste eeuwen waren er bovendien discussies over bepaalde boeken. Hebreeën, Jakobus, 2 Petrus, Judas en Openbaring werden bijvoorbeeld niet overal onmiddellijk aanvaard. Tegelijkertijd circuleerden allerlei andere christelijke geschriften. De vraag was dus: Welke geschriften behoren werkelijk tot het apostolische geloof? De Kerk heeft de canon niet willekeurig uitgevonden”; zij heeft onder leiding van de Heilige Geest herkend en vastgesteld welke boeken zij als apostolisch en geïnspireerd had ontvangen. Daar ontstaat voor strikt sola scriptura een logisch probleem: Om te weten welke boeken/brieven alleen gezaghebbend zijn, heeft men eerst een buitenbijbels gezag nodig dat zegt welke boeken tot die Schrift behoren. Sola Scriptura kan de Scriptura zelf niet definiëren.

Wat betreft de Traditie: Traditie betekent niet: menselijke gewoontes.  Protestanten wijzen terecht op plaatsen waar Jezus menselijke tradities bekritiseert. Bijvoorbeeld wanneer Hij de farizeeën verwijt dat zij door menselijke overleveringen Gods gebod krachteloos maken. Maar daarmee veroordeelt Christus niet iedere traditie. Dat zou ook in strijd zijn met Paulus, die juist gebiedt de apostolische overleveringen te bewaren. De katholieke theologie maakt daarom een essentieel onderscheid tussen menselijke tradities en de apostolische Traditie.

Een bepaalde gewoonte - de kleur van een kazuifel, een bedevaartgebruik, een lokale devotie - kan veranderen. Maar de apostolische Traditie is iets heel anders. Zij is het doorgeven van datgene wat de apostelen van Christus ontvangen hebben en wat in het leven van de Kerk is bewaard. Daarom spreekt het katholicisme niet eenvoudig over Bijbel plus allerlei oude gewoontes”, maar over één depositum fidei, één geloofsschat, die tot ons komt in Schrift en Traditie.

Dat brengt mij bij de Tenhemelopneming van Maria. De katholieke Kerk beweert niet dat men ergens in het Nieuwe Testament de zin kan vinden: Maria werd aan het einde van haar aardse leven met lichaam en ziel in de hemel opgenomen.” Die zin staat er niet. Maar daarmee is de zaak niet beslist. Want de vraag is niet alleen: Staat het expliciet in de Schrift?”, maar Behoort het tot het geloof dat de Kerk van de apostolische oorsprong heeft ontvangen, en is het in overeenstemming met de Schrift?” Dat is een wezenlijk andere manier van theologiseren. Bovendien kent de Bijbel zelf het verschijnsel van lichamelijke opneming bij God. Henoch wordt door God weggenomen (Genesis 5,24) en Elia wordt in een vurige wagen opgenomen (2 Koningen 2). Het idee dat God een mens op bijzondere wijze lichamelijk tot zich neemt, is dus allerminst onbijbels.

Daar waar God is, is geen bederf. Denk aan God die verschijnt aan Mozes in de brandende braamstruik: deze verteerde niet. Denk aan Jezus die melaatsen aanraakt; Jezus wordt daardoor niet besmet, de melaatse wordt genezen. Denk aan Jezus die begraven wordt in het graf van Jozef van Arimatea: een nieuw graf dat nog geen bederf had gezien. Het bederf, de dood, is een gevolg van de zonde. Maria is zonder erfzonde ontvangen, en heeft derhalve het bederf van de lichamelijke dood niet gekend. Het is passend dat Jezus juist uit haar geboren is. Het verlossingswerk van Jezus heeft bij voorbaat bij Maria haar uitwerking gehad.

Een dogma hoeft niet pas op de dag van zijn afkondiging te zijn ontstaan. Dit wordt vaak verkeerd begrepen. Pius XII definieerde de Tenhemelopneming van Maria in 1950. Daaruit wordt soms geconcludeerd: Zie je wel: die leer is in 1950 bedacht.” Maar dat is ongeveer hetzelfde als zeggen dat de godheid van Christus in 325 tijdens het Concilie van Nicea is uitgevonden. Dat is evident onjuist. Nicea definieerde plechtig wat de Kerk reeds geloofde, juist omdat er discussie over was ontstaan. Hetzelfde geldt voor dogmatische ontwikkeling in het algemeen. Een waarheid kan eeuwenlang in liturgie, gebed, prediking en theologie aanwezig zijn voordat de Kerk haar formeel en exact definieert. De waarheid verandert niet, maar ontvouwd zich wel.

Zo zijn er wel meer geloofspunten die de protestanten aannemen, ondanks dat deze niet terug te voeren zijn op de bijbel. Ook de Drie-eenheid laat het probleem van strikt biblicisme zien. Het woord Drie-eenheid” staat niet in de Bijbel. Evenmin staat ergens letterlijk de latere formule dat God “één wezen in drie Personen” is. Toch aanvaarden vrijwel alle orthodoxe protestanten de Drie-eenheid. Waarom? Omdat de Kerk, op basis van de gehele Schrift en het ontvangen geloof, begrippen heeft ontwikkeld waarmee zij precies kon formuleren wat de Schrift over Vader, Zoon en Heilige Geest leert.

De diepste katholieke gedachte is deze:  Jezus liet geen boek achter, maar een Kerk. Jezus heeft zelf geen boek geschreven. Hij zei ook niet tegen de apostelen: Schrijf alles op, stel een canon samen en laat daarna iedere gelovige voor zichzelf bepalen wat de juiste interpretatie is.” Hij zond apostelen. Hij vertrouwt zijn openbaring toe aan de apostelen. De apostelen geven haar door. Een deel daarvan wordt onder inspiratie van de Heilige Geest op schrift gesteld. Diezelfde apostolische Kerk bewaart, leest en interpreteert die Schrift. Daarom spreekt de katholieke Kerk over drie nauw verbonden werkelijkheden: Schrift - Traditie - Leergezag.

Het christendom begon niet met een boek dat uit de hemel viel. Het begon met Christus. Christus riep apostelen. De apostelen stichtten en onderrichtten de Kerk. Binnen die Kerk ontstonden de geschriften van het Nieuwe Testament. En diezelfde Kerk herkende uiteindelijk welke geschriften Heilige Schrift waren. Daarom kan men vanuit katholiek perspectief de Schrift niet van de Traditie losmaken zonder uiteindelijk de grond onder de Schrift zelf weg te trekken. Wij hebben één apostolisch geloof ontvangen. Een deel daarvan is Schrift geworden; datzelfde geloof is in de levende Traditie van de Kerk doorgegeven. En juist binnen dat geheel moet ook het dogma van Marias Tenhemelopneming worden verstaan.