Met Dat nooit heeft Joan Lindhout een boek geschreven dat veel meer is dan een persoonlijk bekeringsverhaal. Het is het verslag van een gewetensvolle zoektocht naar de waarheid, gevoerd door iemand die aanvankelijk overtuigd protestant was en voor wie een overstap naar de Katholieke Kerk ondenkbaar leek. Juist daarom maakt dit boek zoveel indruk: Lindhout schrijft niet als iemand die op zoek was naar een nieuwe religieuze ervaring, maar als iemand die de waarheid wilde volgen, ongeacht waar die hem zou brengen.
Lindhout
groeide op in de hervormde traditie, was actief als ouderling en beschouwde het
katholicisme lange tijd met diep wantrouwen. De titel Dat nooit
verwoordt treffend zijn oorspronkelijke houding tegenover Rome. Katholiek
worden was voor hem geen optie, maar een mogelijkheid die principieel
uitgesloten leek. Toch begint juist daar zijn verhaal: niet bij een verlangen
naar verandering, maar bij een verlangen naar waarheid.
Wat dit boek
bijzonder maakt vanuit katholiek perspectief, is de intellectuele eerlijkheid
waarmee Lindhout zijn eigen overtuigingen onderzoekt. Wanneer hij
geconfronteerd wordt met vragen over de eenheid van de Kerk, het gezag van de
traditie en de interpretatie van de Schrift, kiest hij niet voor de veilige weg
van het vasthouden aan vertrouwde standpunten. Hij laat zich uitdagen door de
geschiedenis van het christendom, door de geschriften van de kerkvaders en door
de vraag wat de eerste christenen werkelijk geloofden. Zijn onderzoek leidt hem
steeds dichter naar de overtuiging dat de katholieke leer geen latere afwijking
is, maar juist in continuïteit staat met de Kerk van de apostelen.
Vooral de
ontdekking van de Eucharistie vormt een keerpunt in zijn zoektocht. Lindhout
beschrijft hoe hij aanvankelijk meende dat de katholieke opvatting over de
werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie een menselijke
toevoeging was. Door zijn studie van de vroege Kerk ontdekt hij echter dat dit
geloof vanaf de eerste eeuwen diep verankerd was in het christelijk leven. Deze
ontdekking raakt hem niet alleen intellectueel, maar ook spiritueel. De vraag
wordt voor hem onontkoombaar: als Christus werkelijk aanwezig is in de
Eucharistie, waar moet een christen dan zijn?
Daarnaast laat
het boek zien hoe zijn verlangen naar waarheid samenhangt met een verlangen
naar eenheid. Lindhout worstelt met de verdeeldheid binnen het protestantisme
en met de veelheid van interpretaties van de Schrift. Hij vraagt zich af hoe
Christus’ gebed om eenheid zich verhoudt tot de
zichtbare versplintering van de christenheid. Gaandeweg ontdekt hij in de
Katholieke Kerk een gezag dat niet gebaseerd is op persoonlijke voorkeuren,
maar op apostolische continuïteit en de leiding van de Heilige Geest.
Wat de lezer
treft, is de oprechtheid van de auteur. Hij schrijft zonder bitterheid
tegenover zijn protestantse achtergrond en zonder triomfalisme over zijn
uiteindelijke keuze. Zijn toon is nederig, soms kwetsbaar, en steeds gericht op
de vraag: “Wat
is waar?” Daardoor is Dat nooit geen polemisch boek, maar een
getuigenis. Het laat zien dat bekering in wezen niet begint met gevoelens of
voorkeuren, maar met de bereidheid om zich door de waarheid te laten
corrigeren.
Vanuit
katholiek perspectief is dit misschien wel de grootste kracht van het boek.
Lindhout bevestigt met zijn levensverhaal de woorden van Christus: “De waarheid zal u vrijmaken” (Joh.
8:32). Zijn weg naar de Kerk was geen vlucht uit het protestantisme, maar een
pelgrimstocht naar de volheid van het geloof. Wat begon als een poging om
katholieke argumenten te weerleggen, eindigde in een thuiskomst in de Kerk die
hij jarenlang had afgewezen.
Dat
nooit verdient daarom een brede lezerskring. Voor katholieken
biedt het een frisse herontdekking van de rijkdom van hun geloof. Voor
protestanten biedt het een eerlijke uitnodiging om de historische en
theologische claims van de Katholieke Kerk serieus te onderzoeken. En voor
iedere zoekende christen is het een inspirerend getuigenis van iemand die de
waarheid boven zijn eigen gelijk stelde.
+Rob Mutsaerts