Het kind van de rekening

In het parlement ligt een wetsvoorstel genaamd ‘Wet kind, draagmoederschap en afstamming’ op tafel dat draagmoederschap (het uitdragen van een kind door een derde voor wensouders) wil legaliseren en reguleren. De achtergrond is begrijpelijk: veel stellen en individuen met een onvervulde kinderwens zoeken naar manieren om toch een gezin te stichten. Zon kinderwens is op zichzelf legitiem, maar er bestaat niet zoiets als het recht op een kind. Het voorstel lijkt er eerder van uit te gaan dat het wel zo is en dat roept fundamentele vragen op.

De huidige juridische situatie is als volgt: de vrouw die bevalt is automatisch de juridische moeder. Juridisch ouderschap en gezag door een ander kan alleen verkregen worden door adoptie en erkenning. In het strafrecht is met name commercieel draagmoederschap (tegen betaling) verboden. In het wetsvoorstel zijn de ‘wensouders’ - in de praktijk veelal homoseksuele paren - direct vanaf de geboorte juridische ouders.

Het kind van de rekening.

Een eerste cruciaal uitgangspunt is het belang van het kind. In elke ethische afweging rond voortplanting zou het kind - de meest kwetsbare partij - centraal moeten staan. Bij draagmoederschap wordt een kind echter bewust in een ongebruikelijke situatie geboren: het zal bij de geboorte gescheiden worden van de vrouw die het negen maanden droeg. Volgens deskundigen kan zon gedwongen scheiding van de moeder” direct na de geboorte trauma veroorzaken . Anders dan bij adoptie, waar de scheiding ongewild plaatsvindt uit nood, creëert draagmoederschap die situatie opzettelijk, en dit gebeurt niet omdat het onvermijdelijk is, maar omdat er van tevoren zo is besloten middels een contract waarbij het kind letterlijk het kind van de rekening is.

Daarnaast speelt de identiteitsvraag. Kinderen geboren via draagmoederschap met behulp van eicel- of zaaddonatie dreigen op te groeien zonder mogelijkheid hun biologische oorsprong te kennen. Hoewel Nederlandse klinieken anonieme donoren verbieden, zijn er in de praktijk draagmoeders die via het buitenland met anonieme eicel- of zaaddonoren werken . Zulke kinderen kunnen hun ontstaansgeschiedenis later niet achterhalen . Dat kan leiden tot identiteitsproblemen en een blijvend gevoel van incompleetheid. Olivia Maurel, een vrouw geboren uit een draagmoeder, getuigt dat haar verhaal begint met stilte, afstand en verlies” – zij voelde zich onthecht, alsof er een wond aan de basis van haar leven lag . Ik was gekocht voordat ik geboren was. Ik vervulde een contract”, zei ze over haar begin . Die terminologie – gekocht, contract – illustreert hoe zij zich als kind een object voelde, een onderdeel van een afspraak tussen volwassenen. Als ik uit liefde ben ontstaan, waarom werd ik dan gescheiden van de moeder die als eerste van mij hield?”, vraagt ze zich af . Dit hartverscheurende perspectief dwingt ons te beseffen dat een kind geen blanco pakketje is dat zomaar aan anderen kan worden toebedeeld; het is een mens met emotionele behoeften en een recht op zijn of haar eigen verhaal en afstamming. Verantwoord draagmoederschap, gelet op de belangen en rechten van het kind, bestaat eenvoudigweg niet.

De draagmoeder: vrijwilligheid of uitbuiting?

Het tweede belangrijke aspect is de positie van de draagmoeder zelf. In de praktijk blijken er vaak financiële motieven mee te spelen. In landen als Oekraïne, Georgië of India is een heuse draagmoederschapsindustrie ontstaan, waarbij arme vrouwen tegen betaling hun lichaam beschikbaar stellen. Te vrezen valt dat legalisering in Nederland - zelfs met een verbod op winstbejag - deze kwetsbare vrouwen zal involveren. Een dergelijke economische drijfveer doet ook een enorme afbreuk aan de waardigheid van de vrouw. Een kind is geen handelswaar en een vrouw meer dan louter een baarmoeder. Wanneer een vrouw zich genoodzaakt voelt haar baarmoeder ‘te huur’ aan te bieden, komen we dicht bij een moderne vorm van lijfeigenschap. Wat trouwens te doen als de draagmoeder het kind wil houden, of als de wensouders zich terugtrekken? Dat laatste komt voor als de ‘wensouders’ ondertussen uit elkaar zijn gegaan. Wat bij onenigheid over abortus als er tijdens de zwangerschap iets mis blijkt (bijvoorbeeld een afwijking op de echo)?

Menselijke waardigheid en kinderrechten

De kern van de principiële bezwaren tegen draagmoederschap ligt in het begrip menselijke waardigheid. Een kind behoort geen handelswaar te zijn, en ouderschap geen transactie. Nogmaals, niemand heeft recht op het krijgen van een kind; een kind is geen object dat je kunt opeisen of aanschaffen, net zo min als je een tiener of volwassenen kunt aanschaffen. Dit laatste is vanzelfsprekend zo, maar net zoals ieder ander is gaat het hier om een mens met eigen rechten.

Bovendien doorbreekt draagmoederschap iets wat in vrijwel alle culturen als natuurlijk gegeven gold: het idee dat de vrouw die baart, ook de moeder van het kind is (mater semper certa est). Onze hele emotionele en biologische inrichting is daarop afgestemd. Draagmoederschap zorgt voor een breuk in dit natuurlijke gegeven: er is een biologische moeder (draagmoeder), vaak een aparte genetische moeder (eiceldonor of wensmoeder), en de sociale ‘ouders’ die het kind gaan opvoeden. Draagmoederschap is tegennatuurlijk, de wensouders zijn de ouders niet en het kind komt verweesd ter wereld en wordt soms ook nog geconfronteerd met twee ‘vaders’ of twee ‘moeders’. De wensouders (met technologie en juridische contracten aan hun zijde) onderwerpen de natuurlijke gang van zaken aan hun wil, waarbij zowel de draagmoeder als het kind ondergeschikt worden gemaakt aan die wens. Een kind is een geschenk, geen contractueel product.

Hoezeer we in sommige gevallen ook meeleven met mensen met een kinderwens, we moeten waken dat compassie niet omslaat in het rechtvaardigen van alles. Niet alle verlangen, hoe begrijpelijk ook, mag ten koste gaan van de meest basale menselijke waarden. Uiteindelijk houdt de waarde van een samenleving verband met hoe we omgaan met de kwetsbaarsten in ons midden - in dit debat: de kinderen die geboren worden en de vrouwen die hun lichaam geven. Draagmoederschap legaliseren zonder deze principiële bezwaren serieus te nemen, duidt op een ongelooflijke blinde vlek voor de realiteit.

 

+Rob Mutsaerts

Zomaar ‘n cafégesprek

Kom op bisschop, jij gelooft toch niet echt dat die Bijbel meer is dan een gedateerd sprookje?

- Dat hangt ervan af wat je onder een sprookje verstaat. Als je bedoelt: een verhaal dat al eeuwen meegaat, mensen vormt en morele lessen bevat - ja, dan is het een sprookje van wereldklasse.

Maar serieus pratende slangen, wonderen, water dat splijt… Dat kun je toch niet letterlijk nemen?

-Als een verhaal iets bovennatuurlijks bevat is het dan automatisch onwaar?

Niet automatisch, maar wel verdacht.

- Dat snap ik. Maar stel dat God bestaat dan zou het juist verdacht zijn als er nooit iets bovennatuurlijks gebeurt. Dan zou het verhaal over God vreemd genoeg totaal alledaags zijn.

Hmm. Maar het blijft oud. Mensen wisten toen nog niks van wetenschap.

- Newton is ook oud. Pythagoras ook. Toch checken we hun stellingen nog steeds. Oud is geen argument tegen waarheid alleen tegen yoghurt.

Oké, maar verschil is: zwaartekracht kun je testen.

- Zeker. Maar niet alles wat echt is, kun je in een reageerbuis stoppen. Schoonheid bijvoorbeeld. Rechtvaardigheid. Muziek die je raakt. Je kunt meten wat geluidsgolven doen maar niet waarom een lied je raakt.

Jij zet geloof in dezelfde categorie als kunst?

- Eerder als een combinatie van geschiedenis, moraal en betekenis. De Bijbel speelt zich af tussen echte mensen, echte steden, echte koninkrijken. Het begint niet met er was eens”, maar met namen, plaatsen en data.

Ja, maar dat kan een schrijver toch gewoon invullen om geloofwaardig over te komen?

- Kan. Maar dan moet je mij wel uitleggen waarom archeologen steeds weer dingen opgraven die kloppen met dieverzonnen” verhalen. Dat gebeurt opvallend vaak. Best onhandig voor een sprookje.

Toch blijft religie voor mij iets van vroeger. Wij zijn nu verder.

- Verder waarin?

Nou, wetenschap, mensenrechten, moraal.

- Interessant dat je mensenrechten noemt. Het idee dat alle mensen gelijk zijn - weet je waar dat sterk vandaan komt?

Van de tijd van de Verlichting?

- Ook. Maar die bouwde voort op het christendom, op het idee dat ieder mens naar Gods beeld geschapen is. Dat was in de oudheid revolutionair. Daarvoor telde je waarde vooral via status. Men vond het bijvoorbeeld doodnormaal dat er slaven waren.

Dus je zegt dat mijn moderne moraal eigenlijk een christelijke erfenis is?

- Ik zeg dat je er meer van geërfd hebt dan je misschien doorhebt. Zoals iemand die boos is op zijn ouders, maar wel in hun huis woont en hun koelkast leeg eet.

Au. Die was raak.

- Graag gedaan.

Maar kijk dan naar alle ellende door religie. Oorlogen, macht, misbruik.

- Klopt. En kijk naar alle ellende door politiek, ideologie, geld en nationalisme. Kijk alleen al naar de 20e eeuw met miljoenen slachtoffers van nazi-Duitsland en communistisch Rusland en China. Allemaal atheïstische regimes, by the way. Dat we er qua moraal op vooruit zijn gegaan, dat meen je toch niet echt? Het probleem lijkt mij vrij consequent: mensen.

Dus geloof is niet het probleem, maar de mens?

- De Bijbel zou zeggen: dat is precies de kwestie. Dat is zelfs een van zijn kernpunten: dat de mens moreel gebroken is. Eerlijk gezegd vind ik dat één van de meest realistische zinnen ooit geschreven.

Dat kan ik moeilijk ontkennen als ik het dagelijks nieuws zie.

- Precies. De Bijbel begint niet met de mens is geweldig”, maar met de mens heeft redding nodig.” Dat is geen sprookjestaal; dat is diagnose.

Maar waarom dan al die vreemde verhalen?

- Omdat verhalen beter onthouden worden dan formules. Jij onthoudt ook de films zelf beter dan de recensies. En let op: Bijbelse helden zijn zelden perfecte helden. Ze liegen, falen, gaan onderuit. Dat is een vreemd soort propaganda als je iets wilt verzinnen. Normale sprookjes maken hun helden glanzend. De Bijbel maakt ze menselijk.

Dat is me eerlijk gezegd nooit zo opgevallen.

- Lees eens met die bril. Het is verrassend ongepolijst.

Maar jij gelooft dus echt dat het waar is?

- Ja. Maar niet omdat ik mijn verstand uitschakel. Juist omdat ik het gebruik. Voor mij klopt het plaatje: mensbeeld, moraal, geschiedenis, ervaring. Het verklaart meer dan het ontkent.

Ik weet niet of ik daar al ben.

- Hoeft ook niet. Eerlijk zoeken is genoeg voor nu. Ik probeer je niet te overtuigen,  alleen uit te nodigen om het boek niet te snel af te schrijven.

Dus geen donderpreek?

- Alleen als je nog een koffie bestelt. Wonderen gebeuren soms.

Kijk dát geloof ik dan weer wel.

- Kijk, we maken vooruitgang.

 

+Rob Mutsaerts

Aswoensdag – het begin van een weg die geen halfslachtigheid duldt.

Aswoensdag is geen vrome inleiding” op de Veertigdagentijd. Het is niet slechts een religieuze gewoonte of een stukje folklore met as op het voorhoofd. Het is een dag van waarheid - en waarheid kan pijn doen. Vandaag plaatst de Kerk ons recht tegenover een vraag die we niet kunnen ontwijken: wat is de betekenis van ons leven, en welke richting gaan we werkelijk uit?

We horen twee zinnen. Eén, hard als steen: Gedenk dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren” (vgl. Gen. 3,19). De andere nog veeleisender: Bekeer u en geloof in het Evangelie” (Mc. 1,15).

As is geen teken van dood. As is een teken dat de illusies eindigen. Een einde aan doen alsof we nog tijd genoeg hebben. Een einde aan het spelen van christen-zijn alleen bij speciale gelegenheden.”

1. Stof — de waarheid over de mens

De as op je voorhoofd zegt: jij bent God niet. Jij bent geen meester over de tijd. Jij bent niet de regisseur van je leven. Heel de moderne cultuur schreeuwt precies het tegenovergestelde: je kunt alles, jij staat centraal, je bent jezelf genoeg. En vandaag antwoordt de Kerk met één enkel gebaar: stof. De heilige Augustinus schreef: Een mens is niet groot omdat hij zichzelf verheft, maar omdat hij erkent wie hij werkelijk is voor God.” Zonder die waarheid is er geen Veertigdagentijd - alleen een dieet, een oefening in wilskracht of een religieuze make-over. En God wil ons imago niet verbeteren. God wil ons hart redden.

2. Bekeer u” — met andere woorden: verander van richting

In de Bijbel betekent bekering niet dat je je een beetje beter voelt of een kleine aanpassing in je levensstijl maakt. Het betekent dat je de richting van je weg verandert. Als je de verkeerde kant op gaat, is het niet genoeg om langzamer te lopen. Je moet omkeren. De heilige Teresa van Ávila zei het heel direct: God heeft onze mooie woorden niet nodig. Hij wil dat we een besluit nemen.” Daarom zegt Jezus in het Evangelie niet: denk erover na,” “overweeg het,” “probeer het eens.” Hij zegt: bekeer u. Nu. Vandaag. Niet morgen. De Veertigdagentijd is geen tijd voor geestelijke experimenten. Het is een tijd voor beslissingen: waarmee ik moet breken, wat ik op orde moet brengen, wie ik moet vergeven, welke zonde ik niet langer mag vergoelijken.

3. Gebed, vasten en liefdadigheid zonder theater

In het evangelie van Aswoensdag (Mt. 6,1–18) raakt Jezus de kern van religieuze huichelarij: Pas op dat gij uw gerechtigheid niet beoefent voor het oog van de mensen om door hen gezien te worden.” Gebed, vasten en liefdadigheid zijn geen middelen om onze reputatie op te poetsen, en al helemaal niet om af te vallen. Het zijn wapens in de geestelijke strijd. De heilige Johannes Chrysostomus zei: Vasten is niet alleen je onthouden van vlees, maar weigeren je broeder te verslinden.” Iemand kan op brood en water de vastentijd doorbrengen, en toch haatdragend blijven, trots en zich niet onthouden van geroddel; dan heeft dat vasten geen enkele betekenis. God kijkt niet naar hoeveel wij doen, maar waarom en voor wie. Een Veertigdagentijd voor de show” eindigt in leegte. Een Veertigdagentijd in waarheid eindigt in de opstanding van het hart.

4. Vandaag is de tijd van genade

De heilige Paulus roept het uit: Nu is het de gunstige tijd, nu is het de dag van het heil” (2 Kor. 6,2). Niet ooit.” Niet wanneer het rustiger wordt.” Niet na Pasen.” Nu. De heilige Alfonsus Maria de Liguori waarschuwde: Het grootste bedrog van de duivel is een mens ervan te overtuigen dat hij nog tijd genoeg heeft.” De as op het voorhoofd is als een zegel: tot stof zult gij wederkeren, oftewel de tijd is kort. Maar dit is geen bedreiging - het is genade. Want zolang je leeft, kun je terugkeren. Zolang je dit woord nog kunt horen, is de weg nog open.

De Veertigdagentijd begint vandaag niet op de kalender, maar in het geweten. Moge de as niet alleen een teken op de huid zijn, maar een beslissing in het hart. Moge dit een tijd zijn van echte bekering, geen geestelijke routine. Want alleen wie durft te sterven aan de zonde, zal de morgen van de Verrijzenis zien.

Fr. Piotr W. Wiśniowski

Van Playboy en Epstein naar Dutroux en terug naar af

De recente onthullingen rond de Epstein-files” domineren het nieuws. Duizenden paginas aan rechtbankdocumenten brengen aan het licht hoe zakenman Jeffrey Epstein een netwerk opzette waarin jonge vrouwen en minderjarige meisjes werden misbruikt, met connecties naar invloedrijke figuren in de politiek en samenleving . Dit schandaal schokt velen. Maar eigenlijk past het in een patroon dat teruggaat tot een culturele omslag enkele decennia geleden, toen traditionele normen begonnen te vervagen. Hoe heeft het zover kunnen komen dat seksueel misbruik en losbandigheid hoog in de machtspiramide voorkomen?

In de jaren 70 voltrok zich een morele revolutie. Dingen die vroeger ondenkbaar waren in beschaafde kringen” werden ineens normaal gevonden. Zelfs zichzelf kwaliteitskranten noemende media recenseerden pornografische films alsof het serieuze cinema betrof. Pornofilms werden openlijk besproken door en serieus genomen door critici . Een prominente filmrecensent als Roger Ebert schreef bijvoorbeeld reviews van expliciete films als The Devil in Miss Jones (1973) . Seksualiteit drong door tot de mainstream cultuur – wat ooit taboe was, werd nu gezien als bevrijding.

Vervagende Normen: Van Playboy tot Brongersma

Tegelijk brachten figuren als Hugh Hefner seksualiteit in het glamoureuze daglicht. Hefners Playboy-imperium vierde de vrije liefde op decadente feestjes in zijn fameuze landhuis. Vanaf de jaren 70 werd de Playboy Mansion in Los Angeles berucht om weelderige feestjes, bevolkt door beroemdheden en playmates . Jaren later kon iedereen zelfs op televisie meekijken via reality-series als The Girls Next Door, die het leven van Hefners vele jonge vriendinnen in dat landhuis volgden. Wat voorheen privé of schandelijk was, werd nu met trots tentoongesteld als entertainment. Seks werd een vast onderdeel van Hollywood en de bredere popcultuur.

Maar deze vrijheid blijheid” had ook donkere kanten. Sommige grenzen werden zo ver opgerekt dat ze compleet verdwenen. Pedofilie werd in zelfs verdedigd als een legitieme vorm van liefde. In Nederland pleitte senator Edward Brongersma (PvdA) in de jaren 70 openlijk voor acceptatie van pedofielen en hun seksuele escapades met jonge kinderen. Hij vertelde zonder enige gēne in het bezit te zijn van een grote verzameling kinderporno. In een tv-uitzending in 1978 kreeg Brongersma de ruimte om uit te leggen waarom het goed was dat kinderen relaties met volwassenen konden hebben” . Dit illustreert hoe radicaal het moraalbesef kon verschuiven: wat altijd als misbruik gold, werd nu door sommigen gepresenteerd als een geoorloofde expressie van liefde. Dat liefde verward werd met lust scheen maar weinigen te zien. Wie in die tijd voorzichtig protesteerde tegen dergelijke ideeën, werd weggezet als een bekrompen geest die de nieuwe vrijheden in gevaar bracht.

Intussen verdween traditionele morele kritiek naar de achtergrond. Pornografie overspoelde de markt. Er was zelfs een moment halverwege de jaren 80 dat de Nederlandse regering (met VVD, D66 en PvdA als voornaamste pleitbezorgers) serieus overwoog alle porno - inclusief kinderporno - legaal te maken. In die tijd dachten veel opiniemakers dat porno en promiscuïteit puur privézaken waren: men vond dat de overheid zich daar niet mee moest bemoeien . Het lijkt haast onvoorstelbaar nu, maar destijds gold dit als vooruitstrevend. Er was een Dutroux voor nodig om de ogen te openen.

Vrijheid of Verslaving?

Men riep dus luid dat we vrij” waren van de oude benauwende regels, vooral van die van de Kerk. Maar wat voor vrijheid kwam ervoor in de plaats? Vrijheid ontaardde vaak in losbandigheid, en die losbandigheid bracht nieuwe onvrijheden met zich mee, in de vorm van verslaving en uitbuiting. Neem de pornografiecultuur die sinds de jaren 70 is genormaliseerd. Vandaag de dag kijkt een meerderheid van de mannen en een aanzienlijk deel van de vrouwen regelmatig porno. Uit onderzoek blijkt dat maar liefst 65% van de Nederlandse mannen en 16% van de vrouwen wekelijks pornografisch materiaal bekijkt . Voor velen blijft het daar niet bij: 3–8% van deze groep geeft aan de controle over hun pornogebruik kwijt te zijn en het zelf als verslavend te ervaren . Dergelijke statistieken tonen hoe iets dat gepresenteerd werd als bevrijding” (ongehinderd seksuele beelden kunnen consumeren) voor velen juist een nieuwe vorm van gebondenheid schept. Een groeiend aantal mensen kampt met pornoverslaving of seksverslaving. Wat begon als vrijheid van oude taboes is ironisch genoeg voor sommigen geëindigd in onvrijwillige afhankelijkheid.

De gevolgen beperken zich niet tot individuen; ze werken door in de hele samenleving. Denk aan de vele #Me Too-onthullingen van de afgelopen jaren, waaruit bleek dat in filmstudios, bedrijven en zelfs kerken machtsmisbruik en seksuele grensoverschrijding vaak jarenlang ongestoord konden plaatsvinden. Een cultuur die alles moet kunnen” schept ook een klimaat waarin de sterke of gewetenloze zich kunnen uitleven ten koste van de zwakkere. Vrijheid zonder grens verwordt tot het recht van de sterkste of luidruchtigste.

Waardenverlies en Leegte

Het gebeurde allemaal in een tijd dat religie als moreel kompas in de maatschappij verdween. In Nederland is de ontkerkelijking sinds de jaren 60 pijlsnel gegaan. Waar destijds kerken op zondag vol zaten, is tegenwoordig meer dan de helft van de bevolking niet meer religieus. In 2021 gaf zelfs 58% van de Nederlanders aan zichzelf tot geen enkele religieuze groep te rekenen . Binnen één generatie ging ons land van verzuild en godsdienstig naar seculier en individualistisch . Met het afbrokkelen van kerkelijk gezag en geloofstradities vervaagden ook de collectieve normen en waarden die daarmee samenhingen.

Religie – en dan met name het christendom in onze contreien – bood eeuwenlang een moreel raamwerk. Bepaalde gedragingen golden als deugdzaam of als zondig op basis van een hoger ideaal, niet louter op basis van individueel gevoel. Natuurlijk waren er in het verleden ook misstanden en overdreven preutsheid, maar er bestond tenminste een duidelijk kompas. Dat kompas bestond niet alleen uit religie, maar ook uit gezond verstand. Wanneer dat kompas verdwijnt, raken veel mensen stuurloos in ethisch opzicht. We zien dan ook dat met de ontkerkelijking een moreel relativisme opkwam: Wie ben ik om te oordelen? Wie ben jij om mij te vertellen wat niet goed is?” Op het eerste gezicht klinkt dat tolerant en vrij. Maar in de praktijk liet het een vacuüm achter waarin uiteindelijk iedere drijfveer – hoe egoïstisch of destructief ook – evenveel recht van bestaan leek te hebben als welke andere.

Gaat het niet altijd zo: haal je een oude beschermende omheining weg zonder na te denken, dan kun je chaos verwachten. “Verwijder nooit een hek voordat je begrijpt waarom het er stond,” luidt Chestertons beroemde principe. Zonder kaders geen vrijheid, aldus de aloude katholieke paradox. In de jaren 60 hebben we in onze drang naar vrijheid te lichtvaardig allerlei morele hekken” neergehaald, zonder te beseffen welke gevaren we daarmee vrij toegang gaven. Wanneer alle remmen los zijn en alle genietingen eindeloos beschikbaar, treedt er een soort existentiële leegte op. Niets heeft nog betekenis of geeft voldoening, zoals bandeloos ‘genieten’ van eten en drinken leidt tot misselijkheid en een kater. Is dit niet precies wat we om ons heen zien? Ondanks (of juist dankzij) al onze vrijheid en welvaart kampen velen met gevoelens van doelloosheid.

We verzuipen in onze vrijheid

Niemand heeft de moderne morele crisis zo scherpzinnig gefileerd als schrijver en denker C.S. Lewis. Hoewel Lewis al in de jaren 40 schreef, waren zijn inzichten ronduit profetisch voor wat erna zou komen. In zijn boek The Abolition of Man (De Afschaffing van de Mens) waarschuwde hij dat het ontkennen van objectieve waarden (moreel relativisme) zou leiden tot het verval van deugdzaamheid in de samenleving . Als er geen geloof meer is in universele morele waarheden, zo betoogde Lewis, dan voeden we het verstand wel, maar niet het hart. We krijgen dan hoogopgeleide puur rationalistische mensen; intellectuelen zonder een vormend moreel centrum . Zulke mensen kunnen heel slim of technisch begaafd zijn, maar hun emoties en driften zijn niet getraind door deugd of traditie. Ze worden uiteindelijk geregeerd door hun lusten of door ideologieën.

Lewis schetst in krachtige bewoordingen de tragi-komedie van een maatschappij die haar eigen fundamenten onderuithaalt: In een soort gruwelijke simpelheid verwijderen we de organen maar eisen we de functie. We maken mensen zonder hart en verwachten van hen deugd en ondernemingslust. We lachen om eer en zijn verbaasd dat mensen volledig ontsporen. We castreren ze en verlangen vervolgens dat de gecastreerden vruchtbaar zullen zijn.” . Met deze bijtende ironie houdt Lewis ons een spiegel voor. We ontnemen nieuwe generaties systematisch het besef van eer, zelfbeheersing en plichtsbesef, en toch zijn we geschokt wanneer zij zich egoïstisch en bandeloos gedragen. We moedigen jongeren aan lekker hun gang te gaan” en klagen vervolgens dat ze geen karakter tonen of verantwoordelijkheid nemen.

De verwarring zien we nu in het echt om ons heen. We roepen dat er meer respect, discipline en altruïsme in de samenleving moet komen, terwijl we tegelijk de bronnen afwijzen die dat soort karakter kweken. We blijven om die kwaliteiten roepen die we zelf onmogelijk maken. We verwachten nog steeds eerlijkheid en respect, maar we hebben de morele vorming afgeschaft die mensen tot eerlijke en respectvolle wezens maakt.

Lewis, een overtuigd christen, zag de terugkeer naar objectieve waarden – wat hij de Tao noemt, de universele morele orde die je in alle grote tradities vindt – als enige remedie tegen deze waanzin. Hij wist dat de mens vrijheid nodig heeft, maar ook een natuur heeft die richting nodig heeft. Vrijheid betekent niet dat een vis op het droge moet kunnen leven; een vis is pas vrij als hij in water is, in zijn eigen leefmilieu. Zo is de mens pas echt vrij als hij leeft binnen de morele orde die bij zijn natuur past. Als we die orde negeren, verzuipen we uiteindelijk in onze zogenaamde vrijheid.

Vrijheid en Waardigheid Herwinnen

Hoe verder? Moeten we nu allemaal massaal terug naar de kerkbanken van weleer? Dat is niet het punt dat ik hier wil maken - al zou een hernieuwde waardering voor religieus erfgoed zeker geen kwaad kunnen. Het gaat erom dat we gaan inzien dat onbeperkte vrijheid zonder waarheidsbegrip leidt tot verval. Het is te triest voor woorden dat we moesten wachten tot de gruwelijkheden van Dutroux aan het licht kwamen om ons de ogen te openen. Echte vrijheid bestaat niet zonder waarheid en moraal. Vrijheid is niet doen wat je maar wilt, maar kunnen doen wat goed is – zonder verslaafd te raken aan het kwade.

We zien om ons heen al tekenen van een kentering. De verontwaardiging over de Epstein-affaire, over #MeToo, over kindermisbruik in de kerk en evenzogoed overal elders – al die morele woede wijst erop dat mensen aanvoelen dat er toch zoiets is als goed en kwaad dat niet onderhandelbaar is. We zijn wakker geschud uit de relativistische droom. De vraag is of we de les willen leren. Durven we weer morele grenzen te waarderen in plaats van automatisch te bespotten? Durven we te erkennen dat misschien toch niet alle oude hekken” nutteloos waren?  Misschien moeten we iets terug bouwen van wat overijverig is neergehaald. Niet elke traditie of regel uit het verleden was goed – zeker niet. Maar laten we onderscheiden welke normen essentieel waren om vrijheid in goede banen te leiden. De norm van trouw en zelfbeheersing was er om gezinnen te beschermen tegen chaos. Zulke hekken” verdienen eerherstel in een eigentijdse vorm.

Historisch bood religie die hogere waarden en zin. Misschien kunnen we in onze post-seculiere tijd daar opnieuw bij aansluiten, zij het op een nieuwe manier. Het christelijk geloof bijvoorbeeld leert dat ware vrijheid gevonden wordt in dienstbaarheid aan het goede en aan God – “de waarheid zal u vrijmaken” (Johannes 8:32). Dat klinkt paradoxaal in moderne oren, maar we hebben gezien wat vrijheid zonder waarheid” doet: die leidt tot nieuwe ketenen. Misschien wordt het tijd dat we die paradox beter begrijpen: dat zelfbeheersing en morele kaders geen vijanden zijn van de vrijheid, maar haar voorwaarde. Een trein is immers pas vrij om met volle vaart vooruit te gaan als hij op de rails blijft. Haalt men de rails weg, dan ontspoort de trein.

De mens heeft een hart, een hoofd en een ziel nodig om goed te leven. We moeten het hoofd vullen met waarheid, het hart vormen met deugd, en de ziel voeden met betekenis. In onze drang naar vrijheid hebben we soms het kind met het badwater weggegooid. Maar het mooie is: wat waar en goed is, blijft bestaan en kan herontdekt worden. Meestal gebeurt dat pas als we het absolute dieptepunt bereikt hebben. Vrijheid en waardigheid kunnen herwonnen worden door opnieuw verbinding te maken met tijdloze waarden. Misschien betekent dit voor sommigen een hernieuwde interesse in religie; voor anderen simpelweg het beseffen dat helemaal zónder hogere richtlijnen niemand werkelijk floreren kan. Dat is trouwens gewoon een kwestie van gezond verstand. Daar hoef je niet religieus voor te zijn. Goedheid en waarheid zijn geen verzinsels die veranderen met de mode, maar ankers waaraan de mensheid zich door alle stormen heen kan vasthouden. Dat is een vrijheid die standhoudt, in plaats van zichzelf te vernietigen.

+Rob Mutsaerts