Een krappe meerderheid van de Tweede Kamer vindt dat de vrijheid van onderwijs niet mag botsen met artikel 1 van de Grondwet waarin staat dat iedereen gelijk behandeld moet worden, zo bleek vorige week na een stemming over een motie over het onderwerp. Dat betekent feitelijk het einde van vrijheid van godsdienst en van onderwijs. Men vergeet namelijk tegen wie de grondrechten (vrijheid van religie en vrijheid van onderwijs) bescherming moeten bieden. In het Nederlandse staatsrecht moeten de grondrechten vrijheid van godsdienst en vrijheid van onderwijs vooral bescherming bieden tegen de overheid. Deze grondrechten zijn bedoeld om burgers te beschermen tegen inmenging, beperkingen of dwang door de staat. Een overheid kan bijvoorbeeld niet bepalen dat een kerkgenootschap haar visie op het huwelijk of andere samenlevingsvormen moet aanpassen.
In onze seculiere cultuur geven steeds minder mensen om religie;
velen zijn vergeten wat religie eigenlijk inhoudt. Hoewel onze Grondwet
vrijheid van godsdienst, geweten én
onderwijs waarborgt, lijkt die vrijheid steeds vaker ter discussie te staan.
Media plaatsen orthodox-religieus onderwijs in het verdachtenbankje, en
politieke stemmen beweren zelfs dat religie in een land als het onze geen
invloed op de maatschappij mág uitoefenen. Critici zeggen dat
godsdienstvrijheid wordt ‘misbruikt’ om bijvoorbeeld LHBTQ-personen te discrimineren, of dat
onderwijsvrijheid ‘giftige’ ideeën laat verspreiden. Met andere woorden: juist in onze
seculiere samenleving staan vrijheid van godsdienst en onderwijs onder druk –
door overheidsbeleid, publieke opinie en culturele trends. Toch moeten we ons
afvragen: Waarom blijven deze vrijheden essentieel, ook – of juist – nu? Het
antwoord ligt in wat ze beschermen: de menselijke zoektocht naar waarheid en
het behoud van een moreel kompas in een vrije, diverse samenleving.
Vrijheid van godsdienst is in wezen de vrijheid om naar
waarheid te zoeken. Het gaat niet om een vrijblijvende keuze uit een menu van
levensbeschouwingen, maar om de diepe plicht voor ieder mens om het ware en het
goede na te streven. Als we ‘vrijheid’ versmallen tot louter keuze zonder waarheid, ondergraven we
uiteindelijk alle vrijheid . Echte vrijheid is namelijk geworteld in waarheid.
Zonder dat vaste fundament verzinkt vrijheid in willekeur.
Een seculiere samenleving die meent zonder dat hogere
richtsnoer te kunnen, zaagt feitelijk aan de tak waarop ze zelf zit. Want onze
ideeën van recht en gerechtigheid - zelfs van mensenrechten - zijn historisch
en moreel verankerd in het besef van een objectieve moraal, iets dat groter is
dan wijzelf. Het is het moreel relativisme dat ons parten speelt. Als alle
waarden relatief worden, blijft er geen reden over om het goede te verkiezen
boven het kwade behalve eigen smaak of meerderheidsgedrag. Dan krijgt de wet
van de sterkste vrij spel, of dreigt een kille technocratie die de leegte vult.
Een vrije samenleving kan niet floreren zonder kompas.
Denk aan een vloot schepen op zee. Ieder schip moet zijn
eigen machinekamer op orde hebben en voorkomen dat het andere ramt. Maar dat is
niet genoeg. Er moet ook een bestemming zijn, een waarom achter de reis. Zo is
het ook met ons: we kunnen individueel deugen en onderling ordelijk samenleven,
maar zonder hoger doel of waarheid dobberen we stuurloos rond. Vrijheid van
godsdienst houdt dat besef levend dat er een hoger doel, een ultieme Waarheid,
te zoeken is. Het is het kompas waardoor een samenleving koers houdt in plaats
van eindeloos rond te dobberen. Maar Waarheid is een woord waar men
tegenwoordig allergisch voor lijkt.
Vrijheid van onderwijs vloeit voort uit hetzelfde principe:
het recht en de verantwoordelijkheid om kinderen te vormen volgens diepe
overtuigingen over waarheid en goedheid. Kinderen zijn van de ouders, niet van
de staat. Het is om die reden dat ouders de ruimte moeten houden om hun visie
op het goede leven in de opvoeding en scholing door te geven . Deze
keuzevrijheid is een uitdrukking van de diversiteit van onze samenleving.
Helaas wordt tegenwoordig soms gedaan alsof onderwijs neutraal kan zijn, alsof
het enkel gaat om hoe te denken en niet om wat te waarderen. Maar elke
opvoeding draagt (al dan niet uitgesproken) een beeld over goed en kwaad over.
De vraag is: wie heeft het voor het zeggen als het gaat om de ziel van het
kind?
Onderwijs zonder ruimte voor geweten en geloof dreigt een
kweekplaats van moreel relativisme te worden. Als we uitsluitend het hoofd
vullen met kennis en de handen trainen in techniek, maar het hart buiten
beschouwing laten, wat zijn we dan eigenlijk aan het doen? We lachen om
begrippen als eer en deugd, en zijn dan verbaasd dat de samenleving op drift raakt.
We maken de mensen wijs dat er geen objectieve waarden zijn, verwachten toch
dat zij het goede zal doen. Dat is vragen om een morele crisis.
Vrijheid van onderwijs is daarom geen luxe of “eigen bubbel”, maar
een essentiële waarborg dat er verschillende morele tradities mogen
voortbestaan die deugd en waarheid hooghouden. Het zorgt ervoor dat onderwijs
niet verwordt tot indoctrinatie door de heersende mode, die overigens
gepresenteerd wordt als een norm die men moet accepteren, omdat je anders echt
niet deugt. Hoe dit zich laat rijmen met het relativisme dat men predikt is een
raadsel. Een vrije samenleving heeft inwoners nodig met een geweten en
karakter, geen unanieme kudde die alleen heeft geleerd te gehoorzamen aan de
geest van de tijd; een tijd die in verwarring verkeert en de weg kwijt is.
Juist religieus en levensbeschouwelijk onderwijs kan dat geweten scherpen en
voeden met idealen, in plaats van louter consumenten of arbeiders te
produceren.
Onze seculiere democratie beroemt zich op tolerantie en
diversiteit. Maar ware tolerantie op de proef stellen betekent ook verschillen
verdragen die je zelf lastig vindt. Steeds vaker zien we echter een verwarring
van ‘gelijkheid’
met
uniformiteit: sommige opiniemakers en politici lijken gelijkheid te reduceren
tot het delen van één
moderne, liberale visie op mens en moraal. Alles en iedereen moet binnen dat
kader passen; wie afwijkt wordt gezien als bedreigend. Zo noemen de indieners
van de motie het bizar dat een christelijke school eigen opvattingen huldigt
over controversiële onderwerpen, en suggereren zij dat de veiligheid in het
geding is zodra een school niet volledig de links-liberale lijn volgt. De
ondertoon is duidelijk: vrijheid mag, zolang ze past binnen het heersende
kader. Maar dat miskent wat vrijheid werkelijk inhoudt. Vrijheid vraagt niet om
eenvormigheid, maar om het verdragen van verschillen. Het is juist dat ongemak
tussen overtuigingen - religieus óf seculier, conservatief óf progressief - dat
onze samenleving levendig en vrij houdt.
Als de staat of de meerderheid bepaalt dat geloof slechts
achter de voordeur toegestaan is, dan hebben we in feite een Department van
Toegestane Overtuigingen opgetuigd. Waar kennen we dat toch van? Dat is geen
pluralisme meer, maar een recept voor onderdrukking in naam van “vrijheid”. Echte
vrijheid van godsdienst houdt juist in dat mensen zónder vrees mogen uitkomen
voor wat hun geweten hun ingeeft, ook als dat botst met de tijdgeest. En
vrijheid van onderwijs betekent dat we elkaar de ruimte geven om jongeren vanuit
verschillende waarden op te voeden, niet om ze van de wereld af te schermen,
maar om vanuit hun eigen wortels tot volwaardige burgers uit te groeien. Een
staat die dicteert wat diep in het hart geloofd mag worden, behandelt mensen
als klapvee.
Waarom blijven vrijheid van godsdienst en onderwijs
essentieel, juist in een seculiere samenleving? Omdat zij het hoogste goed
beschermen dat een samenleving kan hebben: de mogelijkheid voor elke mens om,
geleid door geweten en rede, naar waarheid te zoeken en het goede te doen. Deze
vrijheden vormen de buffer tegen de tirannie van de modus van de dag, tegen de
neiging van elke maatschappij om haar eigen absolutismen te creëren. Ze houden
de deur open voor kritiek, voor verbetering, voor hoop, voor alles wat ons
menselijk maakt.
In tijden van spanning komt de echte kracht van onze
principes aan het licht. Vrijheid van godsdienst en onderwijs tonen hun waarde
vooral wanneer ze onder druk staan: juist dan bewijzen ze of we werkelijk
geloven in een vrije, menswaardige samenleving. Laten we deze vrijheden daarom
koesteren en verdedigen. Een samenleving die dat niet begrijpt, is een
samenleving die niet alleen niet vrij is, maar het ook niet waard is om vrij te
zijn.
+Rob Mutsaerts