Pleidooi voor herstel van wat evident is

Ik ben een uitgesproken fan van G.K. Chesterton. Chesterton (1874–1936) was een Engels schrijver en denker die bekendstaat om zijn felle verdediging van traditionele moraal en christelijke waarden. Hoewel abortus in Chestertons eigen tijd niet legaal of wijdverspreid was zoals nu, sprak hij zich in zijn essays en boeken duidelijk uit over verwante themas: de waarde van elk menselijk leven, de heiligheid van het gezin, en de gevaren van moderne tendensen als individualisme en materialisme. In dit essay onderzoeken we hoe Chesterton zou reageren op moderne abortuswetgeving die het ongeboren kind geen rechtsbescherming biedt. Dit staat in schril contrast met het Romeinsrechtelijke principe van de curator ventris, waarbij destijds een voogd werd aangesteld om de belangen van een ongeboren kind te behartigen .

Chesterton vertrok altijd vanuit het idee dat ieder menselijk leven intrinsieke waarde en waardigheid heeft, als schepsel van God. In zijn tijd verzette hij zich krachtig tegen theorieën  over eugenetica en elke filosofie die bepaalde groepen mensen minder menselijk zou achten. Hij observeerde dat zulke ideeën hun voordelen” alleen kunnen behalen door een hele categorie mensen hun menselijkheid te ontzeggen . Waar eugenetici de ‘minderwaardigen’ ontmenselijkten, gebeurt bij abortus iets soortgelijks met een nog kwetsbaardere groep: de zwaksten en meest weerlozen mensen: de ongeborenen” . Chesterton zou benadrukken dat het ongeboren kind een volwaardig mens is, en hij benoemde abortus dan ook onomwonden als de afslachting van ongeboren mensen” . Dergelijk sterk taalgebruik laat zien dat hij abortus beschouwde als een directe aanslag op de menselijke waardigheid en het menselijk leven zelf.

Omdat Chesterton diep religieus was (hij bekeerde zich uiteindelijk tot het katholicisme), zag hij het leven – zelfs in de moederschoot – als heilig en door God gewild. Hij zou erop wijzen dat geen mens of instantie het recht heeft willens en wetens een onschuldig mensenleven te vernietigen. In navolging van de traditie geloofde Chesterton dat het recht op leven rechtstreeks van God komt voor ieder mens, ook voor het kind in de moederschoot, en dat geen enkele wereldse reden (of het nu medisch, sociaal of economisch is) zon vernietiging kan rechtvaardigen . Zijn morele verontwaardiging tegenover abortus komt voort uit dit principe. Zo hekelt hij een briefschrijver die pleit voor abortus om armoede te reduceren, door te zeggen dat deze man hoopvol” is over de massamoord op ongeboren mensen”, terwijl hij wanhopig” is over het idee om simpelweg lonen te verbeteren . Met bijtende ironie zegt Chesterton over zulke hervormers: Hij is hoopvol gestemd over vrouwelijke ontering, hoopvol over menselijke vernietiging” . Hieruit blijkt dat Chesterton abortus ziet als een beschavingsziekte, een gruwel die alleen kan worden toegestaan als we de fundamentele waarheid uit het oog verliezen dat elk mensenleven, hoe klein of kwetsbaar ook, oneindig waardevol is.

Voor Chesterton is het kind niet alleen een individu met waardigheid, maar ook een bron van betekenis voor ouders en de samenleving. Hij bezat een diep respect en bijna eerbied voor de wonderlijke vitaliteit van ieder kind. In zijn essay A Defence of Baby Worship” schildert hij hoe elke baby de wereld als het ware opnieuw schept: Met elke nieuwe baby wordt het hele universum opnieuw voor het gerecht gedaagd” . Het kind brengt een onbevangen verwondering mee die zelfs de grootste filosofen niet kunnen evenaren – “alsof met ieder van hen alle dingen opnieuw worden gemaakt”, schrijft hij, en het universum opnieuw op proef wordt gesteld” . Deze lyrische benadering onderstreept Chestertons overtuiging dat een nieuw kind een uniek en onherhaalbaar wonder is, een frisse herbevestiging van het leven die de volwassen wereld telkens weer op schokken zet.

Chesterton beschreef geboren worden zelfs als het hoogste avontuur”. In Heretics stelt hij: The supreme adventure is being born” - het grootste avontuur is geboren worden . Het betreden van de familiekring door geboorte vergelijkt hij met het binnengaan van een sprookje: Wanneer we onze intrede doen in het gezin, door de daad van geboren te worden, betreden we een wereld die onvoorstelbaar is. Met andere woorden, wanneer we het gezin binnengaan, betreden we een sprookje . Hieruit blijkt hoezeer hij de komst van een kind zag als iets bijna heiligs, vol mysterie en mogelijkheden. Het gezin zelf beschouwde hij als de hoeksteen van de samenleving en als een mini maatschappij” die haar eigen nieuwe burgers creëert en liefheeft . Een kind gaf voor Chesterton betekenis aan het ouderschap en verbond generaties: The child is an explanation of the father and mother, and the fact that it is a human child is the explanation of the ancient human ties”. Dat een ongeboren kind vandaag juridisch wordt behandeld alsof het geen kind of geen mens zou zijn, druist in tegen alles waarvoor Chesterton stond.

Ook in zijn kritiek op sociale misstanden nam Chesterton het op voor kinderen. In Eugenics and Other Evils bespotte hij het idee dat sommige kinderen ongewenst” zouden zijn.  Chesterton zou het volstrekt onaanvaardbaar vinden om het kind zelf op te offeren in naam van welvaart of kwaliteit van leven”. Dat modern beleid kiest voor het elimineren van ongeboren kinderen in plaats van het oplossen van sociale problemen, zou hij beschouwen als een omkering van alle recht en logica.

Chesterton stond kritisch tegenover veel aspecten van de moderniteit, vooral wanneer die botsten met eeuwige waarheden. Hij beschreef de modernistische mentaliteit eens als iemand die zoveel medelijden heeft met bijvoorbeeld dieren, dat hij bereid is mensenlevens te offeren; een griezelige omkering van waarden. Reeds in 1914 voorspelde Chesterton: Wherever there is Animal Worship, there will be Human Sacrifice.” (Overal waar dierenvergoding is, zal mensenoffer volgen) . Hiermee bedoelde hij dat een sentimentele moderne neiging om bijvoorbeeld abstracte idealen te aanbidden - rechten van de vrouw zijn in het geding, zegt men dan, terwijl het gaat over de rechten van het kind - vaak gepaard gaat met onverschilligheid of wreedheid jegens kwetsbare mensen. In de hedendaagse cultuur zien we echos hiervan: men kan meer verontwaardigd raken over dierenleed of milieu dan over de massale abortus van ongeboren kinderen. Chesterton zou zulke prioriteiten als krankzinnig bestempelen - een teken dat moderniteit haar morele kompas is kwijtgeraakt.

Een ander kenmerk van de moderne tijd dat Chesterton heftig bekritiseerde, is het extreme individualisme en materialisme. Hij zag dat mensen in naam van vrijheid” vaak juist zichzelf gevangen zetten in oppervlakkige genoegens. Nergens wordt dit duidelijker dan in zijn essay Babies and Distributism”, waarin hij spot met echtparen die geen kinderen willen om meer tijd en geld te hebben voor entertainment en luxe. Hij schrijft dat zijn minachting het kookpunt bereikt wanneer ik de veelgehoorde suggestie hoor dat men van een kind afziet omdat mensen vrijwillen zijn om naar de bioscoop te gaan of carrière niet in de weg te staan” . Het woord vrij” zet Chesterton hier nadrukkelijk tussen aanhalingstekens, want in werkelijkheid vindt hij dit helemaal geen werkelijke vrijheid. Wat maakt dat ik over zulke mensen als over deurmatten wil lopen, is dat ze het woord vrijgebruiken”.Bij elke daad van dat soort ketenen ze zichzelf juist aan het meest slaafse mechanische systeem dat de mensheid ooit heeft geduld” . In plaats van de creatieve levengevende vrijheid van het ouderschap te omarmen, onderwerpen ze zich aan wat Chesterton noemt de dwang van consumptie en technologie – aan carrières en modegrillen die hen door anonieme machten worden voorgeschoteld . Dit is een valse vrijheid, eentje waarin men zijn eigen diepste roeping (het doorgeven van leven) inruilt voor korte termijn pleziertjes.

Chesterton contrasteert die valse vrijheid met de echte vrijheid die een kind met zich meebrengt. A child is the very sign and sacrament of personal freedom,” verklaart hij; een kind is het teken én het sacrament van persoonlijke vrijheid . Het klinkt paradoxaal, want een kind zorgt immers voor verantwoordelijkheden en beperkingen voor de ouders. Maar Chesterton ziet het anders: een kind is een nieuwe wil, een fresh free will added to the wills of the world”, die ouders uit vrije wil op de wereld zetten en uit vrije wil beschermen . Het is hun eigen creatieve bijdrage aan de schepping – een unieke creatie die niet door enig sociaal meestersbrein” of technocraat is voortgebracht, maar door henzelf en door God . Dit nieuwe leven is bovendien veel mooier, wonderbaarlijker en verbazingwekkender” dan welke uitvinding of amusementsmachine de moderne beschaving ook kan produceren .

Dat moderne mensen deze wonderlijke gave durven afwijzen, ziet Chesterton als een symptoom van morele blindheid. Wanneer mensen niet langer voelen hoe bijzonder dit is, zijn ze alle waardering voor de primaire dingen kwijt; ze zijn elke zin voor verhoudingen kwijt,” waarschuwt hij . In ongewoon harde bewoordingen zegt Chesterton dat zulke mensen de allerlaagste droesem van het leven verkiezen boven de fonteinen van het leven” . Met andere woorden, ze kiezen voor de uitgeholde, herhaalde, futiele genoegens van een vermoeide consumptiemaatschappij, in plaats van voor de frisse levenskracht die een nieuw kind brengt. Dit is geen vooruitgang maar decadentie. Chesterton zag al in zijn tijd dat het zogenaamd progressieve” idee van geboortebeperking op een hellend vlak zou belanden: Birth control marcheert door de moderne staat en leidt de stoet van de menselijke vooruitgang van abortus naar kindermoord”, schreef hij schamper . Hiermee voorzag hij dat zodra men de ene grens (voorkoming van geboorte) overschrijdt, de volgende (vernietiging van bestaand leven) al in zicht komt, een voorspelling die akelig profetisch klinkt in het huidige debat over abortus en zelfs infanticide. Chesterton zou de moderne abortuscultuur dan ook zien als een verwording van echte vooruitgang: niet een triomf van keuzevrijheid, maar een trieste capitulatie voor egoïsme en wanhoop, vermomd als vrijheid”. Echte vrijheid staat altijd in dienst van het leven. Het is veelzeggend dat hij in Irish Impressions de kern van vrijheid zo samenvatte: the only object of liberty is life” . Vrijheid heeft geen zin als ze wordt aangewend om het leven te vernietigen; haar doel is juist het leven mogelijk te maken en te beschermen.

Chesterton geloofde dat menselijke wetten hun rechtvaardigheid ontlenen aan een hoger moreel besef, aan de morele natuurwetten van goed en kwaad die niet zomaar veranderlijk zijn. Wanneer een samenleving zulke fundamentele waarheden verloochent, loopt ze het gevaar om niet te evolueren maar te degenereren. Hij merkte ooit op dat beschavingen ten onder gaan zodra ze de meest voor de hand liggende dingen vergeten . Eén van die voor de hand liggende waarheden is dat het doden van onschuldige mensen kwaad is. In het geval van abortus lijkt de moderniteit precies dit evidente gegeven vergeten te zijn: namelijk dat een baby in de buik dezelfde bescherming verdient als een baby in de wieg. Chesterton zou erop wijzen dat het Romeinse recht, hoe heidens die beschaving ook was, tenminste het principe kende van de curator ventris, de voogd van de schoot” die benoemd werd om de rechten van het ongeboren kind te beschermen . Er waren wettelijke regelingen in vroegere tijden die getuigen van openbare belangstelling voor het leven van het kind in de moederschoot” en het positief recht reserveerde voor dat kind rechten”, bijvoorbeeld op erfenis en fysieke integriteit . Hoe ironisch, zou Chesterton constateren, dat de moderne wereld – die pocht op haar humaniteit en vooruitgang – het ongeboren leven mínder juridische erkenning geeft dan een oude heidense beschaving deed.

In Chestertons visie is een wet die het meest weerloze lid van de samenleving niet beschermt, geen rechtvaardige wet. Hij geloofde dat het gezag van de staat beperkt wordt door hogere morele wetten. Zo stelde hij dat wanneer de machtigen gaan beslissen wie er mag leven en wie niet, dit geen vooruitgang maar tirannie is: Eugenetica én abortus komen neer op de tirannie van een elite die beslist wie zal leven en wie zal sterven” . Die elite, zo voegde hij eraan toe, verschuilt zich vaak achter wetenschappelijke of economische argumenten, maar in wezen is het een kwestie van brute macht. In het geval van abortus ziet Chesterton een coalitie van de sterke tegen de zwakke: de volwassen individu (al dan niet gesteund door medische experts” of wetgeving) tegenover het stemloze kind. Dit druist in tegen Chestertons besef dat beschaving juist afgemeten wordt aan hoe zij de zwaksten beschermt. Hoe zwakker en hulpelozer het rechtssubject is, des te zwaarder weegt de plicht van allen om het te beschermen.

Voor Chesterton is het gezin de eerste en belangrijkste rechtseenheid, en het ongeboren kind is al deel van dat gezin. Het recht zou zich daar dienstbaar aan moeten opstellen, niet als heer en meester die beslist of dat nieuwe gezinslid mag leven. Hij zag al in zijn tijd tendensen waarbij de staat of de zogenaamde wetenschap” zich tot een afgod verhief ten koste van menselijke maat. Het is in de moderne wereld precies andersom: niet religie vervolgt de wetenschap, maar de wetenschap tiranniseert via de overheid”, schreef Chesterton in 1922 . Hij doelde daarbij op de eugenetica-wetgeving die toen opkwam, maar dezelfde redenering geldt voor abortuswetgeving. Een kille, materialistische logica - of het nu onder het mom van wetenschap, gezondheid of rechten van de vrouw gebeurt - die bepaalt dat een ongeboren kind geen persoon met rechten is, zou hij beschouwen als een vreselijke bureaucratische gruwel. Het is de triomf van wat hij spottend terrorisme door derderangs professoren” noemde: technocratische prietpraat die fundamentele morele intuïties ondermijnt .

Ten diepste zou Chesterton stellen dat geen enkel menselijk gezag het recht kan geven om een onschuldig mens opzettelijk te doden . Wetgeving die abortus toestaat, verstoort de wezenlijke verhouding tussen vrijheid en leven. Zoals eerder aangehaald verwoordde hij het zo: the only object of liberty is life” . Vrijheid die het ongeboren kind - het meest onschuldige leven denkbaar - niet beschermt, maar uitlevert, is in Chestertons ogen een vrijheid die haar doel en moraal heeft verloren. Hij zou de huidige situatie dan ook zien als een regressie vermomd als recht. Waar authentiek recht ooit de vox dei probeerde te volgen (het idee dat elk mens door God gegeven is), zendt modern positief recht over abortus de boodschap uit dat sommige mensenlevens er niet toe doen. Dit is niet alleen onrechtvaardig maar ook onredelijk. Het is het ultieme verlies van gezond verstand dat kenmerkend is voor veel van wat hij bij zijn modernistische tijdgenoten ‘ketterijen’ noemde.

Gezien het bovenstaande is het duidelijk dat Chesterton met scherpe afkeuring en morele verontwaardiging zou reageren op abortuswetgeving die ongeboren kinderen geen bescherming biedt. Op grond van zijn diepe respect voor menselijke waardigheid, zijn liefde voor het kind en het gezin, en zijn afkeer van modern egoïsme, zou hij zon wet als een teken van beschavingsverval bestempelen. Elke hoge beschaving vervalt door het vergeten van voor de hand liggende waarheden, en de waarheid dat een ongeboren kind een mens met rechten is, is juist zon evidente waarheid. Het uitwissen daarvan acht hij een gevaarlijk mystificatie. Chesterton zou de moderne wereld oproepen om haar morele kompas te hervinden. In plaats van zichzelf op de borst te kloppen om vermeende vooruitgang, zou hij de maatschappij een spiegel voorhouden: wat voor vooruitgang is het, als zelfs de meest weerloze niet meer veilig is in de meest natuurlijke haven: de moederschoot?

Uit Chestertons geschriften rijst het beeld op van een man die het opnam voor de kleinste, armste en meest kwetsbare mensen. Hij zag in het ongeboren kind niet een rechteloos hoopje cellen, maar a fresh free will”, een nieuw avontuur voor de mensheid, en een belofte dat de wereld door mag gaan . Het verlies van juridische erkenning voor dat jonge leven ervoer hij als een diepe schande. Hij zou waarschijnlijk met zijn kenmerkende combinatie van logica en sarcasme ageren: als de samenleving meent dat comfort en keuze zó absoluut zijn dat we babys mogen doden, waarom dan niet consequent zijn? Let all the babies be born. Then let us drown those we do not like,” schreef hij bitter, om de absurditeit van zon houding te laten zien . Natuurlijk is dat voorstel afschuwelijk, en precies dát is Chestertons punt: enkel een mystiek en moreel bezwaar weerhoudt ons ervan om geboren babys te verdrinken, en datzelfde bezwaar geldt voor het doden van ongeborenen .

Tot slot zou Chesterton ons herinneren aan de plicht om het gezin en het leven te verdedigen tegen dergelijke aanvallen. Er is een aanval op het gezin; en het enige wat je met een aanval moet doen is terugvechten.” Hij zou het verlies aan rechtsbescherming voor het ongeboren leven zien als onderdeel van die aanval op het gezin en op de menselijke waardigheid. Zijn oordeel zou geen twijfel laten: moderne abortuswetten zijn kwaadaardig, onrechtvaardig en in strijd met het gezond verstand en met het natuurrecht. Alleen door terug te keren naar wat hij de obvious things” noemde - de evidente waarheid dat elk mensenleven, vanaf de conceptie, een geschenk van onschatbare waarde is - kan onze samenleving weer gezond verstand en rechtvaardigheid hervinden. In Chestertons ogen is het ongeboren kind immers niets minder dan Gods opinie dat de wereld moet doorgaan. Het is aan ons rechtsgevoel en onze wetgeving om die opinie te bevestigen en te verdedigen.

 

+Rob Mutsaerts

Waar komen toch ineens die Nieuwe Katholieken vandaan?

Wat is de verklaring voor dit fenomeen: jongeren - en dan vooral jongens - die uit een seculiere omgeving komen en toch de weg naar de katholieke kerk en het doopsel vinden: de Nieuwe Katholieken?

Chesterton zegt in Orthodoxy dat de moderne mens alles mag behalve zichzelf echt gelukkig prijzen. De moderne seculiere wereld belooft vrijheid, maar die vrijheid blijkt vaak leeg en zinloos. Jongeren die in een volledig seculiere cultuur opgroeien, worden overspoeld met keuzes, oppervlakkige prikkels en een soort doelloze autonomie. Chesterton noemt dat het vervelen in het paradijs: je mag alles, maar niets betekent iets.

Juist jongeren die nooit religie hebben gekend, voelen scherper de dorst naar betekenis en mysterie. De kerk - met haar rituelen, paradoxen en diepe symboliek - biedt hen precies dat wat hun wereld niet kan bieden: waarheid die boven hen uitstijgt. Een soort verlangen van de ziel naar de bron. Dat verlangen kun je ontkennen of onderdrukken, het is nooit helemaal verdwenen

Chesterton zag het geloof - en vooral het katholieke geloof - als een groot avontuur, een queeste, een strijd om het goede, het ware en het schone. Hij schrijft in The Everlasting Man dat het christendom niet zachtjes wegvlucht in sentimenteel idealisme, maar de harde strijd om de ziel aangaat, precies zoals een ridder ten strijde trekt.

Waarom zijn het vooral jongens die zich aangetrokken voelen tot de katholieke kerk. Dat is niet alleen in ons land zo, uit enquetes blijkt dat ook het geval in Engeland en Frankrijk. Wat kan daar de verklaring voor zijn? In een wereld waar jongens vaak opgroeien zonder helden, zonder echte beproevingen of strijd (hun strijdis vaak virtueel of betekenisloos), herkennen ze in het christendom een werkelijke arena: een leven met regels, risico, opoffering, strijd tegen zonde, en zelfs de belofte van martelaarschap. Dat spreekt juist jongens aan, omdat het appelleert aan hun verlangen naar een hogere missie. Dat heeft zelfs Hollywood inmiddels ondervonden.

Disney en Marvel hebben de laatste jaren - ruwweg vanaf 2019 - zichtbaar gekozen voor meer inclusiviteit en diversiteit in hun films en series: Sterkere, meer prominente vrouwelijke hoofdpersonages (bijv. The Marvels, She-Hulk, Ahsoka, Snow White-remake);  personages van kleur op plaatsen waar vroeger vrijwel altijd blanke personages stonden; sprookjesfiguren en helden met LGBTQ+, of aangepaste culturele achtergronden; en bestaande (mannelijke, blanke) personages worden vervangen door vrouwelijke of door minderheden (bijv. Jane Foster in Thor; Iron Man wordt Ironheart in comics/MCU).

De reacties hierop waren sterk verdeeld: progressieve media prijzen de stappen als broodnodig en verfrissend, eindelijk herkenning voor bredere groepen mensen. Anderzijds spreken critici over woke propaganda” en verwijten Disney/Marvel dat ze verhalen ondergeschikt maken aan ideologie en dat de karakters vlak en moralistisch worden. Het publiek liet het in ieder geval massaal afweten. The Marvels (2023) werd een van de grootste flops van MCU. Een jaar eerder verwachtte Disney een miljardenhit met Lightyear, maar de bezoekers bleven massaal weg. Evenals Lightyear zorgde ook Pixar-productie  Elemental voor het  slechtste Pixar-openingsweekend ooit. Ook hier kritiek op woke” keuzes (zoals een lesbische kus). En de live-action remake van Sneeuwwitje ging nog vóór de release ten onder aan controverse door casting en interviews over feministische herschrijving en dwergen die vervangen zijn door een diverse groep ‘magische wezens’, nadat in eerdere opnameshoots de zeven dwergen vervangen waren door zeven genders.

In de moderne cultuur leert men dat vrijheid betekent: doen wat je wilt. Maar Chesterton wijst erop dat echte vrijheid pas bestaat binnen een orde die groter is dan jezelf, zoals je pas vrijuit piano kunt spelen als je je vooraf onderworpen hebt aan de discipline opgelegd door je pianodocent. De katholieke kerk, met haar geboden, dogmas en sacramenten, biedt geen vrijblijvende vrijheid, maar een vrijheid die je juist bereikt door je over te geven.

Voor jongeren (en vooral jongens), die misschien moe zijn van doelloze autonomie, kan dit juist bevrijdend werken. Juist in een seculiere wereld ontdekken jongeren (en jongens in het bijzonder) dat de kerk geen verstikkende moraal is, maar een avontuur vol paradoxen: orde en vrijheid, strijd en vrede, gehoorzaamheid en koninklijke waardigheid. De leegte en verveling van seculiere vrijheid drijft hen naar iets diepers. Jongens herkennen in de kerk het avontuur, de strijd en de ridders. De paradox van gehoorzaamheid als voorwaarde voor echte vrijheid spreekt hen kennelijk aan.

Jongeren, je hoort van zoveel pastoors, ze duiken zomaar uit het niet op. Ze komen, elk op hun eigen manier, maar altijd op zoek naar betekenis, naar waarheid, avontuur en een Thuis. De moderne mens is als iemand die geboren wordt in een paleis en het paleis onmiddellijk vergeet. Hij zwerft door bossen, kruipt door de kelders en begint op de muren te kalken: Hier begint mijn vrijheid! Maar diep vanbinnen blijft het heimwee knagen, al weet hij niet meer wat hij mist. Zo ook met deze jongeren. Zij zijn opgegroeid in een volledig seculiere wereld, een wereld zonder God, zonder liturgie, zonder kaders, en die wereld belooft hen vrijheid, maar geeft hen leegte. Ze kunnen alles kiezen, en toch voelt niets betekenisvol. Je kunt van festival naar festival stuiteren, maar het gemis blijft. Want de zin van vrijheid is niet dat je kunt kiezen wat je wilt, maar dat je weet waarvoor je leeft. En dat waarvoor” vinden ze niet op Netflix, datingapps, influencer-filosoofjes en festivals.

En dan ,plotseling, op nauwelijks traceerbare wijze, ontdekken ze de kerk. De kerk is voor hen iets nieuws én iets oerouds. Het is als een geheimzinnig boek in een bibliotheek vol triviale doktersromannetjes. Het is vreemd, en toch geloofwaardig.

Nogmaals, waarom vooral jongens/jonge mannen? Wellicht omdat jongens van een avontuur te houden. Hun leefwereld heeft bijna louter het vrouwelijkegekoesterd (gevoel, empatisch, zorg, nurtering, zachtaardig), maar het mannelijkeontkracht: strijd, discipline, orde, en het verlangen om iets te dienen dat groter is dan jezelf, kortom ze zijn avontuurlijk ingesteld. Voor jongens, die diep vanbinnen nog altijd ridder, veroveraar, en pelgrim willen zijn, is de kerk - met haar geestelijk strijders, haar heiligen en heroïsche martelaren, haar strijd tegen het kwaad - een uitdaging.  Hun omgeving zegt: ‘Doe maar waar je zin in hebt’. De kerk zegt: zelfbeheersing, kniel, offer op, en wees trouw. De eerste boodschap leidt tot verlamming; de tweede tot avontuur.

Het simpele feit dat de katholieke kerk nog iets eist en iets belooft is volgens mij de sleutel. De kerk belooft een avontuur: de pelgrimstocht naar heiligheid. De kerk eist discipline: niet wat je voelt, maar wat je moet doen. De kerk onthult een geheim: dat je pas ontdekt door je over te geven aan Iemand anders. Dat avontuur, die strijd, die paradox is aantrekkelijk voor jongeren die alles al gehad” hebben, en erachter komen dat het niks was. Het is aantrekkelijk omdat het hen een speurtocht biedt. Geen vrijblijvende zelfexpressie, maar een missie. Geen soft nihilisme, maar een groot verhaal waarin ze ridder, pelgrim, en zoon kunnen zijn. De jongeren die vandaag de kerk binnentreden lijken op rebelse zonen, maar in werkelijkheid ontdekken zij het enige echte verzet tegen de sleur van de moderne wereld. Want wie vandaag katholiek wordt, is geen meeloper; hij is een rebel in een wereld die niets meer durft te geloven.

+Rob Mutsaerts

Een prettig gesprek met een atheïst.

Silva Ducis, een gezellig café aan de Parade in de hertogstad, schuin tegenover de Sint Jan, op een zonnige namiddag.  Daar zitten we dan: Johan, de rationele betweter, de man die deugt en tegelijk ongemanierd is. Hij is van mening dat de Bijbel een sprookjesboek is, dat geloof nergens op gebaseerd is. Hij brengt de tijd liever door met bluesmuziek. Naast hem ben ik aangeschoven. Johan drinkt koffie, voor mij staat een prachtige Trappist dubbel.

RM: Op je gezondheid! Op God en op goed bier!

Johan: (grijnzend, tikt zijn koffiekop tegen mijn glas) Op het bier wil ik best drinken, maar laten we God erbuiten laten. Die heeft deze Trappist niet gebrouwen, hoor. Monniken misschien, maar niet Onze Lieve Heer zelf.

RM: Toch wel, op een bepaalde manier. Uiteindelijk heeft Hij gerst en water gemaakt, en zelfs de brouwer die het recept bedacht. Zonder God geen bier, geen café, geen gesprek tussen ons tweeën.

Johan: Haha, dat is wel een heel creatieve manier om God toch stiekem overal de eer voor te geven. Straks zeg je nog: als er geen God bestond, zouden er geen atheïsten zijn.

RM: Dat is ook zo. Ik meen het echt. Kijk, het feit dat jij jezelf atheïst noemt, betekent dat je je definitie ontleent aan iets dat je ontkent. Zonder een idee van God, waar zou je dàn niet in geloven?

Johan: Tja, ik zou mezelf misschien gewoon een vrijdenker noemen. Feit blijft: ik zie geen greintje bewijs voor het bestaan van een godheid. De wereld om ons heen functioneert prima zonder bovennatuurlijke aannames.

RM: Functioneert de wereld echt prima? Je kijkt naar deze werkelijkheid en ziet alleen een machine die loopt?

Johan: Ik zie een prachtig universum vol natuurwetten. Geen machine, eerder een groot kosmisch spel van oorzaak en gevolg. Geen aanwijzing dat er een regisseur of poppenspeler achter de schermen zit die de touwtjes in handen heeft.

RM: Maar ook een spel heeft spelregels. En regels veronderstellen een bedenker of op zn minst een scheidsrechter. De natuurwetten die jij roemt - zwaartekracht, lichtsnelheid, noem maar op - zijn opmerkelijk consistent, bijna alsof iemand het netjes zo heeft afgesteld.

Johan: (met een spottende glimlach) Zoals een keurig Zwitsers horloge, zeker? Luister, we hebben wetenschappers als Newton en Darwin gehad die lieten zien dat je geen bovennatuurlijk handje nodig hebt om orde uit chaos te krijgen.

RM: Orde uit chaos, zeg je? Wat een wonderlijk toeval! Je citeert de Bijbel. Nou ja, bijna dan Er moet licht zijn!” - en er wás licht. Alleen zeg jíj dat het licht vanzelf aanknipte zonder dat iemand bij de schakelaar omzette. Newton was overigens een gelovig man.

Johan: Wetenschap toont aan dat complexiteit kan ontstaan uit eenvoud. Evolutie bijvoorbeeld verklaart hoe het leven zich ontwikkeld heeft; daar is geen goddelijke interventie voor vereist.

RM: Ik heb nooit een slecht woord gezegd over echte wetenschap. Integendeel, ik bewonder haar. Een goede detective weet sporen te lezen. Elke echte wetenschapper is als een speurder die uitzoekt hoe de misdaad is gepleegd, of in dit geval wat er aan het ontstaan van alles vooraf gegaan is. Maar zelfs de beste detective beantwoordt slechts de vraag hoe iets is gebeurd, niet per se waarom.

Johan: (fronst) Waarom”,  bedoel je daarmee de oorzaak van ons bestaan? Daar moeten we misschien het toeval als antwoord accepteren. Niet bevredigend, maar wel eerlijk.

RM: Toeval als ultieme verklaring? Dat vind ík pas een sprookje. Je noemt mijn geloof een sprookje, maar gelóóft dat het grootste meesterwerk - het heelal en het leven zelf - zomaar per ongeluk is ontstaan. Dat is alsof je denkt dat er een explosie in een drukkerij plaatsvond en de rondvliegende letters toevallig een spannend verhaal vormden.

Johan: Nou, zo zou ik het niet stellen… Er is natuurlijke selectie aan het werk, geen blinde greep in bakken met letters. Maar goed, ik begrijp je punt: jij ziet bedoeling waar ik toeval zie.

RM: Yep. Ik zie bedoeling, ontwerp, een verhaal. Voor mij is de wereld als een boek vol betekenis, en een boek wijst op een auteur.

Johan: Interessant beeld, maar als de wereld een boek is, is het dan niet een nogal chaotisch verhaal? Sommige hoofdstukken zijn ronduit gruwelijk.

RM: En daar raken we een gevoelig hoofdstuk: het kwaad in de wereld, het lijden, al die gruwelen. Je hebt gelijk, dat is het moeilijkste deel van ons verhaal.

Johan: Inderdaad. Dáár zit ik altijd mee: als er een almachtige en goede God bestaat, waarom is er dan zoveel leed? Oorlogen, ziekte, onschuldigen die lijden. Dat lijkt me een sterke aanwijzing tégen een liefhebbende schepper.

RM: (peinzend starend in het donkerbruine bier) Het ís ook een kwellende vraag. Elke gelovige worstelt ermee, ik net zo goed. Maar laat me een gedachte met je delen: we noemen deze dingen ‘kwaad’ en ‘leed’, met andere woorden, we herkennen ze als dingen die niet zouden moeten zijn.

Johan: Uiteraard, omdat ze negatief zijn voor bewuste wezens zoals wij. Dat is een menselijke waardebeoordeling.

RM: Maar waarom voelen we zo sterk dat het niet hóórt? Als de wereld puur natuur is - alleen maar materie, neutraal en onverschillig - waarom zouden we ons dan verontwaardigd voelen over onrecht? Een steen stoort zich niet aan een andere steen die naar beneden rolt. Een tijger voelt geen moreel berouw als hij een hert verscheurt. Alleen wij, mensen, roepen ‘dit mag niet!’ Alsof ergens een hoger moraalwetboek bestaat dat overtreden is.

Johan: We hebben als denkende wezens empathie en verstand ontwikkeld – een besef dat we elkaar nodig hebben. Moraal is een sociaal contract, ingegeven door evolutie omdat samenwerken handig is. Daar heb je geen kosmische rechter voor nodig.

RM: Zeker, samenwerking is nuttig. Maar mensen prijzen juist vaak morele daden die niet nuttig zijn voor henzelf. En we keuren daden af, zelfs al komen de daders ermee weg. Het voelt soms echt alsof er een onzichtbare scheidsrechter is die fluit bij overtredingen, zelfs als er geen publiek is.

Johan: Je bedoelt geweten? Dat is gewoon iets dat ons brein voortbrengt, gevormd door miljoenen jaren evolutie.

RM: Misschien. Maar waarom bewonderen we iemand die het juiste doet tégen zijn eigenbelang in? En waarom walgen we van wreedheid, zelfs als de wrede sterk staat en wint? In de natuur geldt het recht van de sterkste, de ‘survival of the fittest’. Maarr is íets in ons dat schreeuwt dat goed en kwaad écht bestaan, niet louter als voorkeur of handig samenlevingscontract.

Johan: Toch blijft het probleem staan: als er een goede God is die al het kwaad háát, waarom grijpt Hij dan niet in? Waarom zoveel ellende toestaan door de geschiedenis heen?

RM: Ja, dat is de grote vraag. Misschien - zo stel ik me voor - omdat God geen marionettentheater wilde. Hij schiep wezens met een eigen wil, die het goede kunnen kiezen… of het kwade. Vrijheid is een riskant cadeau. Je kunt een kind een doos stiften geven om mooi mee te tekenen, maar hij kan er ook het behang mee bekladden.

Johan: Maar als dat kind vervolgens brand sticht, zou je toch ingrijpen?

RM: God hééft ingegrepen, zou een katholiek zeggen, door op een beslissend moment zélf het toneel te betreden in de persoon van Jezus. Niet om onze vrije wil af te pakken, maar om ons het ultieme Goede te laten zien, zelfs te midden van ons kwaad.

Johan: Dat klinkt mooi, maar ondertussen is de wereld nog steeds een bak ellende.

RM: Zeker. Het christelijke verhaal zegt dat de strijd nog gaande is. Kwaad is als een opstandeling: aanwezig, maar niet legitiem. Ik zie het zo: we noemen iets kwaad juist kwaad omdat we een besef hebben van een betere wereld, van een soort verloren paradijs op de achtergrond waartegen het kwaad afsteekt.

Johan: Je dicht de mensheid wel erg veel intuïtieve herinnering aan een paradijs toe, vind je niet?

RM: Misschien wel. Maar sta eens stil bij je eigen verontwaardiging. Jij gelooft niet in een hemel, en toch voel je dat er iets niet klopt aan de wereld. Alsof er iets gebroken is dat ooit heel geweest is en weer geheeld moet worden. Dat gevoel hebben gelovigen én ongelovigen. Vreemd, nietwaar? Heimwee hebben naar een thuis waarvan je beweert dat het nooit heeft bestaan.

Johan: (zwijgt, staart in zijn koffie) Hmm. Zo had ik het nog niet bekeken. We voelen inderdaad dat de wereld beter zou moeten zijn dan hij is.

RM: Precies. Dat morele heimwee is een oerinstinct, een aanwijzing. Net als een prachtig schilderij met een lelijke vlek: die vlek stoort ons omdat de rest van het schilderij duidelijk mooi bedoeld is.

Johan: Aardige metafoor. Maar vind je niet dat je hierin misschien wel erg veel leest? Je gebruikt veel beeldspraak en poëzie om iets te verklaren waarvoor simpelweg geen bewijs is.

RM: Maar misschien heeft de waarheid een poëtisch hart. Jij eist harde bewijzen, concrete feiten. Die zijn belangrijk, maar niet alles. Is er volgens jou dan niets dat je niet onder een microscoop kunt leggen, maar toch echt bestaat? Je kunt niet met microscoop de betekenis van een bluesnummer aantonen, en tóch heeft het betekenis.

Johan: We dwalen nu af. Ik begrijp je punt: de wetenschap is beperkt tot het meetbare. Maar het meetbare is nu eenmaal al wat we zeker hebben.

RM: Zijn we daar zo zeker van? Zelfs het vertrouwen van je eigen redenatie is uiteindelijk een sprong in het onbekende. Als ons denken louter een chemisch proces is in onze hersenen, waarom zou het ons dan ooit naar de waarheid leiden? We vertrouwen erop dat logica universeel geldt, dat 2+2 overal en altijd 4 is. Dat vergt eigenlijk al een vleugje geloof: een vertrouwen dat het universum rationeel en begrijpelijk is.

Johan: Maar dat is toch precies wat de wetenschap aantreft: een rationeel, consistent universum. Daar is geen geloof voor nodig, dat zien we gewoon.

RM: We zien het, ja, maar we hadden evengoed in een chaotisch universum zonder orde kunnen leven. Het is net of ons verstand als sleutel precies past op het slot van de werkelijkheid. Ik noem dat geen toeval, maar een wonderlijke afstemming tussen onze geest en een rationele schepping.

Johan: Of we zijn gewoon geëvolueerd om patronen te herkennen in een kosmos waar eigenlijk geen bedoeling achter zit, en noemen die illusies dan ‘rede’ of ‘ordening’.

RM: Je klinkt nu bijna als de man in het gekkenhuis die beweert dat alles een complot is tegen hem. Hij ziet overal patronen die er niet zijn en wijst elke andere verklaring af. Begrijp me niet verkeerd, ik wil je niet beledigen - je bent heel rationeel - maar een al te enge blik kan ons net zo goed opsluiten als waanzin.

Johan: (verontwaardigd) Wacht eens, hoor ik het goed? Je vergelijkt mijn atheïsme met krankzinnigheid?

RM: Helemaal niet. Ik zeg alleen: iemand die alléén nog gelooft wat hij in zijn kleine kamertje kan bewijzen, timmert de ramen van dat kamertje dicht. Alles klopt dan misschien binnen die vier muren, maar er komt geen frisse lucht meer in. Een beetje openheid voor het onbekende kan geen kwaad.

Johan: Verwondering heb ik ook wel, hoor. Als ik naar de sterrenhemel kijk, voel ik me onderdeel van iets groots. Maar niets zegt me dat dat ‘groots’ een wezen is of een bedoeling heeft. Het heelal is schitterend, ook zónder God.

RM: De sterrenhemel ís schitterend, daarover zijn we het eens. Alleen zie ik er misschien een kunstwerk in, waar jij alleen de verf en het doek ziet. Het geeft mij zowel troost als vreugde om in die fonkelende kosmos de handtekening van een Maker te lezen.

Johan: Troost, ja. Ik denk dat dáár veel religie uit geboren wordt: mensen zoeken houvast in de gedachte dat er Iemand is die over hen waakt, dat het uiteindelijk goed komt, dat lijden zin heeft… Emotioneel begrijpelijk. Maar is het wáár? Dat blijft mijn struikelblok.

RM: (zacht) Dat begrijp ik. Jij wil oprecht weten of het waar is. Ik ook. We verschillen alleen in wat we aannemelijk vinden. Jij verwerpt alles wat je niet kunt bewijzen; ik aanvaard dat sommige grote waarheden zich niet onder een microscoop laten leggen.

Johan: Zoals het bestaan van God.

RM: Precies. Als God bestaat, is Hij de bron van alles. Zoeken naar God met een verrekijker is als een personage in een roman die met een loep de auteur probeert te vinden door de letters op de pagina te bestuderen. Je zult de schrijver niet letterlijk aantreffen tussen de regels, tenzij hij zichzelf als karakter heeft opgevoerd. Christenen geloven dat dát gebeurd is, maar dat voert misschien te ver voor vanmiddag.

Johan: Mooie vergelijking, dat moet ik toegeven. Al ben ik als personage nog niet overtuigd dat er een Auteur is.

RM: Je bent een taaie scepticus, vriend, en dat kan ik waarderen. Je houdt me scherp.

Johan: Vertel eens eerlijk, bisschop, heb jij nooit getwijfeld? Je klinkt zo zeker van je zaak, en je blijft er vrolijk bij, bijna jaloersmakend. Maar heb je nooit momenten gekend dat je dacht: wat als het allemaal verbeelding is?

RM: (kijkt peinzend voor zich uit) Niet meer, eigenlijk. Ik ontdek meer en meer dat het geloofwaardig is. Het is wel nodig dat je je verstand blijft gebruiken. Ik ben ook maar een mens, geen heilige. Maar elke keer als ik bijna verzonk in zinloosheid, gebeurde er iets kleins - een grap van een vriend, het gekwetter van de vogels s ochtends, of gewoon de geur van spek bij het ontbijt - dat me herinnerde aan het simpele wonder van bestaan. Dan besefte ik weer: ondanks alle ellende is er zóveel dat mooi is, dat niet hoéft te bestaan en er toch is. Voor mij wijst dat alles uiteindelijk terug naar Iemand; ja, inderdaad met een hoofdletter.

Johan: Het aloude “er moet meer zijn tussen hemel en aarde”. Shakespeare had het er al over.

RM: Precies. Noem het hoop, noem het geloof. Voor mij voelt het als thuiskomen bij een waarheid die al die tijd zachtjes in mijn binnenste fluisterde. Ik heb die niet zelf bedacht. Het was er altijd al en ik heb het ontdekt. En ik zie mijn geloof ook niet als het einde van alle vragen, eerder als een avontuurlijke weg vol paradoxen en mysteries. Zoals een lantaarn die genoeg licht geeft om de weg te zien, maar de verte in duisternis laat, zodat elke bocht een verrassing blijft.

Johan: Je maakt er bijna poëzie van, bisschop. Ondanks mijn scepsis zie ik er wel iets moois in.

RM: Ach, uiteindelijk zou ik willen dat je niet alleen de schoonheid, maar ook de waarheid ervan ooit zult proeven. Maar dat is een pad dat ieder voor zich moet bewandelen.

Johan: Misschien, ooit. Voorlopig blijf ik liever bij de zekerheden van feiten en logica. Toch… je hebt me vanavond stof tot nadenken gegeven, dat moet ik toegeven.

RM: En jij mij ook! Je herinnert me eraan dat geloof niet vanzelfsprekend is en telkens opnieuw doordacht mag worden. Daar drink ik op.

Johan: Nou, prima, laten we nog één rondje nemen. Op vriendschap, dan maar?

RM: Op vriendschap. En op de waarheid. Proost. Ik houd alvast een plekje voor je vrij in de kerkbank, voor het geval dát.

Johan: (lachend) Altijd die laatste uitnodiging! Je geeft niet op, hè?

RM: Nooit. Het is te zeer de moeite waard! Ooit zul je misschien tot de vrolijke ontdekking komen dat het universum geen bij elkaar gewaaid toeval is, maar een hemels verhaal. Als dat gebeurt trakteer ik op een pint.

Johan: We zullen zien, mijn vriend. Tot die tijd blijf ik je kritische tegenstander. Met plezier overigens.

RM: En ik jouw paradoxale praatgenoot. Ook met genoegen.

 

+Rob Mutsaerts

Open brief aan onze jongeren

Open brief aan onze jongeren

Rebellie tegen de leegte

Beste jongeren, laten we eerlijk zijn: we leven in een tijdperk dat alles in twijfel trekt, behalve de twijfel zelf. Jullie worden overspoeld door stemmen die beweren dat er geen absolute waarheid bestaat, dat je vooral open-minded” moet zijn en niets definitief moet aannemen. Maar louter een open geest hebben is op zichzelf niets . Bovendien horen jullie wellicht dat vrije gedachte” het hoogste ideaal is van de moderne mens. Toch wordt wat tegenwoordig vrije gedachte heet vaak juist gewaardeerd omdat het vrijheid ván denken is -  een soort zorgeloze afwezigheid van echte diepgang . Het resultaat? Een kakofonie van meningen, maar weinig houvast. Geen wonder dat velen van jullie zich soms verloren voelen in relativering en zinloze drukte.

Toch merk je te midden van deze verwarring een diepere honger in jezelf. Onze tijd gaat van crisis naar crisis, en dat schept een zekere hopeloosheid, die paradoxaal genoeg jongeren aanspoort te zoeken naar iets dat groter is dan het nu” . Velen van jullie stellen de vraag: Wie ben ik, waarom besta ik eigenlijk?”, indringende vragen waarop steeds meer jongeren proberen een antwoord te vinden. Deze spirituele zoektochten zijn geen zwaktebod maar een stille rebellie tegen de leegte.

Ik begrijp jullie scepsis en verwarring. Jullie leven in een wereld die cynisch lacht om geloof en waar twijfel de mode is. Maar onthoud dit: juist het feit dát jullie verlangen naar waarheid en zin niet is afgestompt, bewijst dat er iets in jullie leeft dat zich niet laat sussen met oppervlakkigheid. Dat verlangen is geen dwaasheid; het is de eerste stap van een wonderlijke reis, misschien wel richting dat aloude katholieke geloof dat men zo vaak heeft afgedaan als achterhaald”.

We horen vaak dat de moderne wereld zich rationeel” noemt en neerkijkt op geloof alsof het bijgeloof zou zijn. Maar hoe ironisch: dezelfde wereld gelooft gretig in de laatste hypes en trends, terwijl de katholieke Kerk al eeuwenlang zowel het denken als het mysterie omarmt. Simplistische sceptici doen alsof juist de Kerk een kloof schiep tussen rede en religie, terwijl het in werkelijkheid de Kerk was die als eerste probeerde rede en geloof te verenigen . Hier wordt niet van je gevraagd je verstand uit te schakelen; integendeel.

Sterker nog, katholiek worden is niet ophouden met denken, maar leren hóé te denken . De waarheid sterft niet wanneer je je aan een geloofswaarheid committeert; zij krijgt juist vorm en betekenis. De katholieke traditie daagt je uit tot stevig doordenken. Ze bewaart de logica van Thomas van Aquino naast de mystieke visioenen van een Theresia. Ze leert ons dat de menselijke rede een godsgeschenk is, bedoeld om de waarheid te zoeken. En ze waarschuwt ons tegelijk dat we niet moeten vervallen in de vernederende slavernij” om enkel een kind van onze eigen tijd te zijn – want elke generatie heeft haar blinde vlekken, en de eeuwige wijsheid van de Kerk beschermt ons juist tegen de modegrillen van het moment.

Bedenk ook dat dit geloof doordrenkt is van vreugdevolle ernst. Het christendom is geen saaie verzameling regels, maar een liefdesverhaal vol paradoxen en levendige beelden. In de Rooms Katholieke Kerk leren we onszelf niet te serieus te nemen, terwijl we de waarheid juist uiterst serieus nemen. Er ligt een diep geheim in die ogenschijnlijk tegenstrijdige houding van blijmoedige plechtigheid. De katholieke traditie kent feestdagen en vasten, devotie én humor. Ze nodigt ons uit tot lachen en loven. Het geloof brengt de ziel tot rust in de waarheid, maar ook in beweging door verwondering. Het is geen keten om de geest te binden, maar een sleutel die deuren opent naar nieuwe horizonnen van denken en beleven.

Laat mij een beeld schetsen. Stel je een ontdekkingsreiziger voor die met een klein jacht de wereldzeeën afvaart op zoek naar een onbekend eiland. Hij trotseert stormen, volhardend op zoek naar iets groots en nieuws. Uiteindelijk zet hij triomfantelijk voet aan land om tot zijn verbijstering te beseffen dat hij zijn thuisland heeft ontdekt, alsof het een nieuw eiland in de Atlantische oceaan was . Wat is er heerlijker dan in één enkel avontuur zowel alle opwindende gevaren van een verre reis te ervaren als de warme zekerheid van thuiskomen? Dit laat zien hoe wonderlijk het is om het vertrouwde opnieuw als nieuw te ontdekken. Zo gaat het met iemand die de katholieke waarheid vindt: je begon misschien op een wilde zoektocht naar zin en waarheid als iets totaal nieuw, en je eindigt met het gevoel thuis te komen bij iets oerouds dat al die tijd op je wachtte.

Jullie diepste verlangens vinden hun vervulling in de schoot van deze traditie. Het verlangen naar waarheid vindt hier een haven: de geloofsleer is geen verzameling willekeurige dogmas, maar een betrouwbaar kompas voor de ziel. De hunkering naar het goede vindt hier voedsel: de katholieke moraal - hoe impopulair ook - biedt een pad naar echte deugd en menselijke waardigheid, gesteund door genade en omringd door het voorbeeld van heiligen zoals Carlo Acutis en Pier Giorgio Frassati, echte heiligen voor onze tijd en onze jongeren. In je zoektocht naar gemeenschap tref je hier een familie aan: wanneer je de Kerk binnentreedt, betreed je een levend Lichaam, een wereldwijde gemeenschap waarin je werkelijk gekend en bemind mag worden.

Bovendien sta je in de Kerk nooit alleen. Je staat zij aan zij met gelovigen van nu, met jongeren van nu én omringd door een menigte van hen die je voorgingen. De traditie geeft zelfs aan de stemlozen van vroeger een stem. De ”moderne” mens van vandaag mag zich niet verbeelden dat alleen hij de waarheid in pacht heeft; wie in de traditie staat, neemt deel aan een eeuwenoud gesprek over waarheid en mens-zijn. En juist jij mag nu deel uitmaken van die grote familie die tijd en ruimte overstijgt, van Rome tot aan de verste uithoek, van Petrus tot aan de jongeren in je eigen parochie.

Misschien heb je nog je twijfels. Misschien voel je nog weerstand - dat is begrijpelijk. Op het moment dat je ophoudt ertegen te vechten, voel je je er juist naartoe getrokken; zodra je eerlijk naar de Kerk luistert, ga je haar zelfs waarderen . Probeer het maar eens. Velen die kritisch en argwanend begonnen, hebben dit zelf ondervonden. Velen die onbevangen begonnen eveneens. Hoe meer ze met een open hart zochten, hoe meer ze erachter kwamen dat juist hier de vervulling lag van wat ze zochten. Het katholieke geloof bleek geen archaïsch rariteitenkabinet, maar een schatkamer vol levende waarheid, goedheid en schoonheid die hen persoonlijk aansprak.

Jullie verlangen heeft hier zijn bestemming gevonden. Jullie dorst naar waarheid, jullie dorst naar het goede, jullie roep om gemeenschap - niets van dit alles is tevergeefs. Integendeel, ze krijgen respons in de katholieke traditie: een geloof dat groter is dan wijzelf, en toch intiem ons eigen thuis kan worden.

Nu komt het aan op moed. De weg van het geloof is geen makkelijke weg; het is een pad voor dappere zielen. Een katholiek is simpelweg iemand die de moed heeft gevat om onder ogen te zien dat er iets bestaat dat wijzer en groter is dan hijzelf . Dat vergt nederigheid, zeker, maar juist nederigheid is de hoogste vorm van realisme. Het christelijk ideaal is nooit getest en tekortgeschoten; het is veeleer te moeilijk bevonden en daarom onbeproefd gelaten . Met andere woorden: het geloof daagt ons uit boven onszelf uit te stijgen. En ja, dat kost inspanning en offers. Maar het is de moeite oneindig waard, want het brengt ons tot het ware, het goede en het schone waarvoor onze ziel gemaakt is.

Daarom roep ik jullie op: heb moed, en behoud je verwondering. Durf te zwemmen tegen de stroom van cynisme in. Durf te geloven dat er waarheid bestaat die je kúnt vinden. Laat de wereld om je heen maar zeggen dat niets ertoe doet – jullie weten diep vanbinnen dat iets ertoe doet, Iemand ertoe doet. Wees als ontdekkingsreizigers die vol vertrouwen de koers zetten naar dieper water, wetend dat er een vast land onder hun voeten wacht. Wees licht van hart en standvastig van ziel; neem jezelf niet té serieus, maar neem de roep van de waarheid des te serieuzer.

Jullie avontuur staat nog maar aan het begin. Ga met open ogen en opgeheven hoofd die weg van het geloof op. Wees moedig, blijf verwonderd, en heb geloof. In een wereld vol luid rumoer van nihilisme hebben jullie de kans het verschil te maken door in stilte de waarheid te omarmen. Jullie verlangen naar waarheid, goedheid en gemeenschap vindt zijn vervulling;  pak het met beide handen aan. De deur staat open, de tocht is begonnen. Moge jullie met dezelfde vreugdevolle ernst als de grote pelgrims vóór ons deze reis vervolgen. En weet: op het einde van die reis blijkt het onbekende land waarnaar jullie zochten, een thuis te zijn dat jullie altijd al heeft verwelkomd. Wees niet bang, maar verheug je. Het avontuur van een leven met God wacht op jullie. 

+Rob Mutsaerts

Ter gelegenheid van de heiligverklaring van Carlo Acutis en Pier Giorgio Frassati 7/9/2025

7 september: heiligverklaring Carlo Acutis: De Heilige op Sneakers


Er zijn tijden waarin de hemel zich als een plotselinge bliksemflits boven een grauwe stad laat zien, als een herinnering dat wonderen nog altijd bestaan. Op 7 september 2025 zullen klokken luiden, harten opspringen, en zelfs sceptici hun ogen opheffen, want Carlo Acutis wordt heilig verklaard. Niet als een verre figuur uit de middeleeuwen, gehuld in mystiek en mist, maar als een jongen die zijn jeans droeg als wapenrusting en het internet als zijn zwaard.

Carlo, een jongen van de 21e eeuw, en toch een ridder van het oude geloof. Een jongen die computers codeerde maar zijn hart richtte op het Altaar. Hij leefde niet in een afgelegen grot, maar in het bruisende Milaan. Geen kluizenaar, geen kruisvaarder, maar een pelgrim op sneakers met een rozenkrans in zijn zak en de Eucharistie in zijn ziel.

Men zegt dat de moderne mens het heilige niet meer begrijpt. Maar Carlo begreep het. Hij begreep dat heiligheid niet is voorbehouden aan asceten op bergtoppen, maar begint met het klikken op de juiste link, het kiezen van het goede in een wereld die opties aanbiedt zonder waarheid. Hij was geen zonderling, hij was een zoon van zijn wereldse ouders, van de Kerk, en van deze tijd. En toch weigerde hij de moderne ziekte van cynisme. De Eucharistie is mijn snelweg naar de hemel,” zei hij, alsof het de meest vanzelfsprekende routebeschrijving was die je in Google Maps kunt vinden.

Op 7 september zal Rome hem als heilige erkennen, maar velen - met name jongeren - hebben hem al herkend als hun gids. Niet omdat hij perfect was, maar omdat hij ons eraan herinnert dat heiligheid mogelijk is, ja, zelfs nu. Ja, vooral nu! Carlo Acutis past perfect in deze tijd waarin overal uit het niets jongeren de katholieke kerk vinden en Jezus willen volgen. Ze komen overwegend uit seculiere omgevingen, zoeken waarheid, zijn jong (waaronder wonderlijk veel scholieren) en voor het merendeel zijn het jongens c.q. jonge mannen.

Ik bezie dit fenomeen met een mengeling van verwondering, vreugde en een stevige tik tegen het moderne wereldbeeld. We hoeven ons ook weer niet al te veel te verwonderen. Jongeren hebben genoeg van de dorre woestijn van relativisme. Ze komen omdat ze dorst hebben. Deze wereld heeft hen alles te bieden, behalve betekenis en waarheid. Als jongeren zich tot het geloof wenden, doen ze dat niet uit zwakte, maar uit een radicaal verlangen naar iets stevigs, iets dat werkelijk waar is, iets dat groter is dan zijzelf. Onze moderne cultuur kent een enorme spirituele leegte. We hebben God vervangen door technologie, comfort, en zelfexpressie, en jongeren zijn de eersten die ontdekken dat dit geen duurzame betekenis biedt. Ze willen niet ontsnappen aan de cultuur, maar hebben ondervonden dat er niets in te vinden is wat hun hart vult. Ze hebben genoeg van het vrijblijvende en zoeken naar uitdagingen.

Het zijn vooral jongens die hunkeren naar avontuur. Dat blijkt van oudsher met de natuur meegegeven. En het christelijk geloof, als het niet is uitgehold tot moralistische therapie, is een avontuur. Heel de Bijbel getuigt ervan: van Abraham en Mozes die op avontuur gestuurd worden, tot en met de apostelen die gevraagd worden Jezus te volgen zonder te weten waartoe dat zal leiden. Het is een verhaal van strijd, offer, genade, verrijzenis. De kerk is geen ziekenhuis voor brave zielen, maar een kazerne van barmhartige strijders. Het Christendom is het enige gezag dat een rebel toestaat om echt opstandig te zijn, omdat het zich verzet tegen de wereld, tegen de zonde, tegen het gemak, tegen de zinledigheid.

De jongeren die zomaar ineens in onze katholieke kerken opdagen kiezen niet voor de kerkbanken uit gewoonte, maar omdat ze in het geloof een zwaard ontwaren in plaats van een slaapmuts. De aantrekkelijkheid van de gemakzucht wordt ingeruild voor inzet voor een zoektocht die werkelijk ergens toe leidt. In een tijdperk van overvloedige prikkels, keren jongeren zich tot het stille wonder van het doopsel. Ze zijn grootgebracht met de boodschap dat alles moet kunnen”, en precies daarom willen ze horen: Er is iets dat móét.” Ze willen niet meer alle deuren openhouden, maar een echte keuze maken. Ze ontdekken - zo wordt mij duidelijk dat in het doopsel alles besloten zit waar de moderne wereld geen antwoord op heeft: zonde en verlossing, dood en opstanding, naam en roeping, een kompas dat naar de haven leidt. Op de dag dat ik deze woorden schrijf - Drievuldigheidszondag - stond een jongen mij op te wachten na de Mis en zegt zonder omwegen: “Ik wil gedoopt worden”. Hij is 13 jaar. Ik ben met hem meegegaan naar zijn ouders. Het blijkt dat deze jongen al twee jaar elke dag uit de bijbel leest. Hij heeft een oudere broer, 15 jaar. Hij doet dat ook dagelijks trouw. Tot mijn verbazing en nog meer tot die van hun ouders. Gewoon oprechte jongens die midden in het leven staan. De heilige Geest is kennelijk aan het werk. En Carlo Acutis is de perfecte heilige voor deze tijd.

Ik zou pastoors willen aanbevelen om niet verbaasd te zijn, maar klaar te staan, zoals de vader in de gelijkenis van de verloren zoon. Want deze jongeren komen niet toevallig. Ze zijn onderweg naar huis. Alleen dragen ze geen lompen, maar sneakers, en zoeken ze niet naar een ideologie, maar naar een Vader. Houd het alsjeblieft niet laagdrempelig, maar ga met hen het diepe in.

Het is een vreemde wereld waar kinderen websites bouwen over wonderen - en waar die kinderen zelf wonderen worden. Laat dan op 7 september de klokken galmen, de servers trillen, en de hemelen zich openen voor Carlo Acutis - de patroonheilige van het internet, en het bewijs dat God nog steeds heiligen maakt, zelfs met een muis in de hand en hoop in het hart.

Drievuldigheidszondagzondag 2025

+Rob Mutsaerts

Waarom het geloof relevant blijft in een seculiere wereld

Er is een bepaald soort moderne dwaasheid, die stelt dat niets werkelijk bestaat tenzij het onder een microscoop gelegd of in een wiskundige formule gegoten kan worden. Deze opvatting, die men zou kunnen noemen het wetenschappelijk reductionisme”, is als een man die zijn vrouw niet gelooft wanneer ze huilt, tenzij hij haar tranen kan analyseren in een laboratorium. Zulke mensen zijn niet verstandig; ze zijn slechts ordelijk gek geworden.

Zoals ieder kind weet tot het op school geleerd wordt anders te denken – dat de werkelijkheid veel te groot is om gevangen te worden in reageerbuis of computermodel. Een waarheid hoeft niet meetbaar te zijn om waar te zijn. De liefde van een moeder, de edelmoedigheid van een filantroop, de kracht van een gebed - al deze dingen zijn reëler dan hetgeen een röntgenfoto ons openbaart, en toch nauwelijks te vangen in grafiek of getal.

De moderne mens vertrouwt enkel op wat hij kan bewijzen”. Maar dit vertrouwen zelf is ironisch genoeg niet te bewijzen. De wetenschapper gelooft in causaliteit, in orde, in herhaalbaarheid. Maar waarom de natuur zo in elkaar zit weet hij niet. “Omdat”, zo zegt hij dan, “het altijd zo geweest is”. Maar dat is een geloofsartikel, geen bewijs. Het geloof in wonderen is niet irrationeler dan het geloof in logica - het hangt er alleen van af wat je als axioma aanvaardt. En hier komen we bij de kern van de zaak: de werkelijkheid is fundamenteel poëtisch. Ze openbaart zich niet alleen in formules maar ook in fabels. In sprookjes zit soms meer waarheid dan in de krant.

Een man bidt tot God en zegt later dat zijn gebed verhoord is. De scepticus vraagt: Kun je dat bewijzen?” Maar de man weet wat hij weet. Dat is geen illusie, maar ervaring. En ervaring is het begin van alle kennis, ook de wetenschappelijke. Einstein verwoordde het aldus: “ervaring is de enige echte bron van - ook wetenschappelijke - kennis”. De wetenschap kan ons vertellen hoe dingen werken, maar niet waarom ze ertoe doen. Ze kan het hart meten, maar niet de liefde. Ze kan het brein in kaart brengen, maar niet het geweten. Ze kan zelfs het universum dateren, maar staat met de mond vol tanden bij de vraag waarom het bestaat.

 

Laten we eens een gesprek fingeren tussen Juliaan - een modern man, die gelooft dat alleen de wetenschap toegang geeft tot de werkelijkheid - en Adriaan - een ouderwetse denker, met een hoed, een wandelstok en een mysterieuze neiging tot het stellen van lastige vragen.

-Juliaan. Alles wat werkelijk is, kan worden aangetoond. De wetenschap heeft de sluier weggenomen van bijgeloof en illusie. Wat niet gemeten kan worden, bestaat eenvoudigweg niet.

-Adriaan (legt zijn hoed naast zich op het bankje): Dan bestaat uw moederliefde dus niet?

-Juliaan (fronsend): Dat is sentimenteel. Natuurlijk bestaat liefde – maar het is gewoon een chemische reactie in de hersenen.

-Adriaan: Welnu, als ik morgenochtend door mijn wekker gewekt word, mag ik dan zeggen dat mijn ontwaken slechts een elektromagnetische reactie was? Of mag ik ook toegeven dat ik te laat was omdat ik de avond tevoren nog zat te denken aan de maan?

-Juliaan: Dat is poëtisch, maar niet precies. Wetenschap is precies.

-Adriaan (met een ondeugende glimlach): Precies verkeerd soms. Zie je, wetenschap meet het tikken van de klok, maar niet de reden waarom een man opstaat. Zij vertelt ons hoeveel gram een boek weegt en hoeveel woorden het omvat , maar niet of het goed is. Ze kan zeggen wat het lichaam doet, maar niet wat het ziel dóét.

-Juliaan (verontwaardigd): Dat is niet eerlijk. De wetenschap heeft zieken genezen, vliegtuigen gebouwd, de ruimte bereikt!

-Adriaan: En geen van die dingen heeft verklaard waarom een kind naar de sterren kijkt en stil wordt. Of waarom iemand vrijwillig sterft voor iemand die hij niet kent. Of waarom mensen naar muziek luisteren die niets oplost, niets verklaart, niets bewijst - maar toch alles zegt.

-Juliaan: Maar je kunt toch niet zomaar iets aannemen omdat het goed voelt?

-Adriaan (wijzend naar een boom): Die boom voelt niet goed. Toch is hij daar. En niemand heeft hem ooit volledig verklaard. Hij groeit, zonder formules. De wetenschap beschrijft zijn bast, telt zijn ringen, classificeert zijn bladeren - maar de reden waarom hij er precies zo uitziet en niet anders dát weet ze niet.

-Juliaan (langzaam): Je bedoelt dat er een werkelijkheid bestaat… buiten de wetenschap?

-Adriaan (glimlacht): Dat bedoel ik precies. Zoals er ook iets buiten de klok bestaat – namelijk tijd. En iets buiten het boek – namelijk het verhaal. En iets buiten het lichaam – namelijk de ziel.

-Juliaan: Maar hoe kunnen we zeker weten dat die dingen echt zijn?

-Adriaan: We kunnen het niet. We kunnen er alleen in geloven. Zoals een kind gelooft dat zijn moeder hem liefheeft, zonder het ooit te bewijzen. Zoals een gelovige bidt. Zoals een dichter schrijft. Zoals een man wakker wordt en denkt: Vandaag komt het goed.” Geen bewijs, alleen waarheid.

-Juliaan (zachtjes): En dat is genoeg?

-Adriaan (staat op en zet zijn hoed op): Dat is meer dan genoeg. Dat is alles.

Ze wandelen weg, Erasmus tikt ritmisch met zijn stok. Julian blijft even staan en kijkt naar de hemel alsof hij iets herontdekt heeft wat hij altijd al wist….

 

Ook anno 2025 is de Rooms Katholieke Kerk springlevend

Op 8 mei werd de nieuwe paus bekend gemaakt. Het enorme plein voor de Sint Pieter was volgestroomd met een massa mensen. De hele wereld keek mee toen witte rook verscheen uit dat simpele schoorsteentje, gelovigen en niet-gelovigen. Iedereen besefte de enorme impact die de paus heeft op het wereldtoneel. Ook anno 2025 blijkt maar weer eens: schrijf de Rooms Katholieke Kerk niet af! Ze is op aarde om er te blijven.

(c) KatholiekLeven/Ramon Mangold

Hoe vaak is de R.K.Kerk niet afgeschreven? Men meende toch echt dat zij de Romeinse tijd niet zou overleven. Het kleine groepje dat aan de basis stond werd vakkundig vervolgd, gemarteld, gedood. Maar kijk nu eens in Rome. Wie heeft het nog over Caesar Augustus, over Julius Caesar? De ruïnes in Rome zijn het enige wat nog aan hen herinnert. En kijk dan eens naar dat kleine Vaticaanse staatje: daar staat hij dan, de opvolger van die onbeduidende visser Petrus. Daar staat hij dan, paus Leo XIV, de opvolger van Petrus ten overstaan van een onoverzienbare enthousiaste menigte. En de hele wereld kijkt ademloos mee.

Wat is het toch dat de Rooms Katholieke Kerk alle crises doorstaat. Ik ga graag te rade bij G.K.Chesterton. Chesterton ziet de oorsprong en missie van de Kerk als iets goddelijks, wat haar blijvende kracht verklaart. Hij benadrukt dat het christelijk geloof een unieke bovennatuurlijke vitaliteit bezit. Hij stelt zelfs dat het christendom herhaaldelijk gestorven en herrezen is, net zoals zijn God gestorven en herrezen is: Christianity has died many times and risen again; for it had a God who knew the way out of the grave” . Met andere woorden, de Kerk kan telkens uit doodssituaties verrijzen omdat Christus zelf de dood heeft overwonnen. Chesterton beschouwt dit als een voortdurende vervulling van de belofte dat God Zijn Kerk bewaart. Hij verwijst impliciet naar de bijbelse garantie dat de poorten van de hel haar niet zullen overweldigen”.

Naast het theologische fundament benadrukt Chesterton ook de historische bewijskracht van het voortbestaan van de Kerk. Hij wijst op concrete episoden in de geschiedenis waarin het christelijk geloof op de rand van de afgrond leek, om daarna onverwacht te herleven. Hij spreekt beeldend over vijf bijna-dood ervaringen van het christendom in de geschiedenis . Telkens als tijdgenoten dachten dat de R.K.Kerk naar de haaien was gegaan, bleek uiteindelijk de haaien degenen waren die stierven, en niet de Kerk, niet het geloof. Chesterton noemt expliciet vijf voorbeelden:

1 De Ariaanse crisis (4e eeuw): na de beginnende triomf van het christendom onder Constantijn ontstond de Ariaanse ketterij, en keizer Julianus de Afvallige probeerde het paganisme te herstellen. Het christendom leek een voorbijgaande mode, maar ondanks alles overleefde de orthodoxe leer. Julianus constateerde verbijsterd dat het geloof dat hij dood waande, weer tot leven kwam, terwijl de oude goden dood bleven .

2 Middeleeuwse ketterijen (bv. Albigenzen, 12e–13e eeuw): ook in de middeleeuwen was de ziel er haast uit” en verwachtten velen het einde van de christendom . De Albigeense (ketterse) beweging verspreidde zich breed, maar de Kerk hervond haar kracht en kwam bovenop.

3 Renaissance en humanistisch scepticisme (15e–16e eeuw): Na de middeleeuwen ondermijnden humanistische denkers en de morele laxheid van de Renaissance het geloof. Er ontstond diepe scepsis. Toch volgde onverwacht - ja, alweer onverwacht - een heropleving: de Contra-Reformatie en figuren als Thomas van Aquino (13e eeuw) en later de heilige Ignatius en de Tridentijnse hervorming brachten nieuw leven en intellectuele kracht . De zonen werden vurig in het geloof waar hun vaders lauw waren .

4 Verlichting en de tijd van Voltaire (18e eeuw): Tijdens de Verlichting en de Franse Revolutie keerde de culturele elite zich massaal af van de Kerk. Voltaire en zijn tijdgenoten zagen christelijk geloof als bijgeloof dat spoedig zou verdwijnen . Maar in de 19e eeuw gebeurde het omgekeerde: er kwam een verrassende religieuze heropleving, zoals de Oxford-beweging in Engeland en een katholieke herleving in Frankrijk . Wat iedereen voor onmogelijk hield - een terugkeer van geloof in een moderne” wereld - geschiedde toch . Dit keerde als het ware de ideeën van vooruitgang om.

5 Modern wetenschappelijk materialisme (na Darwin, 19e–20e eeuw): Met Darwin en opkomend atheïsme werd opnieuw breed aangenomen dat het geloof definitief zou verdampen. Rond 1900 leken veel intellectuelen agnost of atheïst te worden . Toch zag Chesterton in zijn eigen tijd the decline of that decline”: een nieuwe generatie van jongeren keerde zich juist met hernieuwde interesse tot de Kerk . Waar men dacht dat na Darwin geloof onmogelijk was, bloeide het geloof opnieuw op onder jongeren – iets wat auteurs uit de 19e eeuw als onvoorstelbaar zouden hebben beschouwd .

Chesterton benadrukt dat deze terugkerende opstanding van het geloof telkens een verrassing was voor tijdgenoten . Historici en filosofen voorspelden vaak dat religie wel zou meestromen” met de tijdgeest en uiteindelijk oplossen in moderniteit . In plaats daarvan ging er ineens iets tegen de stroom in”, tegen alle verwachtingen in . Ook anno 2025 zien we dit patroon zich herhalen. Chesterton verwoordt dat kernachtig: A dead thing can go with the stream, but only a living thing can go against it” . Met dit beeld van een levende kracht die tegen de stroom ingaat bedoelt hij dat de Kerk een levende organisatie is, geen dood fossiel. Louter door menselijk cultureel momentum zou religie vanzelf met de stroom meegaan en wegvloeien, maar het feit dat het christendom herhaaldelijk tegen de heersende cultuurstroom in zwemt bewijst dat het onverklaarbaar levend” is . Steeds weer heeft de Kerk revoluties en omwentelingen overleefd en zelfs overtroffen. Dit constateert hij als een uniek historisch fenomeen: waar andere wereldbeelden en rijken ten onder gingen, bleef de Kerk uiteindelijk staan als een bouwwerk dat niet omver te werpen is. Het Colosseum is een ruïne; het graf van Sint Pieter straalt nog altijd in volle glorie.

Elke generatie staat telkens weer voor nieuwe uitdagingen, maar de Traditie en wijsheid van de Kerk weet telkens antwoorden te formuleren. In twee millennia hebben de grootste geesten - van kerkvaders als Augustinus tot moderne denkers als Chesterton, C.S. Lewis, Fulton Sheen (op zijn sterfdag werd Leo XIV tot paus gekozen), Newman, Ratzinger en Robert Barron -  de moeilijkste vragen beantwoord en het geloof verdedigd. Er is geen reden te denken dat dit nu anders zou zijn; als atheïsten nieuwe aanvallen doen, zal dat niet de eerste keer zijn dat de Kerk daarmee geconfronteerd wordt. Integendeel, het zou voor het eerst in 2000 jaar zijn als het geloof géén weerwoord weet te vinden op culturele kritiek . Dit historische besef geeft aan dat de Kerk een diepe intellectuele traditie heeft die haar staande houdt te midden van ideologische stormen.

Een ander aspect is de liturgie en sacramentaliteit van de Kerk; zij geven de Kerk een identiteit die niet afhankelijk is van één tijdperk, maar die mensen van alle tijden en culturen samenbindt. Dit universele en tijdloze geloof van de Kerk maakt haar bestand tegen lokale of tijdelijke ondergang. Gaat het op de ene plek slecht met de Kerk, dan bloeit zij elders op: de neergang in Europa wordt meer dan gecompenseerd door de groei in Afrika. Dooft het geloof in de ene generatie bijna uit, dan herleeft ze in een volgende. Ook dat zien we nu gebeuren: onder de jongste generaties treffen we meer praktiserende katholieken aan dan de generatie van hun ouders.

Op filosofisch niveau zien we dat de waarheidsclaims en redelijkheid - jazeker, we hebben argumenten waarmee we de waarheid van het geloof kunnen staven - van het christelijk geloof bijdragen aan het voortbestaan ervan. Chesterton kwam tot de Kerk (hij bekeerde zich in 1922 tot het katholicisme) omdat hij zag dat de Kerk consistent de waarheid bleef verkondigen, ook als die impopulair was. Hij prees de katholieke leer om haar balans tussen extremen: de Kerk wist over de eeuwen heen telkens de gulden middenweg te bewaren tussen tegengestelde dwalingen. In zijn boek Orthodoxy laat Chesterton zien hoe christelijke doctrines schijnbaar paradoxale waarheden combineren – barmhartigheid én rechtvaardigheid, rede én mysterie, individualiteit én gemeenschap – op een manier die geen menselijke sekte had kunnen verzinnen. Hij vergelijkt de leer met een sleutel die precies in het slot van de werkelijkheid past . Deze intellectuele overtuigingskracht zorgt ervoor dat, wanneer andere filosofieën vastlopen in eenzijdigheid, de katholieke synthese weer overtuigt. Bijvoorbeeld: puur rationalisme leidt tot kilte, pure emotie tot chaos, maar de christelijke filosofie (zoals uitgewerkt door grote denkers als Sint Thomas van Aquino) verenigt geloof en rede. Daardoor heeft de Kerk een filosofisch fundament dat de stormen van kritiek kan doorstaan. De Kerk biedt tijdloze waarheden die een mensen verankeren in iets eeuwigs, en daarom overleven zowel de mens als de Kerk de wisselende ideeënstromingen . Het vasthouden aan blijvende waarheden verklaart waarom de Kerk langer standhoudt dan welke modieuze ideologie ook. De waarheid van het geloof is allesbepalend. Als het christendom onwaar is, is het van geen enkele waarde. Als zij daarentegen waar is, is zij van onschatbare waarde. Het enige wat zij niet kan zijn is van enige waarde

Dogmatische atheïsten mogen dan beweren dat alle religie illusie is, maar je kunt dat ook omkeren door te stellen dat juist het atheïstisch wereldbeeld te beperkt is om de menselijke ervaring volledig te verklaren. Immers als de wereld enkel materie is, zouden onze rede en waarheidsszoekende vermogens onverklaarbaar zouden zijn. Een steen zoekt niet naar waarheid en zingeving. Als een mens (inclusief zijn hersens) alleen maar uit moleculen en atomen zou bestaan, zou de mens dat ook niet doen. Het feit dat wij naar waarheid (kunnen) streven wijst op iets bovennatuurlijks. Zolang mensen fundamentele vragen blijven stellen, zal de katholieke boodschap blijven opduiken als antwoord, wat de voortdurende actualiteit en overleving van de Kerk garandeert. Tegenstand en vervolging vergroten om die reden paradoxaal genoeg vaak de kracht van de Kerk. Telkens als men dacht dat het christendom dood was, stond ergens een nieuwe heilige of beweging op die het tegendeel bewees. Steeds waren er vernieuwers die door hun heiligheid en radicaal getuigenis de Kerk herleefden. In plaats van de Kerk te verzwakken, hebben vervolging en kritiek haar vaak gezuiverd en gesterkt.

De Rooms Katholieke Kerk bezit een innerlijke levenskracht die niet van deze wereld is. Zij is als een levend organisme dat zich aanpast zonder zichzelf te verloochenen, en als een rots die de tand des tijds doorstaat. De Kerk zelf is gebouwd op een rots, op Petrus en zijn opvolgers. We hebben een nieuwe opvolger van Petrus: paus Leo XIV. De hele wereld keek mee. Ja, we doen er nog steeds toe. Het is een teken van hoop, hoop dat het goed komt. Wat zaten ze er allemaal weer naast met hun voorspellingen over de kanshebbers wie de nieuwe paus zou worden. Dat heeft een reden. Media denken in politieke termen, in progressief en conservatief, in liberaal en behoudend. Maar zo werk dat in de katholieke kerk niet. Paus Leo XIV is niet de opvolger van paus Franciscus, maar van Sint Petrus. Zijn taak is dezelfde als die van Petrus: de verrezen Christus verkondigen en de implicaties daarvan voor onze tijd duidelijk maken, en bedenken hoe dat in onze tijd het beste kan worden vormgegeven.

Christus Vincit, Christus regnat, Christus imperat. Viva Christo Re!

+Rob Mutsaerts