Waarom voetbal een katholieke sport is (en zwemmen niet)

Er bestaat niet zoiets als katholieke wiskunde of zoiets als protestantse Topografie. Toch bestaan er katholieke en protestantse scholen waar het er bij de ene anders aan toegaat dan bij de andere.  Volgens mij geldt dat ook voor diverse takken van sport: je hebt katholieke sporten en je hebt protestantse sporten. Het gaat er gewoon anders aan toe. Dat lijkt onzin, maar toch weet iedereen intuïtief wat bedoeld wordt als iemand zegt: Voetbal is eigenlijk een katholieke sport.” 

Wat maakt een sport katholiek”? Katholicisme is, grofweg, een religie van: rituelen, gemeenschap, symboliek, drama, zonde, schuld en verlossing en vooral: de mogelijkheid tot comeback. Wie ooit een voetbalwedstrijd heeft gezien, herkent dit onmiddellijk. Commentatoren en sportjournalisten (of ze nou katholiek, protestants of puur heidens zijn) spreken van een voetbalkathedraal (het stadion), hoogmis (topwedstrijd), gezangen (voornamelijk vloekpsalmen), de onfeilbaarheid van de VAR en de gevallen spits die toch weer genade vindt bij de trainer (die in enkele gevallen zelfs wordt aangeduid als de messias van de club). Voetbal gelooft niet in verdiensten, maar in genade. Dat maakt voetbal katholiek.

Wielrennen daarentegen lijkt op het eerste gezicht protestants: hard werken, discipline, soberheid, lijden. Maar schijn bedriegt. Wielrennen is misschien wel de meest katholieke sport die er bestaat. Waarom? Omdat wielrennen draait om: lijden als deugd, processies (het peloton), ketters (dopingzondaars) en aflaten (tijdstraffen). De Tour de France lijkt eerder op een jaarlijkse bedevaart dan op een wielerwedstrijd. De Alpen zijn geen bergen, maar beproevingen. De knecht offert zich op voor de kopman, die hem later in interviews zal bedanken (een soort mis uit dankbaarheid). En de wielerfan weet: wie niet geleden heeft, verdient de overwinning niet. Dat is geen sportethiek, dat is middeleeuwse theologie.

Wanneer mag je een sport katholiek” noemen? Als aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan. 1. Beleving gaat voor berekening. Daarom verliezen we nog liever een wedstrijd dan dat we met berekening winnen. 2. Dramatiek boven efficiëntie. De meest memorabele momenten zijn zelden de momenten we op de training ingestudeerd zijn: het zondagsschot, de kansloze ontsnapping, dat soort dingen. 3. De slechtste kan winnen. Dat is bij zwemmen en hardlopen nooit. Die het hardste loopt wint altijd. Daar komt dan ook geen volk op af. Hardlopen is de sport van mensen die Excel vertrouwen. Geen team, geen toeval, geen excuses. Je loopt een marathon en weet precies waarom je faalt: je hebt je tijdschema veronachtzaamd. Dat is calvinisme met chronometer. Als een sport deze drie eigenschappen heeft, mag je haar katholiek noemen.

Bestaan er protestantse sporten? Zeker. Protestantisme draait om: soberheid, individuele verantwoordelijkheid, discipline, transparantie en wantrouwen tegen overbodige rituelen. Daar passen andere sporten bij. Hardlopen, bijvoorbeeld. Of hink-stap-sprong. Waarom? Geen team, geen fakkels,  geen tifosi, geen excuses. Je loopt, je faalt, je verbetert. Dat is geen sport, dat is de Heidelbergse Catechismus in lycra. Ook tennis heeft iets protestants: de regels zijn duidelijk, de score transparant, de emoties gedoseerd. Zelfs de outfits lijken ontworpen door ouderlingen. En schaken? Dat is pure calvinistische predestinatie. Als je verliest, had je dat van tevoren al verdiend.

De moderne mens gelooft dat het universum logisch moet zijn. De voetbalfan weet beter. Het is weliswaar geordend, maar niet logisch. Voetbal een protest is tegen de tirannie van statistiek. Dat het doelpunt niet ontstaat uit data, maar uit het onverwachte. En dat alleen een cultuur die in wonderen gelooft, echt van sport kan houden. De echte tragedie niet is dat je verliest, maar dat je denkt dat winnen je zal redden. Sport draait om het onverwachte, om lef en het vermogen om op het juiste moment alles te vergeten wat je op de training geleerd hebt. Dat klinkt verdacht katholiek. Bij protestanten ligt dat volgens mij toch anders; daar is discipline belangrijker is dan mysterie. Iedereen die ooit een seizoenskaart heeft gehad bij een voetbalclub weet een ding: dat is een geloof waar je moeilijk vanaf komt.

De mooiste sportmomenten juist die zijn waarin iemand faalt – en toch doorgaat. Niemand herinneren zich niet wie het WK 1994 won. Maar iedereen herinnert zich Roberto Baggio die naar de hemel keek nadat hij de beslissende penalty had gemist. Sport werd tragedie. En tragedie is altijd memorabeler dan triomf. Mathieu van der Poel - WK veldrijden 2023: hij viel, stond op, won. Maar de dramatiek zat niet in de overwinning. Het zat in het moment van twijfel. In de seconde waarin zelfs hij leek te breken. Sport leeft niet van perfectie. Sport leeft van barsten. Soms zit de dramatiek niet in WK-finales, maar in details. De amateurvoetballer die na twintig jaar eindelijk scoort, maar buitenspel staat. De tennisser die uit woede zijn racket kapotslaat en daarna sorry zegt tegen het publiek. Dat zijn de echte sportmomenten. Niet omdat ze winnen. Maar omdat ze iets onthullen.

+Rob Mutsaerts

 

 


Atheïsten zijn te weinig wantrouwend

Wonderen,zei mijn vriend, ach kom nou, de wetenschap heeft daar toch korte metten mee gemaakt. We weten dat de natuur wordt beheerst door vaste wetten.

- Wisten mensen dat dan vroeger niet altijd al?zei ik.

Lieve hemel, nee,zei hij. Neem bijvoorbeeld een verhaal als de maagdelijke geboorte. We weten nu dat zoiets niet kan gebeuren. We weten dat er een mannelijke zaadcel nodig is.

- Maar luister eens,zei ik, Jozef….

Wie is dat?vroeg mijn vriend.

- Hij was de echtgenoot van de Maagd Maria. Als je het verhaal in de Bijbel leest, zul je zien dat hij, toen hij zag dat zijn verloofde een kind zou krijgen, besloot van het huwelijk af te zien. Waarom deed hij dat?

Zou de meeste mannen dat niet doen?

- Elke man zou dat doen,zei ik, mits hij de natuurwetten kende. Met andere woorden, mits hij wist dat een meisje normaal gesproken geen kind krijgt tenzij ze met een man samen is geweest. Maar volgens jouw theorie wisten mensen vroeger niet dat de natuur door vaste wetten werd beheerst. Ik wijs erop dat het verhaal laat zien dat Jozef die wet net zo goed kende als jij.

Maar hij ging later toch in de maagdelijke geboorte geloven, nietwaar?

- Zeker. Maar hij deed dat niet omdat hij een verkeerde voorstelling had van waar babys normaal gesproken vandaan komen. Hij geloofde in de maagdelijke geboorte als iets bovennatuurlijks. Hij wist dat de natuur op vaste, regelmatige manieren werkt; maar hij geloofde ook dat er iets buiten de natuur bestond dat in haar werking kon ingrijpen als het ware van buitenaf.

Maar de moderne wetenschap heeft aangetoond dat zoiets niet bestaat.

- Echt waar?zei ik. Welke wetenschap?

Och, dat is een kwestie van details,zei mijn vriend. Ik kan je niet uit het hoofd hoofdstuk en vers geven.

- Maar zie je dan niet,zei ik, dat de wetenschap zoiets nooit zou kunnen aantonen?

Waarom in hemelsnaam niet?

- Omdat de wetenschap de natuur bestudeert. En de vraag is nu juist of er behalve de natuur nog iets bestaat, iets ‘erboven, iets bovennatuurlijks. Hoe zou je dat kunnen ontdekken door alleen de natuur te bestuderen?

Maar ontdekken we niet dat de natuur absoluut volgens vaste wetten moet werken? Ik bedoel, de natuurwetten vertellen ons niet alleen hoe dingen gebeuren, maar hoe ze móéten gebeuren. Geen enkele macht zou ze kunnen veranderen.

- Wat bedoel je precies?zei ik.

Luister,zei hij. Zou dat iets erbovenwaar jij het over hebt, twee plus twee vijf kunnen maken?

- Nou, nee,zei ik.

Goed,zei hij. Welnu, ik denk dat de natuurwetten eigenlijk zijn als twee plus twee is vier. Het idee dat ze veranderd zouden kunnen worden is net zo absurd als het idee dat je de wetten van de rekenkunde zou kunnen veranderen.

- Even een moment,zei ik. Stel dat je vandaag zes euromunten in een lade legt en morgen nog eens zes in dezelfde lade. Maken de wetten van de rekenkunde het dan zeker dat je overmorgen 12 euro zult aantreffen?

Natuurlijk,zei hij, mits niemand met je lade heeft geknoeid.

- Ah, maar dat is nu precies het punt,zei ik. De wetten van de rekenkunde kunnen je met absolute zekerheid vertellen wat je zult vinden, op voorwaarde dat er geen ingreep is geweest. Als er een dief bij de lade is geweest, krijg je natuurlijk een ander resultaat. Maar die dief heeft de wetten van de rekenkunde niet overtreden - hij heeft alleen de wetten van ons land overtreden. Zijn de natuurwetten niet ongeveer van hetzelfde soort? Vertellen ze je niet allemaal wat er zal gebeuren, mits er geen ingreep plaatsvindt?

Wat bedoel je?

- Wel, de wetten vertellen je hoe een biljartbal over een glad oppervlak zal rollen als je hem op een bepaalde manier stoot, maar alleen als niemand ingrijpt. Als iemand, nadat de bal al in beweging is, een keu grijpt en hem een tik geeft, dan krijg je niet wat de wetenschapper had voorspeld.

Nee, natuurlijk niet. Daar kan hij geen rekening mee houden.

- Precies. En op dezelfde manier: als er iets buiten de natuur bestond en het zou ingrijpen, dan zouden de gebeurtenissen die de wetenschapper verwachtte niet volgen. Dat zouden we een wonder noemen. In zekere zin zou het de natuurwetten niet breken. De wetten vertellen je wat er gebeurt als niets ingrijpt. Ze kunnen je niet vertellen of er iets zal ingrijpen. Het is niet de rekenkundige die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat iemand met de munten in mijn lade knoeit; daarvoor heb je een detective nodig. Het is niet de natuurkundige die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat ik een keu grijp en zijn biljartproef verpest; vraag liever een psycholoog. En het is niet de wetenschapper die kan zeggen hoe waarschijnlijk het is dat de natuur van buitenaf wordt verstoord. Daarvoor moet je naar de metafysicus.

Dat zijn nogal pietluttige punten,zei mijn vriend. Het echte bezwaar gaat veel dieper. Het hele beeld van het universum dat de wetenschap ons heeft gegeven maakt het volstrekt belachelijk te geloven dat de macht achter dit alles geïnteresseerd zou zijn in ons, piepkleine wezens die rondkruipen op een onbelangrijke planeet! Dat is toch duidelijk allemaal verzonnen door mensen die in een platte aarde geloofden, met de sterren maar een kilometer of twee ver weg.

- Wanneer geloofden mensen dat?zei ik.

Nou ja, al die oude christelijke figuren waar jij het altijd over hebt. Ik bedoel Boëthius en Augustinus en Thomas van Aquino en Dante.

- Sorry,zei ik, maar dit is een van de weinige onderwerpen waar ik wél iets van weet. Ik strekte mijn hand uit naar een boekenplank. Zie je dit boek,zei ik, Ptolemaeus’ Almagest. Weet je wat dat is?

“Ja,” zei hij. Het is het standaard astronomische handboek dat de hele Middeleeuwen door werd gebruikt.

- Lees dat dan eens,zei ik, terwijl ik naar Boek I, hoofdstuk 5 wees.

De aarde,las mijn vriend hardop, enigszins aarzelend terwijl hij het Latijn vertaalde, de aarde heeft, in verhouding tot de afstand van de vaste sterren, geen merkbare grootte en moet worden behandeld als een wiskundig punt! Er viel een moment stilte. Wisten ze dat toen echt al?zei mijn vriend. Maar… maar geen van de geschiedenissen van de wetenschap, geen enkele moderne encyclopedie, vermeldt dat ooit.

- Precies,zei ik. Ik laat jou wel nadenken over de reden. Het lijkt bijna alsof iemand het graag in de doofpot wilde stoppen, nietwaar? Ik vraag me af waarom.

Er volgde nog een korte stilte.

Hoe dan ook,zei ik, kunnen we het probleem nu nauwkeurig formuleren. Mensen denken meestal dat het probleem is hoe we wat we nu weten over de grootte van het heelal kunnen verenigen met onze traditionele religieuze ideeën. Dat blijkt helemaal niet het probleem te zijn. Het echte probleem is dit: de enorme omvang van het heelal en de onbeduidendheid van de aarde waren eeuwenlang bekend, en niemand droomde ervan dat dit iets te maken had met de religieuze kwestie. Vervolgens worden ze, nog geen honderd jaar geleden, plotseling opgevoerd als een argument tegen het christendom. En de mensen die dat doen, verzwijgen zorgvuldig het feit dat dit alles al lang bekend was. Vind je het niet vreemd dat jullie atheïsten zo weinig wantrouwig zijn?



C.S. Lewis, Science and Religion (uit: God in the Dock)

De Barbaren zijn niet het probleem.

Hillaire Bellock schreef ooit de befaamde woorden dat hij niet vreesde voor de Barbaren die aan de poorten rammelen”, maar voor het gevaar dat van binnenuit komt. Het is een uitspraak die gemakkelijk verkeerd wordt begrepen. Belloc bedoelde niet dat uiterlijke dreiging ongevaarlijk is, maar dat beschavingen zelden sterven door vijanden van buitenaf. Zij sterven wanneer zij ophouden te geloven in wat ons ooit tot het geloof heeft gebracht.

Ik richt mij nu graag even tot vrijzinnige theologen en gelovigen. Niet om hen te beschuldigen, maar om hen uit te nodigen tot herbezinning. Want als Belloc gelijk had, en als hij vandaag tot ons zou spreken, dan zou hij misschien zeggen: het christendom in Europa wordt niet bedreigd door secularisatie alleen, maar door een theologie die haar eigen kern niet langer vertrouwt.

Kijk bijvoorbeeld naar de situatie in Duitsland. De ‘Barbaren’ zijn niet het probleem. Het probleem komt van binnenuit. De Duitse bisschoppen hebben een document gepubliceerd (Segen gibt der Liebe Kraft) die pastorale richtlijnen biedt voor priesters en pastorale medewerkers voor zegeningen van paren die in samenlevingsverbanden leven die de Kerk “ongeordend” noemt. Zegeningen worden gepresenteerd als een manier om de liefde en hoop van mensen onder Gods zegen te plaatsen.  De Duitse synodale processen hebben al eerder documenten aangenomen die pleiten voor een heroverweging van de leer over homoseksualiteit, ruimte voor genderdiversiteit en inclusie van trans en intersekse personen, en discussies over het celibaat. En dat allemaal onder het mom van pastorale zorg.

Maar het punt is dit: in de katholieke theologie is pastoraal handelen nooit los te maken van waarheid. De Kerk onderscheidt: objectieve morele orde (wat goed of zondig is) en subjectieve schuld (hoe verantwoordelijk iemand persoonlijk is). De Kerk kan mild zijn over schuld, begeleiden in gewetensvorming en mensen stap voor stap begeleiden, maar zij kan niet verklaren dat iets moreel goed is wat zij altijd als intrinsiek ongeordend heeft beschouwd. Wanneer een bisschoppenconferentie relaties zegent die volgens de leer objectief zondig zijn zonder duidelijke oproep tot bekering of levensverandering, dan wordt de morele norm feitelijk herzien, ook al zegt men dat formeel niet. Daarom stelde Rome al in 2021 onder paus Franciscus expliciet: God kan geen zonde zegenen.”

De universele Kerk heeft altijd een cruciaal onderscheid gemaakt tussen de daad en de dader, tussen de persoon (die altijd geliefd is door God) en zijn handelen of levensstaat. Denk aan de befaamde woorden van Augustinus: haat de zonde, houd van de zondaar. Als je zonde goed gaat praten, begeleid je de zondaar verder op weg richting de afgrond. Dat is zo onpastoraal als het maar zijn kan. Als zondige situaties structureel worden gezegend zonder duidelijke taal over bekering, kruis, ascese of morele groei, dan: wordt zonde gebagatelliseerd tot ‘onvolkomenheid’. Dat mag dan pastoraal mooi klinken, maar waar geen zonde meer is, is er ook geen reden meer tot bekering en is het kruisoffer van Jezus overbodig verklaard.  En is elke zegening betekenisloos. En nee, dit is niet pastoraal. Liefde zonder waarheid is liefdeloos.

De grootste uitdagingen van onze tijd - wetenschappelijke vooruitgang, pluralisme, religieuze diversiteit, historische kritiek - zijn geen barbaren. Zij zijn geen vijanden van het geloof. Integendeel: zij zijn vaak voortgekomen uit een christelijke beschaving die waarheid zo serieus nam dat zij haar durfde te onderzoeken. Maar wat gebeurt er wanneer bisschoppen, priesters en theologen zo druk bezig zijn met het verdedigen van het christendom op een zodanige manier zodat de seculiere omgeving geen aanstoot meer neemt aan haar tegendraadse opvattingen? Zijn zij dan niet feitelijk opgehouden het christendom te verdedigen? Wanneer de verrijzenis van Jezus wordt gereduceerd tot het verhaal gaat door” in plaats van de daadwerkelijke opstanding van Jezus uit het graf; wanneer Jezus niet langer Verlosser is, maar vooral moreel voorbeeld; wanneer zonde wordt vervangen door gebrokenheid” zonder schuld, en genade door bevestiging zonder bekering?  Wat resteert is een vaag, beleefd, respectabel quasi-christendom waarin niets meer op het spel staat en dat zich in niets onderscheid van seculiere opvattingen. 

Vrijzinnigheid vertrekt vaak vanuit een nobel motief: hoe kunnen wij het christelijk geloof verstaanbaar maken voor de moderne mens? Maar als dat leidt tot louter bevestiging - wanneer het christendom zich te veel aanpast aan de tijdgeest - verliest het precies datgene wat het relevant maakt. En dus volstrekt overbodig. Je krijgt er trouwens nieuwe dogma’s voor in de plaats: het dogma van autonomie, het dogma van authenticiteit zonder waarheid, en het dogma van inclusiviteit zonder onderscheid. Dat zijn geen minder strenge geloofssystemen met als resultaat een tragische mensbeeld.

Vrijzinnige theologie benadrukt terecht menselijke waardigheid, maar heeft vaak moeite met radicale zonde - niet als moreel falen, maar als existentiële scheefgroei. De grote tragiek is dat wanneer zonde verdwijnt, ook vergeving betekenisloos wordt. En zonder vergeving wordt genade een leeg woord. En zegen eveneens.  Dan blijft er een christendom over dat mensen niet meer redt, maar slechts begeleidt. Naar de afgrond.

De kernvraag is uiteindelijk niet wat betekent Christus voor mij, maar: Wie is Christus, los van mijn interpretatie? Christus geen symbool van universele waarden, maar een historische, concrete, ontregelende aanwezigheid van God zelf. Een theologie die Christus veilig” maakt voor de moderne mens, maakt Hem onherkenbaar voor het evangelie.

De vraag is niet of wij kritisch denken, maar waar onze kritiek stopt. Misschien is de ware uitdaging voor vrijzinnige theologie vandaag deze: 1. Durven wij opnieuw te geloven dat het christendom waar is, niet alleen waardevol? 2. Durven wij te aanvaarden dat het evangelie ons oordeelt, voordat het ons bevrijdt? 3. Durven wij opnieuw te spreken over bekering, offer, verlossing - zonder ons te verontschuldigen? Niet omdat de barbaren aan de poort staan, maar omdat de Kerk leeg dreigt te raken.

Bellock vreesde niet de barbaren aan de poort, maar de beschaving die haar eigen ziel vergeten is. Hij vreesde niet de rede, maar de rede zonder geloof. Hij vreesde niet de moderniteit, maar de mens die vergeten is dat hij vergeving nodig heeft. Het enige dat we te vrezen hebben is van een theologie die niet langer durft te geloven wat zij ooit verkondigde?

+Rob Mutsaerts

Jezus ja, Kerk nee??

Er bestaat een gedachte die ik nog steeds met enige regelmaat hoor: Jezus wilde wel volgelingen, maar het instituut Kerk heeft Hij niet gewild. Het is alsof je zegt ‘Ik ben voor onderwijs, maar tegen scholen’, of ‘Ik ben voor voetbal, maar tegen voetbalclubs’. Het kan gewoon niet, inhoud zonder vorm is als water: het vloeit weg.

Het eerste wat men over Jezus moet zeggen, is dit: Hij was opvallend concreet. Hij schreef geen boek, maar vormde mensen. Hij liet geen losse spreuken achter, maar een gemeenschap. Hij vertrouwde zijn boodschap niet toe aan de mensheid”, maar aan twaalf zeer specifieke mannen, van wie er minstens vier volstrekt ongeschikt leken. Wie beweert dat Jezus geen Kerk wilde, beschrijft Hem als een soort zwevende moraalfilosoof, terwijl Hij in werkelijkheid iemand was die: at met zijn leerlingen, met hen rondtrok, hen corrigeerde, hen uitzond, en hun ruzies moest bijleggen. Dat is geen spirituele wolk. Dat is een beginnende organisatie.

Het tegenargument is doorgaans dit: De Kerk kan niet van God zijn, want zij is zo menselijk.” Maar dat is precies hetzelfde argument dat men had kunnen gebruiken tegen de incarnatie: God kan niet mens geworden zijn, want mensen zijn zo beperkt.” Het christendom is nu eenmaal het geloof dat God juist door het menselijke werkt. Niet ondanks het menselijke, maar door het menselijke.

Er is een merkwaardig moment in het Matheus-evangelie waarin Jezus iets zegt wat voor veel moderne mensen hoogst onhandig is. Hij zegt: Op deze rots zal Ik mijn Kerk bouwen.” Niet: er zal ooit iets ontstaan.” Ook niet: jullie zullen later iets verzinnen.” Maar: mijn Kerk. Het grappige is dat mensen die beweren alleen Jezus te volgen”, vaak beginnen met het corrigeren van Jezus.

Jezus deed nog iets: Hij gaf gezag. Hij zei tegen zijn apostelen: Wie naar jullie luistert, luistert naar Mij.” Dat is geen poëzie. Dat is geen vrome sfeer. Dat is autoriteit. En hier raken we aan een diep paradoxaal punt: dezelfde mensen die zeggen dat de Kerk te autoritair is, geloven vaak dat hun eigen interpretatie absoluut gezag heeft. Nogmaals, Jezus gaf gezag. In Matteüs 16 en 18 spreekt Hij over: de sleutels van het Koninkrijk”, binden en ontbinden” en beslissingen die in de hemel erkend worden”.  Dit is juridische taal. Geen poëtische beeldspraak, maar taal van verantwoordelijkheid en leiding. Aan de apostelen zegt Hij: Wie naar jullie luistert, luistert naar Mij.” Dat is een tamelijk schokkende uitspraak. Jezus verbindt zijn eigen gezag aan mensen, niet aan individuele interpretatie. Een Kerk zonder gezag is onmogelijk. En Jezus wist dat.

Binnen die groep apostelen kiest Jezus één man: Petrus. En het een wonderlijk detail is dit: Petrus is geen held. Hij begrijpt Jezus verkeerd. Hij spreekt te snel. Hij verloochent Hem op het beslissende moment. En dat is de man op wie Christus zijn Kerk bouwt. Niet omdat hij perfect is, maar omdat hij vergeven is. De Kerk is gebouwd op boetedoening, niet op morele superioriteit. Een Kerk zonder zondaars zou geen Kerk zijn, maar een museum, en zelfs daar zouden de beelden barsten vertonen.

Het idee dat Jezus geen Kerk wilde” zou voor de eerste christenen volstrekt onbegrijpelijk zijn geweest. Voor hen was de Kerk geen latere toevoeging, maar het vanzelfsprekende gevolg van Jezusleven, dood en verrijzenis. Wanneer Ignatius van Antiochië zegt: Waar de bisschop is, daar is de Kerk,” zegt hij dat niet om macht te verdedigen, maar om eenheid te bewaren.

Een instituut kan toch niet geestelijk zijn?” Is dat zo?  Dit is een onbijbelse tegenstelling. God wordt mens in een lichaam: de incarnatie. Genade komt via zichtbare tekenen: sacramenten. Liefde krijgt vorm in structuren, zoals bijvoorbeeld het huwelijk. Een Kerk zonder menselijke structuren zou juist gnostisch zijn: geest zonder lichaam. Maar het christendom is altijd: geest én lichaam, genade én orde, mysterie én organisatie.

Laat me duidelijk zijn. Dat de Kerk (veel) fouten heeft gemaakt, misbruik heeft gekend, macht heeft misbruikt, dat ontkent niemand. Maar: Judas was er al bij, Petrus verloochende Jezus, de apostelen vluchtten (de allereerste synodale actie). Menselijke zwakte weerlegt niet het goddelijke karakter van het instituut. Het bevestigt juist hoe realistisch Jezus was. Hij bouwde zijn Kerk niet op perfecte mensen, maar op vergeven zondaars.

Wat staat er werkelijk op het spel? Als Jezus geen Kerk wilde, dan: heeft niemand het recht om zijn leer gezagvol door te gevende is ieder zijn eigen paus, zijn sacramenten menselijke rituelen, en is christendom uiteindelijk privé-spiritualiteit. Maar als Jezus wel de Kerk wilde - en alles wijst daarop - dan is de Kerk geen obstakel tussen ons en Christus, maar het instrument waardoor Hij werkt. Want zonder Kerk: valt de leer uiteen, verdwijnt de Eucharistie, en wordt liefde een mening. Een geloof zonder het instituut Kerk is een emotie met een houdbaarheidsdatum. De Kerk is geen kooi voor de Geest, maar de ribbenkast die het hart beschermt.

Zonder de Kerk zou er trouwens ook geen Bijbel zijn, want het is de Kerk die de Bijbel heeft samengesteld. Ik heb het altijd buitengewoon merkwaardig gevonden dat mensen de Kerk wantrouwen, maar blind vertrouwen op een boek dat zij alleen kennen dankzij diezelfde Kerk. Anders gezegd: de Kerk was er eerder dan de Bijbel.

+Rob Mutsaerts

 

Nieuw boek Mgr. Mutsaerts, geinspireerd door Chesterton

Nieuw boek Mgr. Mutsaerts, geinspireerd door Chesterton

(Door Mgr Jan Hendriks)

Mgr. Rob Mutsaerts, hulp­bis­schop van Den Bosch, heeft een nieuw boek ge­pu­bli­ceerd: "De econoom en de roeke­loze zaaier". Geïn­spi­reerd door G.K. Chesterton, de grote Engelse bekeer­ling staat de bis­schop stil bij de paradoxen van het chris­ten­dom, aan de hand vooral van het Marcus-evan­ge­lie. Eeen aan­trek­ke­lijk en heel lees­baar boek.

Mutsaerts presen­teert het chris­ten­dom, in navol­ging van Chesterton, als een "religie van paradoxen, te beginnen bij de grote paradox van de incarnatie: God die mens wordt. Hij aarzelt niet de (zoge­naamd) "gekke" en "ver­keerde" zaken te benoemen en de vele verwijten die mensen katho­lieken maken.

Als een nieuwe Sint Thomas geeft hij alle opwer­pingen weer die tegen het katho­lieke geloof kunnen wor­den gemaakt, om die dan ook inhou­de­lijk en op aan­trek­ke­lijke wijze te bespreken.Zijn taal is prikkelend en ik denk dat jon­ge­ren, zeker jon­ge­ren die met allerlei vragen kri­tisch bezig zijn, er zeer door aan­ge­spro­ken wor­den. Ook voor wie gaat preken over evan­ge­lies volgens Marcus, zal hier boeiende en prikkelende aan­zet­ten vin­den voor een homilie die gehoord vindt.


Nieuw boek Mgr. Mutsaerts, geinspireerd door Chesterton


Van harte aan­be­vo­len.

De econoom en de roeke­loze zaaier is ver­sche­nen bij uit­ge­ve­rij Betsaida, het boek telt 268 pp. en kost € 19, 50. Link: Betsaida

2026: God zet zijn plan door.

We staan aan het begin van een nieuw jaar. En laten we eerlijk zijn: we komen niet uit een rustig oud jaar. 2025 was geen jaar dat zich gemakkelijk laat samenvatten in een vrolijke Instagram-post. Het was een jaar van oorlog en oorlogsdreiging. Van schreeuwende meningen en stille angsten. Van polarisatie, waarin mensen elkaar niet meer proberen te begrijpen, maar vooral proberen te verslaan. Van onzekerheid over de toekomst: over vrede, over vrijheid, over waarheid. En misschien merkte je dat niet alleen op het wereldtoneel, maar ook dichterbij. Velen voelen het: de wereld lijkt wankel. Juist daarom begin ik niet met een goedkoop ‘het komt allemaal wel goed’-praatje. Christelijk geloof is geen slaapmiddel voor de ziel. Christelijk geloof is een wakker-makend geloof.

Er bestaat een misverstand over hoop. Veel mensen denken dat hoop hetzelfde is als positief denken. Alsof hoop betekent dat je je ogen sluit voor het kwaad en zegt: Ach, zo erg zal het wel niet zijn. Maar dat is geen hoop. Dat is ontkenning. Christenen zijn juist mensen die het kwaad serieus nemen. Wij geloven niet dat de wereld vanzelf beter wordt. Wij geloven zelfs dat de mens - hoe slim, creatief en goedbedoelend ook - het kwaad niet zelf kan oplossen. Dat klinkt misschien somber, dat is precies waarom christelijke hoop zo sterk is.

Onze hoop hangt niet af van: politieke stabiliteit, economische groei, culturele trends, en ook niet of of ‘ons kamp’ de meeste likes krijgt. Zou het hier wel van afhangen, dan zou ik het nieuwe jaar somber inzien. Nee, onze hoop hangt af van iets heel anders. Misschien voelde 2025 als een chaos. Alsof alles uit de hand liep, alsof niemand nog echt de controle had. Maar het christelijk geloof zegt iets dat tegelijk nederig en bevrijdend is: God is niet in paniek. Het is niet voor niets dat de gevleugelde woorden van Jezus zijn: Wees niet bang! Dat betekent niet dat Hij het kwaad goedkeurt. Het betekent ook niet dat Hij afstandelijk toekijkt. Het betekent dat zelfs wanneer mensen verkeerde keuzes maken - uit angst, machtshonger of trots - God zijn plan doorzet.

Onze tijd zegt: Je mag zijn wie/wat je wilt.” Dat klinkt bevrijdend. Maar het kan ook verlammend zijn. Want als alles kan, wat is dan werkelijk goed? En als niets vaststaat, waar bouw je dan je leven op? Het christelijk geloof zegt iets onverwachts: Echte vrijheid is niet dat je alles kunt kiezen, maar dat je voor het goede kiest. Dat werkt bevrijdend. Zoals een gitarist pas vrij kan spelen nadat hij discipline heeft geleerd. Zoals een voetballer pas vrij beweegt als hij de regels van het spel respecteert (en de scheidsrechter). Zo zijn ook Gods geboden zijn geen gevangenis. Ze zijn de routekaart van het leven. Ze wijzen je de weg naar de vreugde. Verwar echter de kaart niet met het einddoel, de spelregels niet met het spelletje. Je kunt alle spelregels perfect uit het hoofd kennen, als je niet bereid bent het spelletje te spelen heb je er niks aan. Al ken je de hele catechismus en de bijbel uit het hoofd, als je niet bereid bent er dagelijks naar te leven, dient het geen enkel nut.

Je zou kunnen denken: Wat kan ik nou doen? De wereld is groot. De problemen zijn immens. Maar hier komt een diep christelijke gedachte: niets wat uit liefde wordt gedaan, is ooit klein. Elke keuze voor waarheid in plaats van gemak. Elke daad van vergeving waar wraak logischer lijkt. Elke keer dat je weigert iemand te reduceren tot een stereotype. De geschiedenis van Gods Koninkrijk wordt niet geschreven door luidruchtige helden alleen, maar door trouwe mensen in het verborgene. Misschien verandert jouw trouw geen wereldkaart. Maar het verandert wel een ziel. En dat telt in de eeuwigheid.

Christelijke hoop is geen abstract idee. Ze heeft een gezicht. Het gezicht van iemand die leed, maar niet bitter werd. Die stierf, maar niet verslagen bleef. Die opstond en zei: Het kwaad heeft niet het laatste woord. Daarom kunnen christenen hoopvol zijn zonder blind te zijn. Moedig zonder hard te worden. Standvastig zonder haat.

Dus wat betekent dit voor 2026? Niet dat het jaar automatisch rustiger wordt. Niet dat spanningen ineens verdwijnen. Niet dat geloven makkelijker wordt. Maar wel dit: Jij mag een teken van hoop zijn in een wereld die gewend is aan wantrouwen. Jij mag waarheid spreken met liefde, in plaats van liefde zonder waarheid of waarheid zonder liefde. Jij kunt het verschil maken als je het appèl van Jezus ter harte neemt.

Maak van 2026 een Jaar des Heren 2026. God vraagt je niet of je sterk genoeg bent. Hij vraagt of je bereid bent. Bereid om te vertrouwen. Bereid om te groeien. Bereid om te hopen – tegen de stroom in. En dat is geen zwakte. Dat is geloof. Als alles donker dreigt te worden, is dat altijd de laatste strohalm. Zo is het altijd gegaan.

Zalig Nieuwjaar!

+Rob Mutsaerts

Pax Romana of Pax Christiana

Beste Paarse Peper-vrienden, er is iets merkwaardig aan Kerstmis: het tegelijk luidruchtig en stil. Er zijn bellen en liederen, lichtjes en gelach, en toch is het diepste geluid van deze nacht een stilte die je alleen hoort als je even ophoudt met luisteren naar alles wat schreeuwt. In die stilte staat een Kind centraal. Vanwege Kerstmis wil ik van de gelegenheid gebruik maken om te spreken over twee soorten vrede: de Pax Romana (de Romeinse vrede), en de Pax Christiana (de christelijke vrede). In het kerstverhaal zoals opgetekend door Lukas komen we beide tegen: keizer Augustus en het Kind in de kribbe.

De Pax Romana was een groot succes. Dat moet eerlijk gezegd worden. Rome bouwde wegen die wij nog steeds gebruiken, wetten die wij nog steeds citeren, en steden die wij nog steeds bezoeken om er pasta carbonara en espresso te bestellen. De Romeinse vrede was indrukwekkend omdat zij orde bracht. Zij zei tegen de wereld: Ga zitten”. En de wereld - moe van alle oorlogen - ging zitten. Dat is een verdienste.

Maar Rome bereikte vrede op een bepaalde manier. Het zwaard werd niet weggelegd. De vrede werd bewaakt door legioenen. Het was de rust die volgt wanneer iedereen weet wie er wint. Rome zei: Er is vrede, want wij hebben gewonnen”. En de wereld antwoordde: Amen”, omdat ze bang was om nee” te zeggen. Want dat overleefde je niet. Dit soort vrede is als een steen op een deksel. Het houdt de chaos binnen, maar het is ook een beetje de dood in de pot. Het werkt zolang de steen blijft liggen.

En toen, midden in die Romeinse vrede - precies toen de wegen veilig waren en de grenzen strak op de kaart getekend - gebeurde er iets wat geen enkel leger had gepland. In een uithoek van het rijk, in een stal werd een Kind geboren. Niet met fanfare maar onder het zachte geloei van vee. Dit Kind bracht een andere vrede. Niet een vrede die zegt: Zwijg, of anders”, maar een vrede die fluistert: Vrees niet”. De Pax Christiana begint niet met een decreet, maar met een belofte; niet met een zwaard, maar met een kribbe. Niet met angst, maar met vreugde - en dat is belangrijk, want angst kan mensen stil krijgen, maar alleen vreugde kan hen vrij maken.

De Romeinse vrede hield mensen in bedwang. De christelijke vrede zet mensen in beweging. De eerste zegt: Blijf waar je bent.” De tweede zegt: Volg Mij.” De Pax Christiana is geen vrede die je kunt afdwingen. Je kunt haar niet opleggen met wetten, hoe goed die wetten ook zijn. Je kunt haar niet bewaken met muren, sloten en grendels. Zij begint op een plek waar geen keizer bij kan: het hart. En daarom is zij tegelijk kwetsbaar en onoverwinnelijk. Kwetsbaar, omdat zij je vraagt ‘ja’ te zeggen; vraagt, niet dwingt. Onoverwinnelijk, omdat geen enkele macht ter wereld iemand kan dwingen nee te zeggen tegen liefde, maar ook niemand kan verhinderen ja te zeggen.

Jongeren onder de bezoekers van onze site hebben een feilloos instinct voor hypocrisie. Dus laat ik het scherp zeggen: de Pax Christiana is geen gezellig gevoel, geen sentimentele boel. Het is geen kerstkaart met sneeuw die in Palestina nooit gevallen is. Het is vrede met littekens. Het is de vrede van iemand die zegt: Ik geef je mijn leven,” en het meent. Het is de vrede die aan het kruis hangt en toch bidt: Vader, vergeef het hun.” Dat is geen zwakte; dat is morele explosie.

Rome zei: Vrede door overheersing”. Christus zegt: Vrede door overgave”. En hier struikelen veel mensen, want zij denken dat overgave gelijk staat aan verliezen. Maar het christendom draait die logica om. De Pax Romana wilde de wereld ordenen door haar te temmen. De Pax Christiana wil de wereld vernieuwen door haar lief te hebben. En liefde is gevaarlijker dan welk leger ook. Zij kijkt naar de vijand en zegt: Jij bent geen probleem dat opgelost moet worden, maar een mysterie dat bemind mag worden”. Dat is revolutionair. En revoluties maken Rome zenuwachtig. Daarom werd dit Kind later een Man die men wilde doden. Niet omdat Hij vrede bracht, maar omdat Hij de verkeerde soort vrede bracht. Hij maakte mensen vrij - en vrijheid is besmettelijk. Hij maakte zondaars hoopvol - en hoop is onhandelbaar. Hij maakte gewone mensen heilig - en dat is het meest ontwrichtende van alles.

Wat betekent dit voor ons, hier en nu, Kerstmis 2025, aan de vooravond van het nieuwe Jaar des Heren 2026. Het betekent dat wij niet geroepen zijn om Romeinen te zijn die de orde bewaken met morele legioenen, maar christenen die vrede zaaien met hun leven. Het betekent dat onze taak niet is om iedereen stil te krijgen, maar om iemand lief te hebben - concreet, vandaag, lastig dichtbij. De Pax Christiana begint elke keer opnieuw wanneer iemand besluit te vergeven terwijl wraak makkelijker zou zijn. Zij begint wanneer iemand eerlijk is terwijl liegen loont. Zij begint wanneer iemand trouw blijft terwijl weglopen sneller is. Zij begint wanneer een jongere zegt: Ik volg Christus,” in een wereld die zegt: dat bepaal ik zelf wel”. En ja, dat is moeilijk. Maar Kerstmis is het feest dat ons eraan herinnert dat God niet bang is voor moeilijkheden.

Dus laat Rome zijn wegen houden; wij hebben een weg die een Persoon is. Laat Rome zijn vrede bewaken; wij laten ons bewaken door een Vrede die ons eerst heeft gezocht. En laat de wereld zeggen dat dit naïef is. De wereld heeft altijd gezegd dat liefde naïef is - totdat zij ontdekt dat zonder liefde niets werkt.

Vrienden, moge deze Kerstmis jullie niet alleen rustig maken, maar wakker. Moge zij jullie niet alleen troosten, maar sturen. En moge de vrede die geen keizer kan geven, jullie harten bewakenniet als een steen op een deksel, maar als een vuur dat licht geeft. Want het Kind in de kribbe kwam niet om Rome te verbeteren, maar om de wereld te redden. En dat, beste PP-vrienden, is een vrede die geen einde kent.

Zalig Kerstmis voor u allen,

+Rob Mutsaerts 

Een land dat vrijheid van religie en onderwijs wil inperken is het niet waard een rechtsstaat genoemd te worden

Een krappe meerderheid van de Tweede Kamer vindt dat de vrijheid van onderwijs niet mag botsen met artikel 1 van de Grondwet waarin staat dat iedereen gelijk behandeld moet worden, zo bleek vorige week na een stemming over een motie over het onderwerp. Dat betekent feitelijk het einde van vrijheid van godsdienst en van onderwijs. Men vergeet namelijk tegen wie de grondrechten (vrijheid van religie en vrijheid van onderwijs) bescherming moeten bieden. In het Nederlandse staatsrecht moeten de grondrechten vrijheid van godsdienst en vrijheid van onderwijs vooral bescherming bieden tegen de overheid. Deze grondrechten zijn bedoeld om burgers te beschermen tegen inmenging, beperkingen of dwang door de staat. Een overheid kan bijvoorbeeld niet bepalen dat een kerkgenootschap haar visie op het huwelijk of andere samenlevingsvormen moet aanpassen.

In onze seculiere cultuur geven steeds minder mensen om religie; velen zijn vergeten wat religie eigenlijk inhoudt. Hoewel onze Grondwet vrijheid van godsdienst, geweten én onderwijs waarborgt, lijkt die vrijheid steeds vaker ter discussie te staan. Media plaatsen orthodox-religieus onderwijs in het verdachtenbankje, en politieke stemmen beweren zelfs dat religie in een land als het onze geen invloed op de maatschappij mág uitoefenen. Critici zeggen dat godsdienstvrijheid wordt misbruiktom bijvoorbeeld LHBTQ-personen te discrimineren, of dat onderwijsvrijheid giftigeideeën laat verspreiden. Met andere woorden: juist in onze seculiere samenleving staan vrijheid van godsdienst en onderwijs onder druk – door overheidsbeleid, publieke opinie en culturele trends. Toch moeten we ons afvragen: Waarom blijven deze vrijheden essentieel, ook – of juist – nu? Het antwoord ligt in wat ze beschermen: de menselijke zoektocht naar waarheid en het behoud van een moreel kompas in een vrije, diverse samenleving.

Vrijheid van godsdienst is in wezen de vrijheid om naar waarheid te zoeken. Het gaat niet om een vrijblijvende keuze uit een menu van levensbeschouwingen, maar om de diepe plicht voor ieder mens om het ware en het goede na te streven. Als we vrijheidversmallen tot louter keuze zonder waarheid, ondergraven we uiteindelijk alle vrijheid . Echte vrijheid is namelijk geworteld in waarheid. Zonder dat vaste fundament verzinkt vrijheid in willekeur.

Een seculiere samenleving die meent zonder dat hogere richtsnoer te kunnen, zaagt feitelijk aan de tak waarop ze zelf zit. Want onze ideeën van recht en gerechtigheid - zelfs van mensenrechten - zijn historisch en moreel verankerd in het besef van een objectieve moraal, iets dat groter is dan wijzelf. Het is het moreel relativisme dat ons parten speelt. Als alle waarden relatief worden, blijft er geen reden over om het goede te verkiezen boven het kwade behalve eigen smaak of meerderheidsgedrag. Dan krijgt de wet van de sterkste vrij spel, of dreigt een kille technocratie die de leegte vult. Een vrije samenleving kan niet floreren zonder kompas.

Denk aan een vloot schepen op zee. Ieder schip moet zijn eigen machinekamer op orde hebben en voorkomen dat het andere ramt. Maar dat is niet genoeg. Er moet ook een bestemming zijn, een waarom achter de reis. Zo is het ook met ons: we kunnen individueel deugen en onderling ordelijk samenleven, maar zonder hoger doel of waarheid dobberen we stuurloos rond. Vrijheid van godsdienst houdt dat besef levend dat er een hoger doel, een ultieme Waarheid, te zoeken is. Het is het kompas waardoor een samenleving koers houdt in plaats van eindeloos rond te dobberen. Maar Waarheid is een woord waar men tegenwoordig allergisch voor lijkt.

Vrijheid van onderwijs vloeit voort uit hetzelfde principe: het recht en de verantwoordelijkheid om kinderen te vormen volgens diepe overtuigingen over waarheid en goedheid. Kinderen zijn van de ouders, niet van de staat. Het is om die reden dat ouders de ruimte moeten houden om hun visie op het goede leven in de opvoeding en scholing door te geven . Deze keuzevrijheid is een uitdrukking van de diversiteit van onze samenleving. Helaas wordt tegenwoordig soms gedaan alsof onderwijs neutraal kan zijn, alsof het enkel gaat om hoe te denken en niet om wat te waarderen. Maar elke opvoeding draagt (al dan niet uitgesproken) een beeld over goed en kwaad over. De vraag is: wie heeft het voor het zeggen als het gaat om de ziel van het kind?

Onderwijs zonder ruimte voor geweten en geloof dreigt een kweekplaats van moreel relativisme te worden. Als we uitsluitend het hoofd vullen met kennis en de handen trainen in techniek, maar het hart buiten beschouwing laten, wat zijn we dan eigenlijk aan het doen? We lachen om begrippen als eer en deugd, en zijn dan verbaasd dat de samenleving op drift raakt. We maken de mensen wijs dat er geen objectieve waarden zijn, verwachten toch dat zij het goede zal doen. Dat is vragen om een morele crisis.

Vrijheid van onderwijs is daarom geen luxe of eigen bubbel”, maar een essentiële waarborg dat er verschillende morele tradities mogen voortbestaan die deugd en waarheid hooghouden. Het zorgt ervoor dat onderwijs niet verwordt tot indoctrinatie door de heersende mode, die overigens gepresenteerd wordt als een norm die men moet accepteren, omdat je anders echt niet deugt. Hoe dit zich laat rijmen met het relativisme dat men predikt is een raadsel. Een vrije samenleving heeft inwoners nodig met een geweten en karakter, geen unanieme kudde die alleen heeft geleerd te gehoorzamen aan de geest van de tijd; een tijd die in verwarring verkeert en de weg kwijt is. Juist religieus en levensbeschouwelijk onderwijs kan dat geweten scherpen en voeden met idealen, in plaats van louter consumenten of arbeiders te produceren.

Onze seculiere democratie beroemt zich op tolerantie en diversiteit. Maar ware tolerantie op de proef stellen betekent ook verschillen verdragen die je zelf lastig vindt. Steeds vaker zien we echter een verwarring van gelijkheidmet uniformiteit: sommige opiniemakers en politici lijken gelijkheid te reduceren tot het delen van één moderne, liberale visie op mens en moraal. Alles en iedereen moet binnen dat kader passen; wie afwijkt wordt gezien als bedreigend. Zo noemen de indieners van de motie het bizar dat een christelijke school eigen opvattingen huldigt over controversiële onderwerpen, en suggereren zij dat de veiligheid in het geding is zodra een school niet volledig de links-liberale lijn volgt. De ondertoon is duidelijk: vrijheid mag, zolang ze past binnen het heersende kader. Maar dat miskent wat vrijheid werkelijk inhoudt. Vrijheid vraagt niet om eenvormigheid, maar om het verdragen van verschillen. Het is juist dat ongemak tussen overtuigingen - religieus óf seculier, conservatief óf progressief - dat onze samenleving levendig en vrij houdt.

Als de staat of de meerderheid bepaalt dat geloof slechts achter de voordeur toegestaan is, dan hebben we in feite een Department van Toegestane Overtuigingen opgetuigd. Waar kennen we dat toch van? Dat is geen pluralisme meer, maar een recept voor onderdrukking in naam van vrijheid”. Echte vrijheid van godsdienst houdt juist in dat mensen zónder vrees mogen uitkomen voor wat hun geweten hun ingeeft, ook als dat botst met de tijdgeest. En vrijheid van onderwijs betekent dat we elkaar de ruimte geven om jongeren vanuit verschillende waarden op te voeden, niet om ze van de wereld af te schermen, maar om vanuit hun eigen wortels tot volwaardige burgers uit te groeien. Een staat die dicteert wat diep in het hart geloofd mag worden, behandelt mensen als klapvee.

Waarom blijven vrijheid van godsdienst en onderwijs essentieel, juist in een seculiere samenleving? Omdat zij het hoogste goed beschermen dat een samenleving kan hebben: de mogelijkheid voor elke mens om, geleid door geweten en rede, naar waarheid te zoeken en het goede te doen. Deze vrijheden vormen de buffer tegen de tirannie van de modus van de dag, tegen de neiging van elke maatschappij om haar eigen absolutismen te creëren. Ze houden de deur open voor kritiek, voor verbetering, voor hoop, voor alles wat ons menselijk maakt.

In tijden van spanning komt de echte kracht van onze principes aan het licht. Vrijheid van godsdienst en onderwijs tonen hun waarde vooral wanneer ze onder druk staan: juist dan bewijzen ze of we werkelijk geloven in een vrije, menswaardige samenleving. Laten we deze vrijheden daarom koesteren en verdedigen. Een samenleving die dat niet begrijpt, is een samenleving die niet alleen niet vrij is, maar het ook niet waard is om vrij te zijn.

 

+Rob Mutsaerts

Wat verwacht u eigenlijk?

Kijk naar Johannes de Doper, en probeer niet te glimlachen. Hij ziet er niet uit als een hofprediker met een fluwelen mantel, maar als een woeste profeet: gehuld in een mantel van kameelhaar en een leren riem om zijn middel. Dit is de boodschapper van God? Het contrast kan niet groter. Je zou denken dat God een PR-adviseur in dienst zou hebben die zou zeggen: Misschien is dit niet het beste uithangbord voor het Koninkrijk. Maar God lijkt een voorliefde te hebben voor het ongepaste, het onverwachte. Johannes onaangepaste verschijning is de boodschap: dat wat er echt toe doet niet verpakt hoeft te worden in glamour. Zijn eenvoud en rauwheid zijn juist zijn kracht. Onder die ruige buitenkant brandt een radicale gehoorzaamheid. Johannes mag dan klinken alseen rebel, in werkelijkheid is hij de trouwste dienaar.

Hij roept de machthebbers ter verantwoording, hij tart de religieuze elite, niet uit eigenwijsheid maar uit gehoorzaamheid aan de waarheid. Hier is een man die niets geeft om de mening van mensen, omdat hij alles geeft om de mening van God. Paradoxaal genoeg is deze wilde man de meest toegewijde. Het is een paradox van de geschiedenis dat elke generatie wordt bekeerd door de heilige die haar het meest tegenspreekt. Johannes was precies zon heilige. En juist daardoor trof hij de harten van de zoekers.

Stel je de reacties eens voor. De gevestigde orde ziet Johannes en noemt hem krankzinnig: een man die leeft van sprinkhanen en wilde honing, die het comfort van de stad verruilt voor de brandende zon en het stof, móet wel een dwaas zijn. Maar diep vanbinnen voelen zelfs de sceptische toeschouwers een vreemd ontwaken als ze hem horen. Johannes schudt hen wakker met scherpe woorden over bekering, gerechtigheid en hoop. Hij is als een wekker die rinkelt in een huis vol slapers. Niemand vindt het prettig om ruw gewekt te worden; sommigen willen dat alarm het liefst de kop indrukken. Maar anderen beseffen dat de nieuwe dag is aangebroken.

De manier waarop het evangelie begint met Johannes is geen toevalligheid; het is een voorproefje van hoe God werkt. Het christelijke verhaal zet voortdurend onze verwachtingen op zijn kop. De Koning der koningen wordt geboren in een stal tussen de dieren. De Redder van de wereld groeit op als timmerman in een vergeten dorp. Wanneer Hij rondtrekt verzamelt Hij geen leger van geleerden of generaals, maar vissers, tollenaars en eenvoudige vrouwen. En uiteindelijk overwint Hij niet met het zwaard, maar door zélf aan een kruis te worden gespijkerd. Alles is omgekeerd: vernedering wordt verhoging, sterven wordt de weg naar leven, de laatsten worden de eersten.

Die vreemde logica van het evangelie botst frontaal met wat de wereld ons leert. Onze seculiere cultuur zit vol clichés en illusies die op het eerste gezicht wijs klinken. We horen dingen als: Volg gewoon je hart, dat is de weg naar geluk. Of: De mens is maar een toevallig product van natuurkrachten, verwacht er niet te veel van. Of nog zon favoriet: Wees realistisch: geloven in wonderen is jezelf voor de gek houden. Het klinkt allemaal heel redelijk, totdat je ervaart hoe leeg deze zogenaamde wijsheid eigenlijk is. Velen van ons hebben die dorheid geproefd: een groots en meeslepend leven vol prikkels en prestaties, maar een hart dat apathisch aanvoelt. De woestijn is dichterbij dan we denken, zelfs te midden van luxe. En dan ineens, te midden van die dorre leegte, klinkt er een stem die zegt: er is méér. Maak de weg vrij voor de Heer. Het evangelie durft te beweren dat juist wat de wereld dwaas noemt, ons zal redden. Dat bekering – een woord waar menigeen om grinnikt –in feite de deur naar bevrijding is.

De moderne mens meent verlicht te zijn omdat hij overal vraagtekens bij zet, maar het gevolg is vaak dat hij zelf in een groot vraagteken verandert, in een dobberend stuk wrakhout. In onze tijd is het coolom cynisch te zijn, om alles te ontleden tot er geen ziel meer in zit, zoals je een ui afpelt om tot de conclusie te komen dat er geen kern in zit. Maar wat als de waarheid juist leeft in wat we níet kunnen ontleden? Wat als diepe vervulling niet komt uit eindeloos alles betwijfelen, maar uit dúrven geloven als een kind? Het evangelie zet onze logica op zn kop, niet om ons voor gek te zetten, maar om ons wakker te kussen uit een dodelijke slaapwandeling. We dachten dat we alles wisten, maar de dorst werd maar niet gelest. Pas toen we dat gekke aanbod van levend water aannamen, merkten we hoe uitgedroogd we waren.


Kardinaal Fernandez sticht wederom verwarring.

Het verbaast het mij telkens opnieuw dat men in de moderne wereld vooral bang is voor woorden. De mens lijkt niet langer bang voor zonde of dwaasheid, maar slechts voor misverstanden. En alsof het niet duidelijk is: er is geen enkele waarheid die niet verkeerd kan worden begrepen. De rooms-katholieke theologie heeft altijd een buitengewoon sterke nadruk gelegd op Christus als de enige Verlosser. Dat is precies de reden waarom ik nooit enige dreiging heb gezien in de manier van spreken over Maria. De positie van Christus is dermate absoluut dat het onzinnig zou zijn om te denken dat iemand Hem werkelijk zou kunnen overschaduwen. Samenwerking betekent geen rivaliteit. Als God werkelijk mens werd, dan heeft Hij Zich daarmee niet slechts vernederd, maar Zich ook afhankelijk gemaakt van menselijke gehoorzaamheid: eerst van Maria, later van de apostelen, en uiteindelijk van ons allen. Kardinaal Fernandez ziet spoken als hij zegt dat het niet langer raadzaam is om voor Maria de titel ‘Co-Redemptrix’ te gebruiken.

Ik zie dus niets onredelijks in de gedachte dat Maria, op een wijze totaal ondergeschikt en voortkomend uit genade, deelnam aan het werk van Christus. De term Co-Redemptrix is niet zo schokkend als sommigen vrezen. En eerlijk gezegd: als kardinaal Fernandez bang is dat mensen Maria op gelijke voet zetten met Christus, dan is het probleem niet bij Maria, maar bij Fernandez. Juist de aanwezigheid van Maria herinnert mij eraan dat het christelijk geloof niet een idee, filosofie of moraalsysteem is, maar een verhaal. Het feitelijk gegeven van Marias medewerking aan het werk van onze verlossing komt niet voort uit een menselijke vinding, maar uit het feit dat God Zelf besloten heeft door menselijke bemiddeling te werken. Iedere stap in de heilsgeschiedenis laat zien dat God niet handelt ondanks de mens, maar door de mens. Marias fiatis het eerste, en wellicht helderste, voorbeeld van deze bovennatuurlijke samenwerking.

Wanneer de Kerk spreekt over Maria als Co-Redemptrix - een term die door heiligen en pausen niet lichtvaardig is gebruikt - dan bedoelt zij niet dat haar verdiensten uit zichzelf enige waarde hebben, of dat zij Christusunieke plaats aantast. De Traditie bedoelt dat zij, door een onuitsprekelijke genade, op onvergelijkbare wijze is betrokken bij datgene wat Christus tot stand bracht. Dit leerstuk heeft een bepaalde ontwikkeling doorgemaakt. De ontwikkeling van de leer betekent niet de verandering van het dogma, maar de ontplooiing van wat in de kiem altijd al aanwezig was. Het komt mij voor dat de titel Co-Redemptrix geen noviteit is, maar een gevolgtrekking van wat altijd geloofd is: dat Maria, door genade, het instrument was waardoor het Woord vlees werd, en dat zij in geloof, liefde en lijden deelhad aan het heilswerk van Christus.

De titel Co-Redemptrix stond eeuwenlang vreedzaam geschreven in de bladzijden van de Kerk. Heiligen gebruikten het woord niet uit roekeloosheid, maar uit eerbied. Zo sprak de heilige Bonaventura van Maria als degene die met Christus aan het werk was in de verlossing.” Bernardinus van Siena had de moed om de samenwerking van de Maagd met de Zoon te prijzen, omdat hij wist dat samenwerking (co-operatio) geen gelijkheid is. De Kerkvaders waren niet bezorgd dat de gelovigen Christus zouden vergeten zodra men Maria prees. Zij vertrouwden erop dat mensen het onderscheid zouden begrijpen zoals zij het onderscheid tussen de Zon en de maan konden begrijpen.

En de Pausen? Leo XIII sprak over Maria als degene door wie wij het Verlossingsmysterie ontvingen.” Pius X sprak over haar unieke vereniging met Christus in zijn lijden. Benedictus XV gebruikte woorden die vandaag als gevaarlijk zouden gelden: hij noemde haar strijd aan het kruis bijna gelijk” in intentie aan die van Christus - bijna, herhaal ik nog maar eens, niet echt, en alleen de slecht luisterende wereld zou het verschil niet horen. Pius XI, de paus die niet bekend stond om romantische zwakheden, gebruikte zelfs uitdrukkelijk het woord Co-Redemptrix in een toespraak, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat de Moeder des Heren zon titel droeg. De heiligen en pausen vreesden niet dat Maria te groot zou worden. Zij vreesden vooral dat wij te klein zouden worden.

Het is een vreemd verschijnsel dat Fernandez een woord wil verbannen omdat hij bang is dat het verkeerd wordt begrepen. Je zou verwachten dat je dan eerst probeert het wél te laten begrijpen door het gewoon uit te leggen. Als iemand zegt dat een landkaart verwarrend is, leer hem dan kaart lezen. Je scheurt de kaart niet aan flarden en verklaart de wereld vervolgens plat. Als je zegt dat een theologische term gevaarlijk is, zou men kunnen uitleggen dat co” komt van cum, met”; het is geen nevenschikkende term. Daar is nooit enig misverstand over geweest. Maar in plaats daarvan maakt het hoofd van de Congregatie voor de Geloofsleer het woord verdacht.

Als God niet bang was om een meisje van Nazareth de titel Moeder van God” te geven, waarom zouden wij dan bang zijn om haar kleinere titels te geven? Oude ketters krompen ineen over deze goddelijke paradox, maar de Kerk niet. Wie kan zich een bescheidener schepsel voorstellen dan diezelfde Maria? En toch gaf God haar een titel die het universum schokte. Dit bewijst dat God graag grootheid uit nederigheid schept.

Het katholicisme is het geloof dat ons leert dat God met mensen samenwerkt. Het evangelie begint met samenwerking: een engel wacht op het antwoord van een mens, en de mens zegt ja”, en de hemel houdt zijn adem in. Als dat geen samenwerking is, dan bestaat het woord niet. Het hele verhaal van de menswording is de triomf van de door God gewilde samenwerking tussen Schepper en schepsel. En als de mensheid - door Maria - bij de komst van de Verlosser betrokken mocht zijn, waarom dan niet bij zijn offer aan het kruis, op een wijze geheel afhankelijk van Gods genade? Het is beter en ook eenvoudiger om grote woorden te verklaren dan om een klein geloof te genezen. Christenen bekeren is nog altijd een heidens karwei. De Kerk heeft nooit een waarheid willen verkleinen om de mens gerust te stellen. Zij heeft altijd de mens willen verheffen, zodat hij de waarheid kan dragen.

Ik ben zo vrijmoedig om enkele suggesties aan te dragen: 1. Leert het volk de betekenis, in plaats van woorden te schrappen. 2. Kerkelijke continuïteit mag niet afhankelijk worden van hedendaagse gevoeligheden. 3. Paradox en rijke taal behoren tot de katholieke identiteit. En 4. Marias rol is geen bedreiging voor Christus, maar juist een bevestiging van Zijn menswording en liefde voor menselijke samenwerking.

 

+Rob Mutsaerts

Het einde van de hel?

Reinier Sonnevelds prikkelende boek Het einde van de hel (gekozen tot theologisch boek van het jaar) poneert de stelling dat een eindeloze, bewuste bestraffing in de hel onverenigbaar is met Gods liefde. Hij suggereert dat de hel veeleer tijdelijk is of de natuurlijke consequentie van menselijke keuze, dan een door God ingesteld eeuwig strafkamp”. Op zichzelf is dit al een vreemde stelling voor een protestant. Immers feitelijk erken je daarmee het bestaan van het vagevuur. Maar goed, laten we dit even buiten beschouwing.

Er is geen leerstuk dat ik liever zou afschaffen dan het bestaan van de eeuwige hel, als ik dat  kon. Het is immers zo moeilijk te rijmen lijkt met een barmhartige God. Toch kan ik niet anders dan tot de conclusie komen dat juist Gods liefde en de door God geschonken vrije wil de mogelijkheid van een hel impliceren. God schiep geen marionetten, maar vrije wezens die in staat zijn Hem ook de rug toe te keren. Echte liefde en goedheid kunnen alleen bestaan bij de gratie van vrije wil, ook al opent die vrijheid de deur naar het kwaad. Want vrije wil, hoezeer ze kwaad ook mogelijk maakt, is juist datgene wat iedere liefde, goedheid of vreugde van waarde mogelijk maakt. Er zijn uiteindelijk maar twee soorten mensen: zij die tegen God zeggen: Uw wil geschiede; en zij tot wie God ten slotte zegt: Uw wil geschiede. God respecteert de menselijke keuze zelfs als die keuze zelfdestructief is. De verdoemden zijn in zekere zin succesvolle rebellen tot het einde toe. Zij krijgen precies van God wat ze wilden, namelijk autonomie, maar betalen er de hoogste prijs voor . De hel is geen door God gecreëerde folterkamer; het is de toestand van een ziel die volhardt in het niet willen van Gods aanwezigheid. Het is de ziel die Kyrie Elyson niet over zijn lippen kan krijgen.

Ik knik stemmend bij Sonnevelds bezwaar tegen de karikatuur van de hel als eeuwig strafkamp”. God is niet iemand die zielen tegen wil en dank opsluit om hen eindeloos te kwellen. Niet Gods gebrek aan liefde maar de menselijke afwijzing daarvan verklaart dat sommigen toch verloren gaan. God wil niemand verloren laten gaan, maar kan de vrije wil van zijn schepselen niet zomaar negeren zonder hen tot robots of marionetten te degraderen. Ik zou alles geven om te kunnen zeggen: Allen zullen gered worden. Maar mijn verstand vraagt: Zonder hun wil, of met hun wil? Als uiteindelijk iedereen gered móét worden, ongeacht hun keuze, wordt de menselijke wil zinloos en zelfovergave aan God betekenisloos. Ware liefde kan niet worden afgedwongen.

Nogmaals, aan de ene kant kan ik Sonnevelds hartelijk verlangen onderschrijven om Gods liefde centraal te stellen. De gedachte van eeuwige pijn is moeilijk te verkroppen. Indien er iemand in de hel belandt, komt dat niet omdat God te weinig liefhad, maar omdat die ziel Gods liefde definitief heeft afgewezen. Maar Sonnevelds visie van een tijdelijke hel of automatische redding voor allen is te optimistisch over de menselijke bereidheid om zich te bekeren. Sommige mensen heersen liever in de hel dan dat ze dienaar willen zijn in de hemel, ook als dit bitter weinig geluk oplevert. De hel is uiteindelijk de ultieme bevestiging van Gods respect voor onze autonomie. Zo bezien is Gods rechtvaardigheid geen tegenovergestelde van zijn liefde, maar er juist een onderdeel van: Hij dwingt niemand zijn liefde te beantwoorden. Het is het gewaagde risico dat God nam toen Hij wezens schiep met het vermogen om nee” te zeggen. Wie de hel wil afschaffen om Gods liefde te redden”, verliest juist het zicht op de werkelijke aard van die liefde.

De mensheid is geschapen voor de hemel. Maar juist een liefdevolle God behandelt de mens niet als willoze slaaf. Vrije wil is het hart van de menselijke waardigheid. Wat hiermee ten diepste samenhangt is morele verantwoordelijkheid, en daarmee dan weer het drama van de ziel wat uiteindelijk uitmondt in hemel en hel. Zonder echte keuzemogelijkheid is een mensenleven geen betekenisvol verhaal: geen zonde en straf, maar ook geen deugd en beloning. Chesterton verwoordde het aldus: zonder hel is er geen vrije wil. In zijn ogen is de mogelijkheid van eeuwige afscheiding van God juist een grimmige indicator van hoe serieus God onze beslissingen neemt. De hel is daarmee, paradoxaal genoeg, Gods grootse compliment aan de realiteit van de menselijke vrijheid en de waardigheid van menselijke keuze” . Deze beroemde oneliner van Chesterton vat kernachtig samen dat God de mens zo significant acht, dat Hij zelfs diens nee” eerbiedigt. Een liefde die de vrijheid van de geliefde volledig negeert en die uiteindelijk iedereen koste wat het kost in de hemel zou willen doen belanden, is geen echte liefde maar goedkope sentimentaliteit.

Juist als men de eeuwige hel afschaft, ondermijnt men de diepte van Gods liefde én gerechtigheid. Theologen die alleen nog over Gods liefde willen spreken maar de hel verzwijgen, lijden aan een oppervlakkig optimisme dat het radicale kwaad in het menselijk hart niet serieus neemt. Dergelijke softe theologen vergeten eerst de hel en daarmee uiteindelijk ook God, omdat ze geen oog meer hebben voor Gods rechtvaardigheid . Als men de duistere mogelijkheid van de vrije wil negeert, dan verliest ook de verzoening haar betekenis . Het is niet logisch te spreken over verzoening met God als men ontkent dat men zich ooit van Hem kan verwijderen.

De gedachte dat uiteindelijk iedereen gered wordt - wat Sonneveld voorstaat, het zogeheten universalisme of alverzoening - is (en dat zeg ik als katholiek) altijd verworpen door de Traditie. Niet uit wreedheid, maar juist om recht te doen aan de menselijke waardigheid. Ik snap de goede bedoelingen (of wellicht beter gezegd wensgedachten) van Sonneveld, maar het doet de ernst van onze morele keuzes teniet. Wanneer men denkt dat uiteindelijk toch wel alles goed komt ongeacht onze respons, verliest men het gevoel van urgentie en verantwoordelijkheid. God neemt ons ‘ja’ maar ook ons ‘nee’ bloedserieus. Christus klopt voortdurend aan de deur van het hart, maar dat de deurklink bevindt zich alleen aan de binnenkant. Ik weet wel zeker dat wie zich oprecht tot God wendt, overvloedige genade en vergiffenis vindt. De hel is geen lot dat iemand treft die niet hardnekkig alle reddingsboeien heeft afgewezen.

We moeten de mogelijkheid van een eeuwige hel niet te snel uit ons geloofssysteem schrappen, enkel omdat het ongemakkelijk is. Vergeet niet dat er ook tragedies zijn voortgekomen uit het niét geloven in een hel. En kijk naar de geschiedenis: wanneer mensen vergaten dat ze rekenschap aan God moeten afleggen, groeide de neiging om zichzelf tot God te verheffen, met alle onderdrukking van dien. De hel is een verschrikkelijk mysterie, maar het is geen teken van Gods onmacht of wreedheid. Het is eerder het eindpunt van Gods radicaal ridderlijke houding tegenover zijn schepselen: Hij gunt hen zelfs de autonomie om Hem te verwerpen.

+Rob Mutsaerts